Circulaire Introductie bij provincies van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers

Type Circulaire
Publication 2019-03-28
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Van verzending circulaires naar publicatie op internet

Met ingang van 1 januari 2019 zullen circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers uitsluitend nog bekend worden gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website www.politiekeambtsdragers.nl. U kunt zich met een RSS-feed abonneren op deze site viahttps://feeds.politiekeambtsdragers.nl/circulaires.rss. Als er een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering. Vanwege het belang dat de introductie van dit rechtspositiebesluit bij alle betrokkenen bekend is, wordt onderhavige circulaire ook nog per post verzonden.

1. Inleiding

Hierbij informeer ik u over de totstandkoming van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers (Stb. 2018, 386), en de daarbij behorende Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers (Stcrt 2018, 66006).

In deze regelgeving zijn de rechtspositieregels van alle voorzitters, dagelijks bestuurders en volksvertegenwoordigers van de gemeenten, provincies en waterschappen, in één besluit en één regeling samengevoegd. Dit is het sluitstuk van een meerjarig traject1Eerdere onderdelen van dit traject zijn in juni 2013 (Stb. 2013, 222) en in juni 2014 (Stb. 2014, 230) tot stand gekomen., waarbij de vroegere zeven rechtspositiebesluiten en onderliggende regelingen met betrekking tot deze ambtsdragers, zijn gemoderniseerd, en waar mogelijk geharmoniseerd.

Harmonisatie is bereikt door voor vergelijkbare decentrale politieke ambtsdragers vergelijkbare artikelen op te nemen. Verschillen die enkel historisch waren te verklaren of die intussen achterhaald bleken te zijn, zijn weggenomen. Vervolgens is in het kader van het streven naar modernisering bezien of de voorzieningen nog adequaat waren met het oog op het functioneren van de politieke ambtsdrager.

Dit besluit is tot stand gebracht in nauwe samenwerking met vertegenwoordigers van de koepels (IPO, VNG en Unie van Waterschappen) en van de negen beroepsgroepen van de decentrale politieke ambtsdragers. In gezamenlijkheid is gekomen tot een afgewogen pakket aan arbeidsvoorwaarden dat voor de verschillende groepen ambtsdragers eenvormig, transparant, uitlegbaar en zo eenvoudig mogelijk in de uitvoering is. Verschillen in hoogte van vergoedingen en systematiek zijn vervangen door eigentijdse en adequate voorzieningen die het functioneren van de ambtsdragers versterken.

In §2 wordt een opsomming gegeven van de aanspraken die zijn geïntroduceerd of aangepast. Deze worden toegelicht in de bijlage.

Omdat er voor de provincies per 28 maart 2019 een nieuw besluit en een nieuwe (uitvoerings)regeling gaan gelden, met een nieuwe structuur, is ervoor gekozen om nu niet alleen aan te geven wat dit sluitstuk betekent voor de aanspraken van commissarissen, gedeputeerden, statenleden en commissieleden, maar juist alle aanspraken te beschrijven, ook die niet inhoudelijk zijn gewijzigd. Op deze manier wordt in de bijlage inzicht gegeven in het gehele arbeidsvoorwaardenpakket van actieve ambtsdragers in de provinciale sector.

Er is aandacht gevraagd voor de benodigde tijd om de provinciale verordeningen aan te passen en voor de omschakeling in systemen en administratieve processen. Hierover wordt het volgende opgemerkt.

Met het nieuwe rechtspositiebesluit is ervoor gekozen het merendeel van de aanspraken centraal te regelen en is er geen actie van de individuele provincie nodig. Voor het relatief kleine aantal aanspraken waarvoor nog wel een regeling bij verordening noodzakelijk is, is politiek debat in de provincie gewenst (bijvoorbeeld wel of niet een pensioenvoorziening voor statenleden, wel of niet een bijzondere commissie) en is een besluit per 28 maart 2019 niet per se nodig. Op ander vlak, bijvoorbeeld de lokale scholingsplannen, is er geen inhoudelijke wijziging tot stand gebracht. Alleen het artikelnummer is veranderd.

Wat betreft de uitvoering, geldt dat er op een aantal punten juist een meer eenvoudige uitvoering tot stand is gebracht en dat de vereiste aanpassing eruit bestaat dat bepaalde regels niet meer hoeven te worden toegepast. De reiskostenvergoedingensystematiek is hiervan een voorbeeld. Het kan dus voorkomen dat die nieuwe bedragen niet meteen in de systemen zijn ingeregeld, maar de hantering van één tarief vanaf 28 maart 2019 gaat de uitvoering helpen. Er is hier weliswaar geen overgangsrecht, maar wel ruimte voor pragmatisme.

Het kan zijn dat per 28 maart 2019 provinciale verordeningen die tot stand zijn gekomen op basis van de tot die tijd geldende rechtspositiebesluiten, strijdig zijn met het nieuwe rechtspositiebesluit omdat zij nog niet zijn aangepast. In dat geval gaan het nieuwe rechtspositiebesluit en de nieuwe rechtspositieregeling vóór.

Na publicatie van besluit en regeling is bijvoorbeeld de vraag naar voren gekomen wat overheidsorganen moeten doen die naar oud recht vergoedingen gaven in plaats van verstrekkingen. Er is op dit vlak geen overgangsrecht dus er is voor de provincies per 28 maart 2019 geen grondslag meer voor die vergoedingen. De provincie moet in voorkomend geval zo snel mogelijk de verstrekkingen gaan regelen. Dat heeft de in de bijlage bij de toelichting van artikel 2.3.2 beschreven voordelen. Die variëren van meer zekerheid over cybersecurity en uniformering van de systemen, tot het nu belastingvrij kunnen verstrekken versus het betalen van belaste vergoedingen. Het kan natuurlijk zijn dat de provincie niet per 28 maart 2019 in staat is om te verstrekken. Dan moeten betrokkenen nog even verder met de oude situatie van het hanteren van de eigen ICT-voorzieningen, maar bestaat daarvoor per 28 maart 2019 geen recht op vergoeding.

2. Overzicht nieuwe aanspraken

Inhoudelijk zijn de volgende onderwerpen aangepast of voor het eerst geregeld voor de provinciale politieke ambtsdragers:

3. Vragen en informatie op internet

Informatie die betrekking heeft op politieke ambtsdragers kunt u vinden op de volgende internetsite: www.politiekeambtsdragers.nl. Op deze site vindt u alle actuele wet- en regelgeving, circulaires en brochures over politieke ambtsdragers voor het Rijk, de provincie, de gemeente, de waterschappen en ook voor het Koninkrijk en de BES-eilanden voor zover deze afkomstig is van het Ministerie van BZK. U vindt hier dus niet de modelverordening van het IPO of de provinciale verordeningen.

Voor eventuele nadere vragen kunt u ook contact opnemen met het Ministerie van BZK via postbus.helpdeskpa@minbzk.nl.

Bijlage. bij de circulaire betreffende de introductie bij provincies van het nieuwe Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers

1. Inleiding

Van alle decentrale politieke ambtsdragers is zijn de arbeidsvoorwaarden nu ondergebracht in één rechtspositiebesluit en op een aantal onderwerpen nader uitgewerkt in één ministeriële regeling.

In §2 van deze bijlage wordt de opzet van het nieuwe besluit toegelicht en in §3 een beschrijving gegeven van de fiscale context. In §4 wordt vervolgens een aantal wijzigingen in algemene zin besproken, waarna in §5 per artikel een toelichting gegeven, zo nodig met voorbeelden.

2. Nieuwe opzet van het rechtspositiebesluit

Met het besluit en de regeling is beoogd de rechtspositie van de decentrale politieke ambtsdragers in de verschillende bestuurslagen zo veel mogelijk te harmoniseren. Ook bij toekomstige wijzigingen zal een zo veel mogelijk geharmoniseerde rechtspositie een belangrijk uitgangspunt blijven. Onderlinge vergelijkbaarheid is daarbij essentieel, ook al is deze niet per se van belang voor individuele gebruikers van het besluit. Daarom is gezocht naar een opzet en wijze van nummering die dit vergemakkelijkt.

Gekozen is voor een indeling van het besluit in afzonderlijke hoofdstukken per bestuurslaag: hoofdstuk 2 betreft de provincies, hoofdstuk 3 de gemeenten en hoofdstuk 4 de waterschappen. Daarnaast is er een hoofdstuk met enkele algemene begripsbepalingen (hoofdstuk 1) en een hoofdstuk met algemene overgangs- en slotbepalingen (hoofdstuk 5).

De hoofdstukken kennen ieder enkele algemene bepalingen en zijn verder op identieke wijze onderverdeeld in afdelingen. Er is een afdeling die betrekking heeft op de rechtspositie van de volksvertegenwoordigers, een afdeling voor de voorzitter en dagelijks bestuurders en een afdeling met bepalingen die zowel voor de volksvertegenwoordigers als voor de voorzitter en dagelijks bestuurders gelden. Daarnaast is er een afdeling die van toepassing is op commissieleden (waarmee bedoeld wordt leden van commissies die niet tevens lid zijn van provinciale staten, de gemeenteraad of het algemeen bestuur van een waterschap).

Gekozen is voorts voor een gelede nummering van de artikelen, waarmee direct duidelijk is in welk hoofdstuk en in welke afdeling het artikel staat. Daarmee is ook meteen helder op welke beroepsgroep het van toepassing is. De artikelnummers in het besluit bestaan meestal uit drie cijfers, in de volgorde: hoofdstuk, afdeling, artikel. Het laatste getal in een artikelnummer betreft het specifieke onderwerp. De afdelingen en artikelen in de onderscheiden hoofdstukken corresponderen met elkaar. Zo is de vergoeding bij een dienstongeval in elk hoofdstuk te vinden in de afdeling die van toepassing is op zowel de volksvertegenwoordigers als de voorzitter en de dagelijks bestuurders, en wel in de artikelen 2.3.6, 3.3.6 en 4.3.6.

De meeste bepalingen zijn voor de onderscheiden bestuurslagen inhoudelijk geharmoniseerd. Verschillen kunnen zich bijvoorbeeld voordoen als de grondslag in de organieke wetten niet helemaal gelijk zijn, zoals de grondslagen voor de vergoeding van dienstreizen van volksvertegenwoordigers (artikelen 94 en 95 van de Provinciewet, 96 en 97 van de Gemeentewet en 32a van de Waterschapswet).

Sommige onderwerpen zijn niet voor alle bestuurslagen relevant. Zo kennen de gemeenten wel het fenomeen van opclassificatie maar de provincies en waterschappen niet. De opzet van het besluit en de artikelnummering leiden er daarom toe dat een aantal artikelen is voorzien van de aanduiding “leeg”. Dit zijn de artikelen 2.2 tot en met 2.4, 2.1.8, 2.2.16, 3.5, 4.2 tot en met 4.4, 4.1.8, 4.2.5, 4.2.8 en 4.2.16. Onderlinge vergelijkbaarheid is namelijk essentieel. Bovendien is het aantal “lege” artikelen beperkt en zal dit voor de individuele gebruikers naar verwachting niet tot noemenswaardige verwarring leiden.

3. Fiscale aspecten

Provincies zijn ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig (hierna: werkgever of werkgevers) ten aanzien van hun commissaris en gedeputeerden. Dit betekent dat zij de loonheffingen op het loon van hun bestuurders moeten inhouden en afdragen. Ook statenleden kunnen door een melding bij de fiscus door middel van een gezamenlijke verklaring van het desbetreffende statenlid en de inhoudende instantie, de provincie, kiezen voor het loonbelastingregime2Met een door het statenlid en provincie ondertekende verklaring loonheffingen-opting in van de Belastingdienst (https://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/verklaring_loonheffing_opting_in_lh0501z9fol.pdf).. Deze leden worden dan door de fiscus aangemerkt als “fictief werknemer”. Onder het begrip loon vallen ook vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen.

Werkgevers kunnen maximaal 1,2% van hun totale loonsom (de “vrije ruimte”) besteden aan onbelaste vergoedingen en verstrekkingen voor hun werknemers, mits deze zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Voor zover deze vrije ruimte door hogere aanwijzingen wordt overschreden, betaalt de werkgever 80% eindheffing. Deze eindheffing komt voor rekening van de werkgever en wordt dus niet ingehouden op het loon van de werknemer. Na de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel behoren de looncomponenten niet meer tot het loon van de werknemer en daarmee ook niet tot zijn verzamelinkomen voor de inkomstenbelasting.

Naast deze vrije ruimte kunnen bepaalde voorzieningen, zoals bijvoorbeeld studie, onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld. Het betreft de zogenoemde gerichte vrijstellingen. Gerichte vrijstellingen gaan niet ten koste van de vrije ruimte, mits de desbetreffende vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen binnen de normen blijven die voor deze gerichte vrijstellingen gelden. Eventuele overschrijdingen kunnen dus wel in de vrije ruimte worden ondergebracht. Ook de gerichte vrijstellingen kunnen alleen worden toegepast als de looncomponenten zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel.

Het aanwijzen van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen als eindheffingsbestanddeel is vormvrij. Voor bepaalde vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen aan de provinciale politieke ambtsdragers is ervoor gekozen de aanwijzing in het rechtspositiebesluit op te nemen (artikel 2.3.8). Deze aanwijzing hoeft derhalve niet meer op lokaal niveau te worden gedaan en is bindend. De Wet op loonbelasting 1964 bevat namelijk ook een gebruikelijkheidstoets: bij elke aanwijzing als eindheffingsbestanddeel van een vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling moet beoordeeld worden of deze als zodanig gebruikelijk is. Bij een bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen eindheffingsbestanddeel hoeft deze beoordeling niet meer afzonderlijk plaats te vinden.

Verder is het aanwijzen van vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen als eindheffingsbestanddeel ingeperkt. Verstrekkingen of terbeschikkingstellingen die niet als zodanig kunnen worden aangewezen, zijn bijvoorbeeld een auto die ook voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, of een (dienst)woning (een pied-à-terre uitgezonderd, omdat de kosten hiervoor tijdelijke verblijfkosten zijn in het kader van de dienstbetrekking). Wel kunnen vergoedingen ter compensatie van de belasting over deze verstrekkingen of terbeschikkingstellingen als eindheffingsbestanddeel worden aangewezen.

Toelichting vrije ruimte en politieke ambtsdragers

Tijdens de consultatie kwam naar voren dat het beeld leeft dat alle arbeidsvoorwaardelijke voorzieningen van de provincie in de vrije ruimte van 1,2% van de totale loonsom van de provincie moeten passen, omdat de provincie anders een fiscale “boete” krijgt van 80% belastingheffing over de overschrijding. Dit beeld, en de daaraan gekoppelde zorg over die zogenaamde fiscale boete, is onjuist.

Natuurlijk is het bevredigend voor de provincie als er geen belasting behoeft te worden betaald, maar de fiscus staat buiten wat een werkgever aan voorzieningen verstrekt aan zijn werknemers. Daarbij maakt het voor de werkkostenregeling niet uit of die voorzieningen zien op politieke ambtsdragers of op ambtenaren. Fiscaal gezien zijn beide groepen werknemer3Het statenlid is voor de Wet op de loonbelasting 1964 werknemer als er gebruik wordt gemaakt van de zogenoemde opting-in; hij of zij is dan, zoals gezegd, een zogenaamde “fictief werknemer”.. Er is dan ook geen sprake van een boete als de grens van de vrije ruimte wordt overschreden, maar van reguliere belastingheffing. En wanneer het komt tot die belastingheffing, leidt die tot lagere kosten voor de werkgever dan bij het alternatief, bruteren.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.