Circulaire Introductie bij provincies van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
Van verzending circulaires naar publicatie op internet
Met ingang van 1 januari 2019 zullen circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers uitsluitend nog bekend worden gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website www.politiekeambtsdragers.nl. U kunt zich met een RSS-feed abonneren op deze site viahttps://feeds.politiekeambtsdragers.nl/circulaires.rss. Als er een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering. Vanwege het belang dat de introductie van dit rechtspositiebesluit bij alle betrokkenen bekend is, wordt onderhavige circulaire ook nog per post verzonden.
1. Inleiding
Hierbij informeer ik u over de totstandkoming van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers (Stb. 2018, 386), en de daarbij behorende Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers (Stcrt 2018, 66006).
In deze regelgeving zijn de rechtspositieregels van alle voorzitters, dagelijks bestuurders en volksvertegenwoordigers van de gemeenten, provincies en waterschappen, in één besluit en één regeling samengevoegd. Dit is het sluitstuk van een meerjarig traject1Eerdere onderdelen van dit traject zijn in juni 2013 (Stb. 2013, 222) en in juni 2014 (Stb. 2014, 230) tot stand gekomen., waarbij de vroegere zeven rechtspositiebesluiten en onderliggende regelingen met betrekking tot deze ambtsdragers, zijn gemoderniseerd, en waar mogelijk geharmoniseerd.
Harmonisatie is bereikt door voor vergelijkbare decentrale politieke ambtsdragers vergelijkbare artikelen op te nemen. Verschillen die enkel historisch waren te verklaren of die intussen achterhaald bleken te zijn, zijn weggenomen. Vervolgens is in het kader van het streven naar modernisering bezien of de voorzieningen nog adequaat waren met het oog op het functioneren van de politieke ambtsdrager.
Dit besluit is tot stand gebracht in nauwe samenwerking met vertegenwoordigers van de koepels (IPO, VNG en Unie van Waterschappen) en van de negen beroepsgroepen van de decentrale politieke ambtsdragers. In gezamenlijkheid is gekomen tot een afgewogen pakket aan arbeidsvoorwaarden dat voor de verschillende groepen ambtsdragers eenvormig, transparant, uitlegbaar en zo eenvoudig mogelijk in de uitvoering is. Verschillen in hoogte van vergoedingen en systematiek zijn vervangen door eigentijdse en adequate voorzieningen die het functioneren van de ambtsdragers versterken.
In §2 wordt een opsomming gegeven van de aanspraken die zijn geïntroduceerd of aangepast. Deze worden toegelicht in de bijlage.
Omdat er voor de provincies per 28 maart 2019 een nieuw besluit en een nieuwe (uitvoerings)regeling gaan gelden, met een nieuwe structuur, is ervoor gekozen om nu niet alleen aan te geven wat dit sluitstuk betekent voor de aanspraken van commissarissen, gedeputeerden, statenleden en commissieleden, maar juist alle aanspraken te beschrijven, ook die niet inhoudelijk zijn gewijzigd. Op deze manier wordt in de bijlage inzicht gegeven in het gehele arbeidsvoorwaardenpakket van actieve ambtsdragers in de provinciale sector.
Er is aandacht gevraagd voor de benodigde tijd om de provinciale verordeningen aan te passen en voor de omschakeling in systemen en administratieve processen. Hierover wordt het volgende opgemerkt.
Met het nieuwe rechtspositiebesluit is ervoor gekozen het merendeel van de aanspraken centraal te regelen en is er geen actie van de individuele provincie nodig. Voor het relatief kleine aantal aanspraken waarvoor nog wel een regeling bij verordening noodzakelijk is, is politiek debat in de provincie gewenst (bijvoorbeeld wel of niet een pensioenvoorziening voor statenleden, wel of niet een bijzondere commissie) en is een besluit per 28 maart 2019 niet per se nodig. Op ander vlak, bijvoorbeeld de lokale scholingsplannen, is er geen inhoudelijke wijziging tot stand gebracht. Alleen het artikelnummer is veranderd.
Wat betreft de uitvoering, geldt dat er op een aantal punten juist een meer eenvoudige uitvoering tot stand is gebracht en dat de vereiste aanpassing eruit bestaat dat bepaalde regels niet meer hoeven te worden toegepast. De reiskostenvergoedingensystematiek is hiervan een voorbeeld. Het kan dus voorkomen dat die nieuwe bedragen niet meteen in de systemen zijn ingeregeld, maar de hantering van één tarief vanaf 28 maart 2019 gaat de uitvoering helpen. Er is hier weliswaar geen overgangsrecht, maar wel ruimte voor pragmatisme.
Het kan zijn dat per 28 maart 2019 provinciale verordeningen die tot stand zijn gekomen op basis van de tot die tijd geldende rechtspositiebesluiten, strijdig zijn met het nieuwe rechtspositiebesluit omdat zij nog niet zijn aangepast. In dat geval gaan het nieuwe rechtspositiebesluit en de nieuwe rechtspositieregeling vóór.
Na publicatie van besluit en regeling is bijvoorbeeld de vraag naar voren gekomen wat overheidsorganen moeten doen die naar oud recht vergoedingen gaven in plaats van verstrekkingen. Er is op dit vlak geen overgangsrecht dus er is voor de provincies per 28 maart 2019 geen grondslag meer voor die vergoedingen. De provincie moet in voorkomend geval zo snel mogelijk de verstrekkingen gaan regelen. Dat heeft de in de bijlage bij de toelichting van artikel 2.3.2 beschreven voordelen. Die variëren van meer zekerheid over cybersecurity en uniformering van de systemen, tot het nu belastingvrij kunnen verstrekken versus het betalen van belaste vergoedingen. Het kan natuurlijk zijn dat de provincie niet per 28 maart 2019 in staat is om te verstrekken. Dan moeten betrokkenen nog even verder met de oude situatie van het hanteren van de eigen ICT-voorzieningen, maar bestaat daarvoor per 28 maart 2019 geen recht op vergoeding.
2. Overzicht nieuwe aanspraken
Inhoudelijk zijn de volgende onderwerpen aangepast of voor het eerst geregeld voor de provinciale politieke ambtsdragers:
3. Vragen en informatie op internet
Informatie die betrekking heeft op politieke ambtsdragers kunt u vinden op de volgende internetsite: www.politiekeambtsdragers.nl. Op deze site vindt u alle actuele wet- en regelgeving, circulaires en brochures over politieke ambtsdragers voor het Rijk, de provincie, de gemeente, de waterschappen en ook voor het Koninkrijk en de BES-eilanden voor zover deze afkomstig is van het Ministerie van BZK. U vindt hier dus niet de modelverordening van het IPO of de provinciale verordeningen.
Voor eventuele nadere vragen kunt u ook contact opnemen met het Ministerie van BZK via postbus.helpdeskpa@minbzk.nl.
Bijlage. bij de circulaire betreffende de introductie bij provincies van het nieuwe Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
1. Inleiding
Van alle decentrale politieke ambtsdragers is zijn de arbeidsvoorwaarden nu ondergebracht in één rechtspositiebesluit en op een aantal onderwerpen nader uitgewerkt in één ministeriële regeling.
In §2 van deze bijlage wordt de opzet van het nieuwe besluit toegelicht en in §3 een beschrijving gegeven van de fiscale context. In §4 wordt vervolgens een aantal wijzigingen in algemene zin besproken, waarna in §5 per artikel een toelichting gegeven, zo nodig met voorbeelden.
2. Nieuwe opzet van het rechtspositiebesluit
Met het besluit en de regeling is beoogd de rechtspositie van de decentrale politieke ambtsdragers in de verschillende bestuurslagen zo veel mogelijk te harmoniseren. Ook bij toekomstige wijzigingen zal een zo veel mogelijk geharmoniseerde rechtspositie een belangrijk uitgangspunt blijven. Onderlinge vergelijkbaarheid is daarbij essentieel, ook al is deze niet per se van belang voor individuele gebruikers van het besluit. Daarom is gezocht naar een opzet en wijze van nummering die dit vergemakkelijkt.
Gekozen is voor een indeling van het besluit in afzonderlijke hoofdstukken per bestuurslaag: hoofdstuk 2 betreft de provincies, hoofdstuk 3 de gemeenten en hoofdstuk 4 de waterschappen. Daarnaast is er een hoofdstuk met enkele algemene begripsbepalingen (hoofdstuk 1) en een hoofdstuk met algemene overgangs- en slotbepalingen (hoofdstuk 5).
De hoofdstukken kennen ieder enkele algemene bepalingen en zijn verder op identieke wijze onderverdeeld in afdelingen. Er is een afdeling die betrekking heeft op de rechtspositie van de volksvertegenwoordigers, een afdeling voor de voorzitter en dagelijks bestuurders en een afdeling met bepalingen die zowel voor de volksvertegenwoordigers als voor de voorzitter en dagelijks bestuurders gelden. Daarnaast is er een afdeling die van toepassing is op commissieleden (waarmee bedoeld wordt leden van commissies die niet tevens lid zijn van provinciale staten, de gemeenteraad of het algemeen bestuur van een waterschap).
Gekozen is voorts voor een gelede nummering van de artikelen, waarmee direct duidelijk is in welk hoofdstuk en in welke afdeling het artikel staat. Daarmee is ook meteen helder op welke beroepsgroep het van toepassing is. De artikelnummers in het besluit bestaan meestal uit drie cijfers, in de volgorde: hoofdstuk, afdeling, artikel. Het laatste getal in een artikelnummer betreft het specifieke onderwerp. De afdelingen en artikelen in de onderscheiden hoofdstukken corresponderen met elkaar. Zo is de vergoeding bij een dienstongeval in elk hoofdstuk te vinden in de afdeling die van toepassing is op zowel de volksvertegenwoordigers als de voorzitter en de dagelijks bestuurders, en wel in de artikelen 2.3.6, 3.3.6 en 4.3.6.
De meeste bepalingen zijn voor de onderscheiden bestuurslagen inhoudelijk geharmoniseerd. Verschillen kunnen zich bijvoorbeeld voordoen als de grondslag in de organieke wetten niet helemaal gelijk zijn, zoals de grondslagen voor de vergoeding van dienstreizen van volksvertegenwoordigers (artikelen 94 en 95 van de Provinciewet, 96 en 97 van de Gemeentewet en 32a van de Waterschapswet).
Sommige onderwerpen zijn niet voor alle bestuurslagen relevant. Zo kennen de gemeenten wel het fenomeen van opclassificatie maar de provincies en waterschappen niet. De opzet van het besluit en de artikelnummering leiden er daarom toe dat een aantal artikelen is voorzien van de aanduiding “leeg”. Dit zijn de artikelen 2.2 tot en met 2.4, 2.1.8, 2.2.16, 3.5, 4.2 tot en met 4.4, 4.1.8, 4.2.5, 4.2.8 en 4.2.16. Onderlinge vergelijkbaarheid is namelijk essentieel. Bovendien is het aantal “lege” artikelen beperkt en zal dit voor de individuele gebruikers naar verwachting niet tot noemenswaardige verwarring leiden.
3. Fiscale aspecten
Provincies zijn ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig (hierna: werkgever of werkgevers) ten aanzien van hun commissaris en gedeputeerden. Dit betekent dat zij de loonheffingen op het loon van hun bestuurders moeten inhouden en afdragen. Ook statenleden kunnen door een melding bij de fiscus door middel van een gezamenlijke verklaring van het desbetreffende statenlid en de inhoudende instantie, de provincie, kiezen voor het loonbelastingregime2Met een door het statenlid en provincie ondertekende verklaring loonheffingen-opting in van de Belastingdienst (https://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/verklaring_loonheffing_opting_in_lh0501z9fol.pdf).. Deze leden worden dan door de fiscus aangemerkt als “fictief werknemer”. Onder het begrip loon vallen ook vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen.
Werkgevers kunnen maximaal 1,2% van hun totale loonsom (de “vrije ruimte”) besteden aan onbelaste vergoedingen en verstrekkingen voor hun werknemers, mits deze zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Voor zover deze vrije ruimte door hogere aanwijzingen wordt overschreden, betaalt de werkgever 80% eindheffing. Deze eindheffing komt voor rekening van de werkgever en wordt dus niet ingehouden op het loon van de werknemer. Na de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel behoren de looncomponenten niet meer tot het loon van de werknemer en daarmee ook niet tot zijn verzamelinkomen voor de inkomstenbelasting.
Naast deze vrije ruimte kunnen bepaalde voorzieningen, zoals bijvoorbeeld studie, onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld. Het betreft de zogenoemde gerichte vrijstellingen. Gerichte vrijstellingen gaan niet ten koste van de vrije ruimte, mits de desbetreffende vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen binnen de normen blijven die voor deze gerichte vrijstellingen gelden. Eventuele overschrijdingen kunnen dus wel in de vrije ruimte worden ondergebracht. Ook de gerichte vrijstellingen kunnen alleen worden toegepast als de looncomponenten zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel.
Het aanwijzen van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen als eindheffingsbestanddeel is vormvrij. Voor bepaalde vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen aan de provinciale politieke ambtsdragers is ervoor gekozen de aanwijzing in het rechtspositiebesluit op te nemen (artikel 2.3.8). Deze aanwijzing hoeft derhalve niet meer op lokaal niveau te worden gedaan en is bindend. De Wet op loonbelasting 1964 bevat namelijk ook een gebruikelijkheidstoets: bij elke aanwijzing als eindheffingsbestanddeel van een vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling moet beoordeeld worden of deze als zodanig gebruikelijk is. Bij een bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen eindheffingsbestanddeel hoeft deze beoordeling niet meer afzonderlijk plaats te vinden.
Verder is het aanwijzen van vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen als eindheffingsbestanddeel ingeperkt. Verstrekkingen of terbeschikkingstellingen die niet als zodanig kunnen worden aangewezen, zijn bijvoorbeeld een auto die ook voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, of een (dienst)woning (een pied-à-terre uitgezonderd, omdat de kosten hiervoor tijdelijke verblijfkosten zijn in het kader van de dienstbetrekking). Wel kunnen vergoedingen ter compensatie van de belasting over deze verstrekkingen of terbeschikkingstellingen als eindheffingsbestanddeel worden aangewezen.
Toelichting vrije ruimte en politieke ambtsdragers
Tijdens de consultatie kwam naar voren dat het beeld leeft dat alle arbeidsvoorwaardelijke voorzieningen van de provincie in de vrije ruimte van 1,2% van de totale loonsom van de provincie moeten passen, omdat de provincie anders een fiscale “boete” krijgt van 80% belastingheffing over de overschrijding. Dit beeld, en de daaraan gekoppelde zorg over die zogenaamde fiscale boete, is onjuist.
Natuurlijk is het bevredigend voor de provincie als er geen belasting behoeft te worden betaald, maar de fiscus staat buiten wat een werkgever aan voorzieningen verstrekt aan zijn werknemers. Daarbij maakt het voor de werkkostenregeling niet uit of die voorzieningen zien op politieke ambtsdragers of op ambtenaren. Fiscaal gezien zijn beide groepen werknemer3Het statenlid is voor de Wet op de loonbelasting 1964 werknemer als er gebruik wordt gemaakt van de zogenoemde opting-in; hij of zij is dan, zoals gezegd, een zogenaamde “fictief werknemer”.. Er is dan ook geen sprake van een boete als de grens van de vrije ruimte wordt overschreden, maar van reguliere belastingheffing. En wanneer het komt tot die belastingheffing, leidt die tot lagere kosten voor de werkgever dan bij het alternatief, bruteren.
Het lijkt erop dat dit beeld van een boete als de grens van de vrije ruimte wordt overschreden, wordt versterkt doordat er gesproken wordt van een eindheffing en omdat deze “afrekening” aan het eind van het jaar plaatsvindt. Doordat de provincie aldus aan het eind van het jaar wordt geconfronteerd met de belastingheffing, ontstaat het gevoel bij de provincie dat zij fout heeft gehandeld. Er is echter geen sprake van een fout, maar juist van een manier om de kosten van de provincie te verlagen. Bovendien kan dit gevoel worden tegengegaan wanneer wordt gekozen voor het gebruik van een maandelijkse voorschotnota. Dat is een soort bevoorschottingssysteem waarmee de loonheffing voorspelbaarder kan worden gemaakt. Het maandelijks voorschot kan de provincie in overeenstemming brengen met de geschatte eindheffing na afloop van het kalenderjaar.
Ook werd tijdens de consultatie naar voren gebracht dat de vrije ruimte door de fiscus zou zijn bedoeld als 'budget' voor alle medewerkers bij de provincie. Dit is een onjuiste stelling. De wetgever bepaalt in het kader van de werkkostenregeling namelijk niet welk pakket de werkgever moet aanbieden aan aangewezen voorzieningen. En de berekening van de vrije ruimte is gebaseerd op de totale loonsom van de provincie; dus die van ambtenaren en politieke ambtsdragers tezamen. De vrije ruimte kan dus worden gebruikt voor zowel ambtenaren als politieke ambtsdragers.
Doordat in het rechtspositiebesluit veel voorzieningen voor de politieke ambtsdragers, om de hierboven genoemde redenen, als eindheffingsbestanddeel zijn aangewezen, werd weleens de conclusie getrokken dat het grootste gedeelte van de vrije ruimte wordt opgesoupeerd door de politieke ambtsdragers waardoor weinig ruimte meer resteert voor de ambtenaren van de provincie. Die conclusie berust echter op een onjuiste vooronderstelling. De fiscus bepaalt namelijk niet wat er beschikbaar is voor de werkgever; de fiscus kijkt voor de loonheffing uitsluitend welk totaalbedrag aan voorzieningen voor ambtenaren en politieke ambtsdragers gezamenlijk resteert boven de forfaitaire vrijstelling van 1,2% van de totale loonsom. Aangezien het totaal van de voorzieningen voor zowel ambtenaren als politieke ambtsdragers niet verandert, en dus ook niet het totaal van de vereiste belastingafdracht, is er enkel sprake van een “waterbedeffect”: welk deel van de vrije ruimte deelt de provincie als werkgever toe aan ambtenaren en welk deel aan politieke ambtsdragers?
En zelfs als er door de provincie eindheffing moet worden afgedragen, is dat nog altijd goedkoper dan het alternatief, en dat is bruteren. Vóór de invoering van de werkkostenregeling werden de kostenvergoedingen als individueel toegekend belast loon aangemerkt en vervolgens gebruteerd om politieke ambtsdragers te compenseren voor de loonheffing die over de kostenvergoedingen verschuldigd was. Waar de provincie bij het bruteren meer dan het dubbele betaalde (+108,3% bij een belastingtarief van 52%) om netto een bepaald bedrag te kunnen verstrekken, betaalt zij sinds de invoering van de werkkostenregeling per 1 januari 2015 in de eindheffing 80%, en feitelijk vaak minder: de provincie betaalt immers pas 80% belasting indien de forfaitaire vrijstelling van 1,2% van de totale fiscale loonsom wordt overschreden.
De werkkostenregeling betekent dus een besparing voor de provincies ten opzichte van het oude fiscale systeem van bruteren. Het niet aanwijzen van de vergoedingen en verstrekkingen aan politieke ambtsdragers zou dan ook geen lastenverlichting betekenen, maar juist een lastenverzwaring omdat vergoedingen en verstrekkingen dan weer met 108,3% moeten worden gebruteerd.
Niet bruteren is ook geen optie, omdat de verschuldigde belasting in dat geval moet worden opgebracht door de politieke ambtsdrager. Kiezen voor het alternatief van bruteren zou overigens juist de beeldvorming negatief kunnen beïnvloeden. Omdat dan het bruteren leidt tot het toekennen van hogere bedragen aan de politieke ambtsdragers dan onder de werkkostenregeling.
Een andere overweging is dat door de verplichte aanwijzing voorkomen wordt, dat er in de drie decentrale bestuurslagen structureel twee systemen van vergoedingen blijven gelden, te weten netto en gebruteerde vergoedingen. Het risico van fouten in de uitvoering is reëel en de administratieve lasten worden dan niet verminderd.
4. Algemene toelichting
Brutobedragen
De bedragen die genoemd worden, zijn brutobedragen, tenzij anders vermeld.
Vereenvoudiging reiskostenvergoeding
Er is per 1 januari 2019 voor alle decentrale politieke ambtsdragers een reiskostenstelsel geïntroduceerd dat eenvoudiger is dan de complexe regels, die tot dan toe golden. Deze regels waren bovendien onderling afwijkend tussen de verschillende bestuurslagen, en soms ook tussen vergelijkbare functionarissen, terwijl die afwijkingen niet altijd verklaarbaar waren.
Het nieuwe reiskostenstelsel betekent een significante vermindering van de bestuurlijke lastendruk: enerzijds doordat de vergoedingen voor de verschillende decentrale politieke ambtsdragers zoveel mogelijk uniform zijn en anderzijds doordat zij beter aansluiten bij de huidige fiscale regels. De vereenvoudiging van het systeem is ook gunstig voor de individuele ambtsdrager: bij de uitvoering van het oude, complexe stelsel konden gemakkelijker fouten worden gemaakt, wat een politiek risico met zich mee kon brengen. Bij de uitvoering van het nieuwe stelsel mag worden verwacht dat er minder fouten zullen worden gemaakt, waardoor ook dit politieke risico vermindert.
Behalve de uniforme reiskostenvergoeding is in het onderhavige besluit ook geregeld onder welke voorwaarden auto’s ter beschikking kunnen worden gesteld aan commissarissen en gedeputeerden (dienstauto’s of leaseauto’s). Hierop wordt specifiek ingegaan in §5, in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.2.10.
De kosten van openbaar vervoer worden, net als voorheen, geheel vergoed. Wat onder openbaar vervoer wordt verstaan, is gedefinieerd in artikel 1.1 van de regeling. De omschrijving van het begrip is ontleend aan artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000, met toevoeging van de veerpont en de veerboot.
Een taxi valt niet onder het begrip “openbaar vervoer”. Evenals onder het oude regime worden de kosten van een taxi dus niet vergoed. Er is bewust afgezien van een specifieke bepaling om de vergoeding van taxikosten wel mogelijk te maken. Het risico op politieke discussie bij juist deze kostensoort is namelijk groot.
Wanneer een politieke ambtsdrager echter een functionele beperking heeft (bijvoorbeeld een gebroken been of blindheid), kan hem nu op grond van de onderhavige regeling wel een passende vervoersvoorziening worden geboden, bijvoorbeeld in de vorm van een taxi(vergoeding) of het voor de reis beschikbaar stellen van een dienstauto.
Onder het oude regime was het mogelijk voor ambtsdragers om gebruik te maken van gecontracteerd vervoer. Dit kan nog steeds. Hierop wordt ingegaan bij de toelichting op ter beschikking gestelde auto’s (artikel 2.2.10).
Bij gebruik van de eigen auto wordt het maximale bedrag vergoed dat een werkgever per kilometer fiscaal onbelast mag vergoeden aan een werknemer. Dat is op dit moment € 0,19 per kilometer. Binnen de provincie hoeft dus, anders dan tot nu toe, geen rekening meer te worden gehouden met verschillende tarieven voor de verschillende politieke ambtsdragers, noch met fiscale afdrachten. Hierdoor zal de lastendruk voor provincies aanzienlijk afnemen.
Parkeer- veer- en tolkosten hebben, in tegenstelling tot brandstofkosten, geen relatie met het aantal afgelegde kilometers. Dit speelt vooral bij dienstreizen waarbij de route- en bestemmingsomstandigheden door de ambtsdrager minder te beïnvloeden zijn. Om deze reden is ervoor gekozen dat deze kosten bij dienstreizen door de provincie worden vergoed.
Ingeval van woon-werkverkeer worden eventuele tol- en veergelden eveneens vergoed, maar blijven de parkeerkosten daarentegen wel voor rekening van de betrokken ambtsdrager. Enerzijds omdat betrokkene meer keuzevrijheid heeft of hij al dan niet parkeerkosten moet maken en anderzijds omdat voorkomen moet worden dat het autogebruik wordt gestimuleerd.
Naheffingsaanslagen die zijn opgelegd in verband met niet of te weinig betalen van parkeergeld worden, net zomin als parkeer- en andere boetes, uiteraard niet vergoed. Voor alle duidelijkheid is dit in de regeling uitdrukkelijk bepaald.
In hoeverre de nieuwe systematiek bij gebruik van de eigen auto voor- of nadelig is voor betrokkenen, is niet in algemene zin te zeggen. Reiskosten zijn sterk individueel bepaald.
Als gevolg van het nieuwe systeem ontvangen de provinciale ambtsdragers op grond van de onder-havige regeling ten opzichte van de oude regelingen voor woon-werkverkeer 4 cent per kilometer meer (onbelast); anderzijds krijgen zij, afhankelijk van de desbetreffende regeling, tot 9 cent minder per kilometer (onbelast) bij dienstreizen. Daar staat tegenover dat dienstreizen over het algemeen minder vaak worden gemaakt dan reizen voor woon-werkverkeer en dat op grond van de nieuwe regeling bij dienstreizen nu ook de parkeerkosten worden vergoed. Ook worden tol- en veergelden nu vergoed en zijn er meer mogelijkheden met betrekking tot de terbeschikkingstelling van auto’s.
De waarde van dit nieuwe reiskostensysteem is bovendien, zoals gezegd, niet alleen financieel. Hoe minder complex een systeem is uit te voeren, hoe minder fouten er zullen worden gemaakt. Hiermee wordt ook het daarmee soms samenhangende politieke risico sterk verminderd. Van dit administratief sterk vereenvoudigde systeem profiteren zowel de overheidsorganen als de bestuurders. Daarbij moet in aanmerking genomen worden dat het nieuwe reiskostensysteem onderdeel uitmaakt van een in zijn totaliteit afgewogen pakket aan arbeidsvoorwaarden.
Indexcijfers
Tot de inwerkingtreding van het nieuwe besluit werden voor de indexering van geldbedragen bepaalde indexcijfers4Het gaat om enerzijds het consumentenprijsindexcijfer en anderzijds het indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen. gebruikt die door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zijn vastgesteld voor de maand september van het voorgaande kalenderjaar. In de praktijk leverde dit in zo verre problemen op, dat bij de totstandkoming van de ministeriële regeling, waarbij de bedragen werden geïndexeerd (en de aankondiging daarvan in de gebruikelijke eindejaarscirculaire), de desbetreffende indexcijfers nog niet definitief waren vastgesteld door het CBS. De voorlopige indexcijfers over de maand september worden namelijk regelmatig door het CBS bijgesteld. Dit leidde niet alleen tot onduidelijkheid en jaarlijks terugkerende verwarring in de uitvoering, maar ook tot uitkomsten die pas in het volgende jaar konden worden gecorrigeerd.
Daarom is nu aansluiting gezocht bij indexcijfers die definitief zijn. Gekozen is voor in beginsel dezelfde indexcijfers, maar dan zoals die één jaar eerder golden, dus de indexcijfers voor de maand september die vooraf is gegaan aan de maand september van het voorgaande kalenderjaar. Met andere woorden: van de maand september van het tweede voorafgaande kalenderjaar. Bovendien is de formulering van de nieuwe indexatiebepalingen verbeterd.
Overigens zijn de bedragen per 1 januari 2019 nog niet geïndexeerd volgens deze nieuwe methode. Op grond van het overgangsrecht, opgenomen in artikel 5.1, zijn de bedragen bij ministeriële regeling voor 2019 nog geïndexeerd volgens de oude methode. Het gaat dan dus om de procentuele wijziging van het indexcijfer dat geldt voor de maand september 2018 ten opzichte van het indexcijfer van de maand september 2017. Dit betreft de vergoedingen voor de werkzaamheden en de vergoedingen voor het bijwonen van de commissievergaderingen (artikelen 2.1.1 en 2.4.1) en de vaste onkostenvergoedingen (artikelen 2.1.6 en 2.2.6). De volgende indexeringen (per 1 januari 2020) vinden plaats bij ministeriële regeling volgens de nieuwe systematiek.
Loopbaanoriëntatie
Tot de inwerkingtreding van het besluit was er voor geen van de decentrale politieke ambtsdragers een grondslag voor vergoeding van kosten voor loopbaanoriëntatie of arbeidsmobiliteit bevorderende activiteiten tijdens het ambt. Dit was onder meer ingegeven uit integriteitsoverwegingen. Daar staat tegenover dat het wenselijk is dat ambtsdragers na aftreden snel kunnen beginnen met solliciteren.
In het onderhavige besluit is daarom in artikel 2.2.11 een grondslag geïntroduceerd op basis waarvan een commissaris of gedeputeerde ten laste van de provincie kosten kan maken voor activiteiten, cursussen, opleidingen en dergelijke die betrokkene voorbereiden op een volgende stap in de carrière, maar die géén sollicitatieactiviteiten behelzen. Dus wel een cursus “Ken u zelf”, het leren schrijven van een bedrijfsplan of een sollicitatietraining, maar geen netwerkgesprekken of outplacement. Het doel van de mobiliteit bevorderende activiteiten en loopbaanoriëntatie mag niet verder gaan dan dat betrokkene zo snel mogelijk na aftreden of ontslag een vliegende start kan maken met het daadwerkelijk solliciteren.
Dit recht geldt niet voor statenleden. Voor hen geldt namelijk na afloop van hun statenlidmaatschap geen sollicitatieplicht. Voor raadsleden in grote gemeenten vindt op dit moment een proef plaats of aan een vergelijkbare aanspraak behoefte bestaat. Afhankelijk van de uitkomst daarvan wordt bezien of deze mogelijkheid moet worden verbreed.
Het verdient aanbeveling dat de mobiliteit bevorderende activiteiten van commissarissen en gedeputeerden tijdens het ambt aansluiten op die na ontslag uit het ambt. Een juridische koppeling is echter lastig tot stand te brengen, aangezien gedurende de ambtsperiode het onderhavige besluit van toepassing is, en betrokkenen in de uitkeringsperiode onder de werking vallen van de Appa. Het ontbreken van een juridische koppeling zal in de praktijk echter niet problematisch zijn. Het is aannemelijk dat in het op grond van de Appa verplichte re-integratieplan de eerdere activiteiten op het gebied van scholing, loopbaanoriëntatie en mobiliteit bevordering worden meegenomen teneinde dubbelingen of ongewenst uitstel van sollicitatieactiviteiten te voorkomen. Bovendien ligt het niet voor de hand dat een uitkeringsgerechtigde dezelfde cursus nog eens wenst te doorlopen. In dit verband is het ook van belang dat Gedeputeerde Staten hierbij zelf de regie hebben: zowel tijdens het ambt als tijdens de uitkering is de provincie opdrachtgever.
Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU)
De bepalingen in de voormalige rechtspositiebesluiten die verband hielden met de FPU zijn niet teruggekomen. De FPU is namelijk per 1 januari 2015 vervallen. De betrokken groepen decentrale politieke ambtsdragers zijn hiervoor al gecompenseerd.
Arbeidvoorwaardenovereenkomst sector Rijk (2018-2020)
Net als in de voormalige rechtspositiebesluiten is een aantal geldelijke voorzieningen (waaronder de bezoldiging van commissarissen en gedeputeerden) gekoppeld aan de salarisontwikkeling van het personeel in de sector Rijk. Op 13 juli 2018 is de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk (2018-2020) tot stand gekomen. Daarin is met ingang van 1 juli 2018 een verhoging met drie procent van de salarissen van het personeel in de sector Rijk overeengekomen; per 1 juli 2019 worden die salarissen vervolgens met nog eens twee procent verhoogd en met ingang van 1 januari 2020 weer met twee procent. In het onderhavige besluit is voor wat betreft de hoogte van de bedragen van de geldelijke voorzieningen die daarvoor in aanmerking komen5Dit betreft de artikelen 2.1.2, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.10, 2.2.1 en 2.2.15., rekening gehouden met de salarisverhoging bij de sector Rijk per 1 juli 2018. De salarisverhogingen met ingang van 1 juli 2019 en per 1 januari 2020 zullen te zijner tijd bij ministeriële regeling worden verwerkt.
In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst is ook afgesproken om met ingang van 1 januari 2020 een individueel keuzebudget (IKB) in te voeren. Het budget bestaat uit geld en tijd. Deze elementen zijn naar wens uitwisselbaar. Het IKB zal onder meer worden opgebouwd uit de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. Bepaald zal worden dat maandelijks een proportioneel deel van deze uitkeringen aan het IKB van de medewerker wordt toegevoegd. Dat betekent dat de vakantie-uitkering niet meer in mei wordt uitbetaald en dat de eindejaarsuitkering niet meer in november wordt uitbetaald.
Politieke en bestuurlijke functies zijn taakfuncties en niet zoals bij (overheids)werknemers functies met een vastgesteld aantal te werken uren per week of per jaar. Politieke ambtsdragers hebben dan ook geen vastgelegde werktijdenregeling noch de daarop gebaseerde verlofaanspraken zoals vakan-tieverlof. Een individueel keuzebudget is voor commissarissen en gedeputeerden dus niet mogelijk.
Wel moet nog worden bezien welke gevolgen deze afspraken voor de sector Rijk hebben voor de uitbetaling van de vakantie- en eindejaarsuitkering voor de commissarissen en gedeputeerden. Op een later moment wordt hierop teruggekomen.
Wijze van declareren
Politieke ambtsdragers krijgen een vaste onkostenvergoeding of ambtstoelage. Daarnaast kunnen op grond van het besluit bepaalde incidentele kosten worden gedeclareerd. Het declareren van die kosten geschiedt onder overlegging van bewijsstukken. Dit vereiste van overlegging van bewijsstukken geldt uiteraard niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.
5. Toelichting per artikel van het besluit
Artikel 3.1
Uit de omschrijving van het begrip fractievoorzitter volgt dat de commissaris moet hebben vastgesteld dat betrokkene deze functie vervult. Als de commissaris vaststelt dat een fractie uit slecht één lid bestaat, is dat lid automatisch ook fractievoorzitter.
Op grond van artikel 81, 82 of 83 van de Provinciewet kan een staten-, bestuurs- of andere commissie worden ingesteld. In een dergelijke commissie kunnen zowel statenleden als niet-statenleden worden benoemd. Een dergelijke benoeming blijkt uit een besluit van Provinciale Staten. Statenleden ontvangen voor dit werk geen extra vergoeding, de niet-raadsleden wel.
Het commissiestelsel is een gesloten stelsel. Dat wil zeggen dat het Rechtspositiebesluit van toepassing is op de vergoeding zodra er een commissie wordt ingesteld door een provinciaal bestuursorgaan op basis van artikel 81, 82 of 83 van de Provinciewet. Het is aan de provincie om te bepalen of zij de desbetreffende commissie instelt op basis van artikel 81, 82 of 83. Het kan dan gaan om een besluit-vorming voorbereidende commissie, of een bestuurscommissie die bevoegdheden uitoefent die haar door Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten of de commissaris zijn overgedragen, maar ook een bezwaarschriftencommissie. Het moet gaan om een commissie die door Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten of de commissaris is ingesteld.
Indien er sprake is een dergelijke commissie staat daar de in het besluit genoemde vergoeding tegenover; is er geen sprake van een commissie als bedoeld in artikel 81, 82 of 83, dan is er geen rechtspositionele vergoeding mogelijk voor deze commissieleden.
De rechtspositionele vergoeding staat los van de fractieondersteuning en de ambtelijke bijstand. Dat zijn geen onderwerpen die de rechtspositie van politieke ambtsdragers betreffen.
De term commissielid wordt in het besluit alleen gebruikt voor een lid van een (staten-, bestuurs- of andere) commissie, dat niet tevens lid is van Provinciale Staten of een ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd. Soms worden ambtenaren ter ondersteuning aan een commissie toegevoegd, maar deze zijn voor het rechtspositiebesluit geen commissielid.6Dit betekent onder meer dat zij geen aanspraak hebben op een vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen. Deze werkzaamheden maken voor hen immers deel uit van hun reguliere werkzaamheden, waarvoor zij reeds loon ontvangen. Voor commissieleden in de zin van het besluit gelden afzonderlijke rechtspositieregels, die zijn opgenomen in afdeling 2.4.
De term commissielid heeft geen betrekking op leden van de vertrouwenscommissie, de rekenkamercommissie, een onderzoekscommissie of een bijzondere commissie, bedoeld in de artikelen 2.1.2 tot en met 2.1.4. De leden van deze commissies zijn namelijk raadsleden.
Artikel 2.1.1 Vergoeding voor de werkzaamheden
Vanaf de dag van beëdiging hebben de statenleden recht op de vergoedingen die verbonden zijn aan hun functie. Wat betreft de vergoeding voor de werkzaamheden is dit geregeld in artikel 2.1.1, eerste lid; voor de onkostenvergoeding in artikel 2.1.6 eerste lid.
De vergoeding voor de werkzaamheden van een statenlid is een vast bedrag per maand.
Voor zover iemand slechts voor een deel van een maand statenlid is, ontvangt hij de vergoeding voor de werkzaamheden voor die maand naar rato van de duur van zijn lidmaatschap van de Provinciale Staten in die maand.
De vergoeding wordt geïndexeerd. De aangepaste indexatiewijze is nader toegelicht in §4, onder “Indexcijfers”.
Provinciale Staten kunnen op grond van het vierde lid van artikel 2.1.1 bij verordening bepalen dat een deel van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt uitbetaald als presentiegeld. Het gaat om maximaal 20% van de vergoeding. In een dergelijke verordening mag geen onderscheid worden gemaakt tussen de statenleden: een presentievergoeding geldt dan voor alle statenleden.
Artikelen 2.1.2 tot en met 2.1.4 Toelage lid vertrouwenscommissie en rekenkamerfunctie, lid onderzoekscommissie en toelage lid bijzondere commissie
Deze artikelen betreffen de toelagen voor de statenleden die lid zijn van zogenaamde “zware commissies”. Hiermee wordt gedoeld op de vertrouwenscommissie, de rekenkamerfunctie en de onderzoekscommissie, zoals deze in de Provinciewet7Artikelen 61, derde lid, 79p en 151a, derde lid, van de Provinciewet. specifiek zijn omschreven.
Ook is er behoefte gebleken aan een grondslag voor vergoedingen voor statenleden voor het werk in andere bijzondere commissies dan de drie die in de Provinciewet zijn omschreven. Een voorbeeld daarvan is een commissie met een bijzondere opdracht die een zware belasting vormt. Een grondslag voor een vergoeding voor het werk van een dergelijke commissie is opgenomen in artikel 2.1.4.
De vaststelling dat er sprake is van een dergelijke bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening plaatsvinden. Daarbij moet gemotiveerd worden dat het lidmaatschap van deze commissie voor de desbetreffende statenleden duidelijk meerwerk is naast het reguliere lidmaatschap van Provinciale Staten. Naast de erkenning dat het werk in deze commissie meerwerk is, stelt de toelage deze statenleden in de gelegenheid om tijd vanuit hun hoofdfunctie beschikbaar te maken voor deze extra werkzaamheden.
Voor de hoogte van de toelage voor het werk in de eerdergenoemde drie zware commissies wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de vertrouwenscommissie en de rekenkamerfunctie, en anderzijds de onderzoekscommissie.
Wat betreft de hoogte van de toelagen voor het lidmaatschap van de vertrouwenscommissie en de rekenkamerfunctie geldt een vast (belast) bedrag van € 120 per maand. Het bedrag wordt bijgesteld aan de hand van de loonontwikkelingen van het personeel in de sector Rijk. Het bedrag wordt naar rato van de duur van de activiteiten toegepast. Zolang een commissie “slapend” is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage: niet de duur van het lidmaatschap is van belang, maar de duur van de activiteiten.
Overigens wordt een wetsvoorstel voorbereid dat de mogelijkheid voor de Staten afschaft om regels te stellen over de rekenkamerfunctie. Op grond van dat (nog niet ingediende) wetsvoorstel moet elke provincie een onafhankelijke (al dan niet gemeenschappelijke) rekenkamer instellen, waarvan staten- leden geen lid kunnen zijn. Een toelage voor de uitoefening van de rekenkamerfunctie op grond van artikel 2.1.2 is dan vanzelfsprekend niet meer aan de orde.
Het werk van de onderzoekscommissie vindt in de praktijk vaak intenser en in een korter tijdsbestek plaats dan bij de twee andere zware commissies. Het benodigde werk van de onderzoekscommissie kan inhoudelijk en qua belasting zodanig variëren dat de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor dat werk is overgelaten aan Provinciale Staten. De vergoeding mag per jaar echter niet hoger zijn dan driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden.
Aan de leden van een andere bijzondere commissie kan op dezelfde voet als de vertrouwenscommissie en de rekenkamerfunctie een vergoeding worden toegekend. Het moet dan wel gaan om een commissie die bij verordening is ingesteld ter uitvoering van de taken en verantwoordelijkheden van Provin-ciale Staten. Ook geldt als vereiste dat het commissiewerk een zodanig belang, belasting en tijdsbeslag kent, dat die, net als de vertrouwenscommissie en de rekenkamerfunctie, redelijkerwijs niet tot het reguliere werk van het statenlid geacht kan worden te behoren.
Door het verordeningsvereiste kan op lokaal niveau een algemene en politieke afweging worden gemaakt. Politieke discussie is gewenst, omdat het gaat om de vraag of een bepaalde groep statenleden aanspraak zou moeten kunnen maken op een bepaalde vergoeding; de politieke discussie gaat uitdrukkelijk niet over een declaratie van een individu.
De hoogte van de toelage wordt bij verordening vastgesteld, maar is gemaximeerd op € 120 per maand. Ook hier geldt dus dat een politieke discussie vooraf gaat aan de vaststelling van een toelage. Uitkomst daarvan kan zijn dat een lager bedrag wordt gekozen dan het maximum. Het bedrag wordt, net als bij de zware commissies, naar rato van de duur van de activiteiten toegepast. Het maximumbedrag dat in artikelen 2.1.4, eerste lid, is genoemd, wordt eveneens aangepast aan de loonontwikkeling bij de sector Rijk.
Artikelen 2.1.5 Toelage fractievoorzitter
Het fractievoorzitterschap betekent substantieel meerwerk ten opzichte van de werklast van andere statenleden. Daarom wordt ingevolge artikel 2.1.5 aan de fractievoorzitters een toelage per maand toegekend.
De toelage bestaat uit een vast deel en een variabel deel. Het vaste deel geldt voor alle fractie-voorzitters, het variabele deel is afhankelijk van de grootte van de fractie. Het vaste deel is in het besluit bepaald op € 70 per maand. Dat bedrag wordt aangevuld met € 10 voor elk lid dat de fractie buiten de fractievoorzitter telt (het variabele deel). De toelage is gemaximeerd op € 150 per maand. De genoemde bedragen worden aangepast aan de loonontwikkeling bij de sector Rijk.
De toelage wordt toegekend voor de duur dat de betrokkene fractievoorzitter is. De commissaris bepaalt het begin en het einde van deze periode. Voor zover het fractievoorzitterschap in de loop van een maand begint of eindigt, wordt de toelage voor die maand naar rato van de duur van het fractievoorzitterschap in die maand toegekend.
De toekenning van deze toelage is géén discretionaire bevoegdheid. Het is namelijk niet de bedoeling dat deze toelage onderwerp is of wordt van politieke discussie.
Door de versplintering van het politieke landschap zijn er weliswaar meer fractievoorzitters dan voorheen, maar het financiële effect daarvan voor de provincies wordt gemitigeerd doordat in het besluit ongeveer de helft van de maximale toelage afhankelijk is gesteld van het aantal fractieleden van de fractie waarvan betrokkene voorzitter is.
Artikel 2.1.6 Onkostenvergoeding
Statenleden ontvangen een maandelijkse onkostenvergoeding voor voorzieningen die niet zuiver functioneel zijn, noch zuiver privé. Het statenlid kan deze kosten betalen uit de onkostenvergoeding op grond van artikel 2.1.6. Deze onkostenvergoeding betreft een vast bedrag per maand. Wanneer de uitgaven uitstijgen boven de vaste onkostenvergoeding kunnen deze niet alsnog worden gedeclareerd. De vaste onkostenvergoeding is bedoeld voor in ieder geval de volgende kosten:
Betrokkenen ontvangen de onkostenvergoeding vanaf de dag van beëdiging.
De vaste onkostenvergoeding is in artikel 2.3.8 als eindheffingsbestanddeel aangewezen, zodat zij netto uitbetaald wordt.
Daarnaast kunnen statenleden op grond van artikel 2.3.3 aanspraak maken op vergoeding van kosten van bepaalde scholing en op grond van artikel 2.3.4 op vergoeding van de kosten van het lidmaat-schap van een beroepsvereniging. Ook worden hen op grond van artikel 2.3.2 ICT-middelen ter beschikking gesteld. Deze kosten komen dus niet ten laste van de onkostenvergoeding. Dit is nader beschreven in de toelichting op de genoemde artikelen.
Het bedrag van de vaste onkostenvergoeding wordt herzien aan de hand van de consumentenprijsindex (CPI). Voor de indexering wordt uitgegaan van de CPI die geldt voor de maand september van het tweede voorgaande kalenderjaar. Dit is toegelicht in §4, onder“Indexcijfers”.
Artikel 2.1.7 Reiskostenvergoeding
In dit artikel is de grondslag neergelegd voor een (uniforme) vergoeding aan statenleden van reiskosten die zij maken om de vergaderingen van provinciale staten bij te wonen (“woon-werkverkeer”) en voor de reis- en verblijfkosten voor andere reizen die zij als statenlid maken (“dienstreizen”).
Om misverstanden te voorkomen8Misverstand is mogelijk, omdat het in artikel 3.1.7 voor raadsleden alleen gaat om (dienst-)reizen buiten het grondgebied van de gemeente. De Provinciewet kent geen beperking voor statenleden zoals artikel 96, in samenhang met artikel 97, van de Gemeentewet. Overigens is ingevolge artikel 94 Provinciewet de vergoeding aan commissieleden van kosten voor dienstreizen wél beperkt tot reizen binnen de provincie., is in artikelen 2.1.7 uitdrukkelijk vermeld dat het gaat om reizen zowel binnen als buiten de provincie. Deze grondslag is uitgewerkt in artikel 2.1 van de regeling.
De verschillende aspecten van de reiskostenvergoeding zijn verder toegelicht in §4, onder “Vereenvoudiging reiskostenvergoeding”.
Artikel 2.1.8
Waarom dit artikel leeg is, is toegelicht in §4, onder “Loopbaanoriëntatie”.
Artikel 2.1.9 Verzekering arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden
Statenleden zijn vaak een significant deel van de werkweek voor provinciale staten bezig en kunnen daardoor in hun hoofdfunctie minder pensioen opbouwen. Statenleden hebben bovendien niet allemaal een hoofdfunctie in loondienst. In artikel 2.1.9 is daarom de grondslag gecreëerd om het mogelijk te maken bij verordening te bepalen dat de statenleden een bedrag per jaar ontvangen ter hoogte van één maandbedrag van hun vergoeding voor de werkzaamheden, waarmee zij voorzieningen kunnen treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.
Dit is een regeling conform die van de leden van de Eerste Kamer (artikel 10 van de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer). Voor die leden geldt weliswaar een vast bedrag per jaar als vergoeding, maar dit bedrag is vrijwel gelijk aan het bedrag van hun maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden. Door de koppeling aan het maandbedrag wordt de vergoeding bovendien automatisch geïndexeerd.
Op basis van artikel 5.1, derde lid, van het besluit geldt overgangsrecht. Voor zover voor statenleden al op grond van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden collectieve verzekeringen zijn afgesloten voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden, kunnen die gehandhaafd blijven. De betrokken statenleden ontvangen in dat geval uiteraard geen bedrag om zelf een dergelijke verzekering af te sluiten.
Artikel 2.1.10 Ziektekostenverzekering
Statenleden zijn niet in dienstbetrekking bij de provincie. Dat betekent dat zij ook niet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet op grond van hun Statenlidmaatschap. De provincie draagt voor statenleden derhalve geen werkgeversheffing af aan de Belastingdienst.
Voor statenleden die fictief werknemer zijn en daarom onder de loonbelasting vallen (opting in), houdt de provincie de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet in op het nettoloon van deze ambtsdragers en draagt deze af aan de Belastingdienst.
Statenleden die inkomsten genieten die de Belastingdienst aanmerkt als winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden, betalen de bijdrage Zorgverzekeringswet zelf via een aanslag.
Op grond van artikel 2.1.10, eerste lid, krijgen statenleden een tegemoetkoming voor de inkomensaf-hankelijke bijdrage door een tegemoetkoming in de kosten van hun ziektekostenverzekering per jaar. Dit bedrag wordt op grond van het tweede lid geïndexeerd aan de hand van de salarisontwikkeling van de sector Rijk.
Artikel 2.1.11 Samenloop met arbeidsongeschiktheidsuitkering
Wanneer een statenlid een uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke arbeids-ongeschiktheid, kan op grond van dit artikel de vergoeding voor de werkzaamheden op verzoek van het desbetreffende statenlid worden verlaagd. Hiermee kan worden voorkomen dat hij naar een lager arbeidsongeschiktheidspercentage wordt uitbetaald. De verlaging van de vergoeding voor de werkzaamheden leidt ertoe dat het totaal van uitkering en vergoeding voor de werkzaamheden op hetzelfde niveau blijft.
In artikel 11 van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden was een vergelijkbare bepaling opgenomen met betrekking tot werkloosheidsregelingen. Het gaat dan om de situatie dat het staten-lidmaatschap wordt gestart tijdens de duur van de werkloosheidsuitkering, omdat in de situatie dat betrokken al statenlid was vóórdat er sprake was van een werkloosheidsuitkering, het statenlidmaat-schap buiten beschouwing wordt gelaten (tenzij er sprake is van een uitbreiding van de werkzaam-heden als statenlid). Een dergelijke voorziening is niet langer nodig. Met de Wet werk en zekerheid is per 1 juli 2015 de urensystematiek in de Werkloosheidswet (WW) vervangen door een systeem van inkomensverrekening. De situatie waar artikel 11 op zag, doet zich daarom niet meer voor.
Artikel 2.1.12 Waarneming door statenlid
Op grond van artikel 75, eerste lid, van de Provinciewet wordt bij verhindering of ontstentenis van de commissaris het voorzitterschap van provinciale staten waargenomen door een statenlid. In artikel 2.1.12, eerste lid, is voor deze waarneming een toeslag geregeld van 8% op de vergoeding voor de werkzaamheden en op de vaste onkostenvergoeding als deze waarneming meer dan dertig dagen duurt.
Op grond van artikel 75, tweede lid, van de Provinciewet kan in sommige gevallen ook het ambt van commissaris als zodanig door een statenlid worden waargenomen.
In die situatie zijn ook andere bepalingen die gelden voor de commissaris van overeenkomstige toepassing op het desbetreffende statenlid (met name de bepalingen inzake de reis- en verblijfkosten, een ter beschikking gestelde auto en terugroeping uit het buitenland). Ook wordt de vergoeding voor de werkzaamheden van het desbetreffende statenlid dan aangevuld tot het bedrag van de bezoldiging van de commissaris en ontvangt hij een vakantie- en een eindejaarsuitkering, alsmede (in plaats van de onkostenvergoeding als statenlid) de vaste ambtskostenvergoeding. Een en ander uiteraard naar rato van de duur van de waarneming.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat artikel 2.2.2 van toepassing is, indien het ambt van commissaris niet door een statenlid, maar door een gedeputeerde wordt waargenomen (artikel 75, eerste lid, van de Provinciewet). Indien de regering op grond van artikel 76 van de Provinciewet in de waarneming van de commissaris heeft voorzien, geldt artikel 2.2.14.
Artikel 2.1.13 Vergoeding tijdelijk ontslagen statenlid voor werkzaamheden en onkostenvergoeding
Statenleden hebben op grond van artikel X 10 van de Kieswet de mogelijkheid om bij zwangerschap en bevalling en bij langdurige ziekte een verzoek tot tijdelijk ontslag in te dienen. In dat geval kan een tijdelijke opvolger worden benoemd9Iedere vervangingsperiode duurt zestien weken. Al dan niet aansluitende verlenging met nog een periode van zestien weken is mogelijk. Per zittingsperiode zijn maximaal drie vervangingsperioden toegestaan..
Tijdelijk ontslag is geen aftreden. Het tijdelijk ontslagen statenlid houdt op grond van het eerste lid van artikel 2.1.13 de vergoeding voor de werkzaamheden en op grond van het tweede lid de halve onkostenvergoeding. Ook blijft het tijdelijk ontslagen statenlid de geldelijke aanspraak houden om voorzieningen te treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden (artikel 2.1.9), evenals de aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering (artikel 2.1.10). Ook blijft artikel 2.1.11 van toepassing (eventuele lagere vergoeding voor de werkzaamheden op verzoek).
Daarnaast blijven gedurende het tijdelijke ontslag de bepalingen van afdeling 2.3 van toepassing. Dat betekent dat het tijdelijk ontslagen raadslid aanspraken houdt ter zake van het stelsel bewaken en beveiligen, ICT-middelen, de vergoeding van de contributie van een beroepsvereniging, bedrijfs-geneeskundige zorg, vergoedingen in verband met een dienstongeval en WIA-voorzieningen.
Artikel 2.2.1 Bezoldiging en uitkeringen
In dit artikel is de bezoldiging van de commissaris en de gedeputeerden geregeld. Deze bezoldiging is gekoppeld aan wijzigingen van het personeel in de sector Rijk. Verwezen wordt in dit verband naar §4, onder “Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk (2018-2020)”.
Artikel 2.2.2 Waarneming door gedeputeerde
Indien een gedeputeerde het ambt van commissaris langer dan een maand waarneemt, wordt zijn bezoldiging aangevuld tot het bedrag van de bezoldiging van een commissaris.
Er is gekozen voor een aanvulling op de bezoldiging van de gedeputeerde. In de systematiek van de voormalige rechtspositiebesluiten was er sprake van een vergoeding voor de waarneming, waarmee de desbetreffende gedeputeerde tijdelijk een beperkte ABP-pensioenaanspraak opbouwde, terwijl hij als gedeputeerde pensioenaanspraken op grond van de Appa heeft. Voor het aanspraken-niveau maakt de nieuwe constructie geen verschil, maar zo’n beperkte ABP-pensioenaanspraak is uitvoeringstechnisch onnodig complex.
Artikel 2.2.3 Neveninkomsten
Dit artikel over de wijze van aanleveren van de inkomensgegevens is noodzakelijk in verband met de artikelen 43 en 65 van de Provinciewet. Daarin wordt de betrokken politieke ambtsdrager verplicht gesteld neveninkomsten met de bezoldiging te verrekenen overeenkomstig artikel 3 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer.
De wijze waarop de gegevens over deze inkomsten worden verstrekt door de ambtsdrager en de gevolgen van het niet verstrekken van deze gegevens dienen te worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur. De tekst van artikel 2.2.3 is ontleend aan de artikelen 3 en 4 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer.
Onder neveninkomsten worden verstaan alle inkomsten die betrokkene tijdens het ambt geniet uit activiteiten ten behoeve van niet-ambtsgebonden nevenfuncties, als belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid, winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden.
De wijze waarop de gegevens over deze inkomsten worden verstrekt door de ambtsdrager en de gevolgen van het niet verstrekken van deze gegevens dienen te worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur. De tekst van artikel 2.2.3 is ontleend aan de artikelen 3 en 4 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer. De procedure is als volgt.
Na afloop van een kalenderjaar verstrekt de commissaris of de gedeputeerde aan de Minister van BZK, dan wel aan een aangewezen instantie, een opgave welke inkomsten daadwerkelijk over dat kalen-derjaar zijn genoten. Daarna stelt de Minister van BZK, of de aangewezen instantie, vast en deelt hij aan gedeputeerde staten en de betreffende ambtsdrager mee, welk bedrag moet worden terug-gevorderd.
Indien geen opgave wordt ontvangen, dient de bezoldiging in beginsel te worden vastgesteld op 65%. In plaats van een opgave kan worden volstaan met een verklaring dat niet meer dan 14% van de jaarlijkse bezoldiging aan neveninkomsten is genoten, indien de neveninkomsten onder het betreffende bedrag blijven.
De commissaris onderscheidenlijk de gedeputeerde kan overigens zelf een verzoek doen om zijn neveninkomsten in enig jaar alvast te laten korten op zijn bezoldiging. Een reden voor een dergelijk verzoek kan bij voorbeeld zijn om een groot bedrag aan terugvordering te voorkomen. Het gaat hierbij om een klein aantal personen. Daarmee is de administratieve belasting navenant gering. Deze mogelijkheid is opgenomen in het derde lid.
Vooral ingeval van winst uit onderneming is het vaak niet mogelijk voor de politieke ambtsdrager om binnen de gestelde termijn de gegevens te genereren. Daarom is het ingevolge het zesde lid mogelijk dat betrokkene dit kan melden en aangeeft wanneer hij daartoe wel in staat denkt te zijn. De termijn waarop gegevens beschikbaar komen, blijkt in de praktijk namelijk erg divers. De politieke ambtsdrager heeft het beste inzicht in wat een redelijke termijn is voor de aanlevering.
In het achtste lid is uitdrukkelijk geregeld dat terugbetaling in termijnen mogelijk is.
De verrekenplicht geldt niet ten aanzien van een bestuurder die zijn ambt in deeltijd uitoefent. De onderhavige regeling hierover is daarom niet van toepassing op deze bestuurders. Dit is niet uitdrukkelijk bepaald, omdat deze uitzondering al geregeld is in de organieke wetten, zoals in artikel 43, zevende lid, Provinciewet voor de gedeputeerden.
Artikel 2.2.4 Uitkering bij overlijden
De nabestaanden van een commissaris of gedeputeerde die tijdens zijn ambtsperiode overlijdt, ontvangen een uitkering ter grootte van drie maanden bezoldiging inclusief vakantie-uitkering.
Artikel 2.2.6 Ambtskosten
Dit artikel regelt de vaste vergoedingen voor ambtskosten voor de commissaris en de gedeputeerden.
Ambtskosten zijn kosten voor voorzieningen die die niet zuiver functioneel zijn, noch zuiver privé. De ambtsdrager kan deze kosten betalen uit de vergoeding op grond van artikel 2.2.6. Net als de onkostenvergoeding voor statenleden (artikel 2.1.6) betreft de vergoeding een vast bedrag per maand. Wanneer de uitgaven uitstijgen boven de vaste vergoeding kunnen deze niet alsnog worden gedeclareerd. De vaste vergoeding is bedoeld voor in ieder geval de volgende kosten:
De ambtsdrager die de functie in deeltijd uitoefent, ontvangt de vergoeding naar rato van de tijdsbestedingsnorm.
De onkostenvergoeding van de commissaris bestaat uit twee onderdelen. Enerzijds de ambtstoelage (artikel 2.2.6, eerste lid, onderdeel a) en anderzijds een vergoeding voor overige ambtskosten (artikel 2.2.6, eerste lid, onderdeel b). De aard van het ambt van commissaris brengt met zich mee dat in omvangrijke mate representatieve activiteiten worden verricht, waaronder grootschalige ontvangsten en diners.
De ambtstoelagen en de extra vergoeding voor de commissaris zijn in artikel 2.3.8 als eindheffings-bestanddeel aangewezen, zodat zij netto uitbetaald worden.
De bedragen van de vaste vergoedingen worden herzien aan de hand van de consumentenprijsindex (CPI). Voor een toelichting op de CPI wordt verwezen naar de toelichting op artikel 2.1.6. Voor de indexering wordt uitgegaan van de CPI die geldt voor de maand september van het tweede voorgaande kalenderjaar. Dit is reeds toegelicht in §4, onder“Indexcijfers”.
Artikel 2.2.7 Kosten in verband met verhuizing
De commissaris en de gedeputeerden zijn wettelijk verplicht zich in hun provincie te vestigen. Dit is het zogenaamde woonplaatsvereiste. Wanneer betrokkene hierdoor moet verhuizen, heeft hij op grond van het eerste lid van artikel 2.2.7 recht op een verhuiskostenvergoeding. Deze vergoeding bestaat uit een vergoeding voor het overbrengen van de inboedel en een vast bedrag voor de overige uit de verhuizing voortvloeiende kosten. Dit bedrag wordt slechts eenmaal verstrekt, ook wanneer betrokkene extra kosten maakt in verband met eerst een verhuizing naar een tijdelijke woning. Het bedrag is op grond van artikel 2.2 van de regeling vastgesteld ter hoogte van het fiscaal onbelaste maximum (thans € 7.750).
Het recht op verhuiskostenvergoeding vervalt als betrokkene niet binnen drie jaar na zijn benoeming is verhuisd. Als de verhuizing verplicht is, zoals bij commissarissen en gedeputeerden, dan is die noodzaak aangetoond en is het een zakelijke verhuizing.
Op basis van artikel 2.2.7, vierde lid, van het besluit heeft de commissaris ook na eervol ontslag of niet-herbenoeming eenmalig aanspraak op een vergoeding voor de kosten van verhuizing voor zover hij niet uit anderen hoofde aanspraak heeft op een verhuiskostenvergoeding. Voorwaarde is dat betrokkene vertrekt uit de provincie of uit de aan hem ter beschikking gestelde woning. Het recht op verhuiskostenvergoeding vervalt als betrokkene niet binnen één jaar na dat ontslag of die niet-herbenoeming is verhuisd.
Van de commissaris wordt verwacht dat hij zo snel mogelijk de ambtwoning verlaat om plaats te maken voor zijn opvolger. Artikel 2.2.8 van het besluit (dat gaat over de kosten van die bewoning) blijft zolang hij daar woont, op hem van overeenkomstige toepassing. Dat wil zeggen dat het bedrag van de woonkosten hetzelfde blijft als vóór zijn ontslag.
Er geldt wat betreft de verhuiskostenvergoeding overgangsrecht. Op grond van artikel 8, derde lid, van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning had de commissaris die na benoeming eerst een tijdelijke woning betrokken in de nieuwe provincie en later verhuisde naar een definitieve woning, tweemaal aanspraak op een (deels belaste) verhuiskostenvergoeding10Voor gedeputeerden gold een dergelijke bepaling niet.. Op grond van artikel 2.2.7 bestaat nu dus, zoals gezegd, eenmalig aanspraak op een (belastingvrije) verhuiskosten-vergoeding, ongeacht het aantal verhuizingen. Voor commissarissen die al vóór de inwerkingtreding van dit besluit per 28 maart 2019 zijn benoemd, blijft echter de bepaling op grond van het voormalige rechtspositiebesluit van toepassing.
Zolang de commissaris of de gedeputeerde nog niet is verhuisd of zich nog niet heeft ingeschreven in de basisadministratie personen, heeft hij op grond van de Provinciewet ontheffing van zijn woonplicht nodig. Die ontheffing vereist een expliciet besluit.
Betrokkene kan als overbrugging een vorm van tijdelijke huisvesting betrekken in de nieuwe provincie. Dit kan bijvoorbeeld een hotel zijn, een tijdelijk appartement, een vakantiehuis of een Bed & Breakfast.
Ook is het denkbaar dat de provincie tijdelijk een woning huurt en aan de betrokken ambtsdrager ter beschikking stelt; in dat geval betaalt de ambtsdrager niet zelf de huur, maar is hij op grond van artikel 2.2.8 van het besluit wel een eigen bijdrage per maand verschuldigd. Een reden voor de provincie om een woning (tijdelijk) ter beschikking te stellen aan de ambtsdrager kan zijn dat de woonkosten voor de ambtsdrager worden gemaximeerd (de provincie neemt immers eventuele fiscale meerkosten voor haar rekening). Omdat de provincie moet besluiten of zij al dan niet een woning ter beschikking wil stellen, is er voor haar een specifiek afwegingsmoment ten aanzien van de voor de provincie te nemen woonkosten.
Deze mogelijkheden van maatwerk zal naar verwachting een snellere vestiging bevorderen.
Zolang de ambtsdrager zich nog niet heeft ingeschreven in de basisadministratie personen, heeft hij aanspraak op vergoeding van de kosten voor tijdelijke huisvesting en vergoeding van de reiskosten van en naar de woning waar hij ten tijde van de benoeming woonde (artikel 2.2.7, tweede lid van het besluit). In artikel 2.6 van de regeling is de hoogte van die vergoeding gemaximeerd op 18% van de (bruto) bezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor de ambtsdrager; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de provincie aan de commissaris of gedeputeerde vergoed.
Ook is bepaald om welke kosten het gaat, namelijk de werkelijke kosten, met inbegrip van de kosten voor energie en water. Andere kosten, zoals die van levensonderhoud, wassen en strijken, parkeerplaats of lokale heffingen, komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Zolang er sprake is van incidentele overnachtingen in een hotel of iets dergelijks kunnen de kosten in principe onbelast worden vergoed of verstrekt. Zij zijn dan aan te merken als “kosten van tijdelijk verblijf in het kader van de dienstbetrekking”.
Wanneer de omstandigheden van het geval erop duiden dat het tijdelijk verblijf minder incidenteel wordt, kan dat anders uitpakken voor de provincie. Op grond van artikel 31, vierde lid, onderdeel b, sub 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 kan de vergoeding/verstrekking ter zake van of in de vorm van een woning namelijk niet als eindheffingsbestanddeel worden aangewezen, behalve voor zover het gaat om huisvesting buiten de woonplaats ter zake van de dienstbetrekking. In dit soort situaties van niet-incidentele bewoning in afwachting van inschrijving in de basisregistratie personen van de nieuwe gemeente zal, desgewenst in samenspraak met de belastinginspecteur, moeten worden aangenomen dat het hoofdverblijf van de ambtsdrager zich nog in de andere provincie bevindt. In dat geval kan de kostenvergoeding voor de tijdelijke woning in de nieuwe gemeente wel in de eindheffing worden betrokken. Om zeker te stellen dat de vergoeding van deze kosten een netto vergoeding is, is bepaald dat eventueel door de ambtsdrager verschuldigde loon- en inkomstenbelasting over deze vergoeding door de provincie aan de ambtsdrager worden vergoed.
De reiskostenvergoeding geschiedt op dezelfde basis als de vergoeding voor reiskosten voor woon-werkverkeer of dienstreizen (artikel 2.2 van de regeling). Deze aanspraak is gekoppeld aan de duur van de ontheffing.
Wanneer de commissaris of de gedeputeerde is verhuisd naar de nieuwe provincie en zich ook heeft ingeschreven in zijn nieuwe woonplaats, maar zijn oude woning nog niet heeft verkocht, heeft hij aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor dubbele woonlasten (artikel 2:2.7, derde lid, van het besluit en artikel 2.7 van de regeling).
De hoogte van de tegemoetkoming is het bedrag van de kosten van de huisvestingsvoorziening in de nieuwe gemeente. Voor de hoogte van de tegemoetkoming geldt echter een maximum van 18% van de bruto bezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor de ambtsdrager; eventuele loon- en inkomstenbelasting hierover komen ten laste van de provincie. Dat betrokkene kosten heeft aan het koophuis in de andere provincie is uitsluitend van belang voor het oordeel of er in dit geval al dan niet sprake is van dubbele woonlasten.
Met woonlasten zijn bedoeld de kosten die de ambtsdrager maakt in de nieuwe gemeente in verband met hypotheekrente of huur of vermindering van de bezoldiging in verband met de ambtswoning. In dit verband is een door de provincie ter beschikking gestelde woonvoorziening gelijkgesteld met een ambtswoning. Daarnaast horen de kosten van gas, water en elektriciteit ook tot de woonlasten die voor de hoogte van de tegemoetkoming in aanmerking komen.
Onder de Werkkostenregeling is er geen specifieke vrijstelling voor huisvestingsvoorzieningen. Op grond van artikel 31, vierde lid, onderdeel b, sub 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 kan niet als eindheffingsbestanddeel worden aangewezen de vergoeding/verstrekking ter zake van of in de vorm van een woning, behalve voor zover het gaat om huisvesting buiten de woonplaats ter zake van de dienstbetrekking. Gelet op de inschrijving in de basisregistratie personen moet de woning in de nieuwe gemeente aangemerkt worden als het hoofdverblijf van de ambtsdrager. De tegemoetkoming kan daarom niet in de eindheffing worden betrokken en zal tot het individuele loon van de ambtsdrager moeten worden gerekend. Daarom ook zal die tegemoetkoming gebruteerd moeten worden verstrekt. Daarmee komt de verschuldigde belastingheffing per saldo voor rekening van de provincie.
De duur van deze vergoeding is op grond van het besluit gemaximeerd op drie jaar na de benoemingsdatum. De toekenning van de vergoeding is verder afhankelijk van het voor eenieder kenbaar te koop zetten van de oude woning (via internet, aangemeld bij een makelaar e.d.). Ook geldt als voorwaarde dat de betrokken ambtsdrager de lasten van de hypotheekrente draagt en dat er, verrekend met eventuele huurinkomsten ter zake van dat huis in de andere provincie, daadwerkelijk sprake is van dubbele woonlasten.
De ambtsdrager die een vergoeding tijdelijke huisvesting of een tegemoetkoming dubbele woonlasten ontvangt, heeft daarnaast voor één keer per week aanspraak op een vergoeding van de reiskosten voor een bezoek aan zijn woning in de andere provincie. De reden kan zijn dat het gezin van betrok-kene daar nog verblijft; het kan zijn om zaken te regelen met betrekking tot de verkoop van dat huis.
De vergoeding van deze reiskosten is conform de andere reiskostenvergoedingen: de kosten van openbaar vervoer of, bij gebruik van een eigen personenauto, het maximale bedrag dat een werkgever per kilometer fiscaal onbelast mag vergoeden aan een werknemer. Dat is op dit moment € 0,19 per kilometer.
De duur van de aanspraak is gekoppeld aan de verkoop van het huis in de andere provincie met een maximumduur van drie jaar na de benoeming, indien er sprake is van inschrijving in de basisregistratie personen in de nieuwe gemeente. Zolang er nog geen sprake is van een dergelijke inschrijving is de aanspraak gemaximeerd op de duur van de ontheffing.
De fiscus acht deze vergoedingsregeling te algemeen om onder de gerichte vrijstelling voor reiskosten te vallen. Het zijn daarmee belaste vergoedingen. Deze vergoeding kan overigens door de provincie als eindheffingsbestanddeel aangewezen worden. Dat betekent dat de provincie op deze wijze de vergoeding in de eindheffing kan betrekken. Daarmee wordt de belastingheffing over dit loonbestanddeel verlegd naar de provincie.
Voor de waarnemend commissaris geldt geen woonplicht. Betrokkene kan dus ook geen ontheffing daarvan worden verleend. Dit gegeven heeft een aantal implicaties waardoor de huisvestingsvoorzieningen op bepaalde vlakken verschillen van die voor de door de Kroon benoemde commissaris. Deze implicaties worden hieronder beschreven.
Geëxpliciteerd is dat de waarnemend commissaris géén aanspraak kan maken op de tegemoetkoming dubbele woonlasten. Aangezien er geen sprake is van een woonplicht die moet worden ondersteund, moet een eventuele vestiging in de nieuwe provincie als gevolg van deze benoeming, worden aangemerkt als een persoonlijke keuze waarvan de kosten niet ten laste van de provincie hoeven te komen.
De waarnemend commissaris is vergelijkbaar met de door de Kroon benoemde commissaris met een (tijdelijke) ontheffing van de woonplicht. Daarom is het logisch dat de waarnemend commissaris dezelfde aanspraak heeft op de vergoeding voor tijdelijke huisvesting, de daaraan gekoppelde reis-kostenvergoeding naar het huis in de andere provincie, de verhuiskostenvergoeding, en de vergoeding woon-werkverkeer. Het specifieke karakter van de waarneming komt tot uitdrukking in het feit dat tijdens de gehele duur van de waarneming aanspraak kan worden gemaakt op deze voorzieningen.
Commissaris K wordt benoemd per 1 maart 2020. Betrokkene zet zijn huis in de andere provincie meteen te koop. Hij reist vanuit dit huis heen en weer naar het provinciehuis tot 15 december 2020. Per die datum koopt hij een huis in de nieuwe provincie en schrijft hij zich in als ingezetene van die nieuwe gemeente. K vraagt op 21 februari 2021 zijn tegemoetkoming dubbele woonlasten aan. Op 17 juli 2022 verkoopt betrokkene zijn huis in de andere provincie.
Commissaris K heeft in de periode 1 maart 2020 tot 15 december 2020 recht op een reiskostenvergoeding. Indien hij in deze periode in een hotel verblijft, kan hij aanspraak maken op de vergoeding tijdelijke huisvesting. Deze vergoeding bedraagt het bedrag van de hotelkosten per maand, met een maximum van 18% van zijn bruto bezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor K; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de provincie aan hem vergoed.
Zijn aanspraak op de tegemoetkoming dubbele woonlasten wordt toegekend met ingang van 1 december 2020. Commissaris K heeft hier per die datum recht op omdat hij zich in die maand heeft ingeschreven in de basisadministratie en er vanaf dat moment dubbele woonlasten zijn. Dat K de aanvraag pas in februari 2021 indient, maakt voor het recht per 1 december 2020 niet uit. De toekenning gebeurt dan met terugwerkende kracht.
De maximale duur van deze tegemoetkoming zou tot 1 maart 2023 lopen (drie jaar na zijn benoeming), maar eindigt in dit geval met de eerste dag van de maand van de verkoop van het huis in de andere provincie, dus per 1 juli 2022.
In de periode 1 december 2020 tot 1 juli 2022 vergoedt de provincie de hypotheekrente van het huis in die nieuwe gemeente, samen met de kosten van elektriciteit, gas en water, tot een maximum van 18% van zijn bruto bezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor commissaris K; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de provincie aan hem vergoed.
Daarnaast kan K in de periode van 15 december 2020 tot 17 juli 2022 eenmaal per week een reis naar het huis in de andere provincie declareren.
Voor de verhuizing naar het gekochte huis in de nieuwe gemeente heeft K recht op een verhuiskosten-vergoeding. Die verhuizing moet dan wel plaatsvinden vóór 1 maart 2023 (drie jaar na zijn benoeming).
Gedeputeerde L wordt benoemd per 1 mei 2019. Betrokkene zet haar huis in de andere provincie meteen te koop. Zij huurt per 1 juni 2019 een appartement in een gemeente in de provincie waarin zij is benoemd. De staten besluiten haar een ontheffing te verlenen voor de periode 1 mei 2019 tot 1 mei 2020. Deze ontheffing wordt vervolgens verlengd met één jaar, dus tot 1 mei 2021. L schrijft zich in als ingezetene in deze nieuwe gemeente op 23 februari 2021. Per 1 oktober 2017 sluit gedeputeerde L voor een jaar een huurcontract waarmee haar hypotheeklasten voor het huis in de andere provincie geheel worden gecompenseerd. Dit huurcontract wordt niet verlengd. Op 17 november 2022 wordt het huis in de andere provincie verkocht.
Gedeputeerde L heeft in de periode 1 mei 2019 tot 23 februari 2021 (moment van inschrijving als ingezetene) recht op de reiskostenvergoeding. Indien zij in de periode 1 mei 2019 tot 1 juni 2019 in een hotel verblijft, kan zij aanspraak maken op de vergoeding tijdelijke huisvesting. Deze vergoeding bedraagt het bedrag van de hotelkosten per maand, met een maximum van 18% van haar bruto bezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor haar; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de provincie aan haar vergoed.
Aangezien L zich tot 23 februari 2021 niet inschrijft als ingezetene in de nieuwe gemeente, heeft zij gedurende de periode 1 juni 2019 tot 23 februari 2021 geen recht op een tegemoetkoming dubbele woonlasten. Zij heeft gedurende deze periode wel recht op de vergoeding tijdelijke huisvesting. Haar is gedurende deze periode namelijk ontheffing verleend van het ingezetenschap en zij maakt kosten in de nieuwe gemeente voor huisvesting in afwachting van haar inschrijving.
De maximale duur van deze vergoeding tijdelijke huisvesting is gekoppeld aan de verleende ontheffing, dus in deze situatie tot 1 mei 2021. Aangezien L zich inschrijft per 23 februari 2021, eindigt de aanspraak op deze vergoeding per 23 februari 2021.
Deze vergoeding tijdelijke huisvesting betreft het bedrag van de maandelijkse huur van het appartement in de nieuwe gemeente, inclusief de kosten van energie en water, met een maximum van 18% van haar bruto bezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor haar; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de provincie aan haar vergoed.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)