Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland

Type ZBO-regeling
Publication 2016-12-20
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

December 2016

Inleiding

Met het Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland voor het beoordelen van de kwaliteit van hogeronderwijsopleidingen en -instellingen heeft het Nederlandse kwaliteitszorgstelsel een volgende fase bereikt. Het nieuwe kader brengt een belangrijke optimalisatie tot stand, passend bij het huidige tijdsbeeld. Tevens komt het kader tegemoet aan een kwaliteitszorgstelsel dat is gebaseerd op vertrouwen in de bestaande, hoge kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs.

Het stelsel beoogt, binnen het geldende wettelijke raamwerk van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), het eigenaarschap van docenten en studenten over de opleidingen te bevestigen en de administratieve lasten rond accreditatie bij de opleidingen en instellingen te verminderen. Tegelijkertijd dient het stelsel voldoende robuust te zijn om de kwaliteit van opleidingen en instellingen te waarborgen, verbetering te kunnen afdwingen en de geboden kwaliteit zichtbaar te maken voor studenten, werkgevers en de samenleving.

De vorige twee Nederlandse accreditatiestelsels traden in 2002 en in 2011 in werking. Nu, met de start van de derde fase van het accreditatiestelsel in 2017 begint tegelijk de tweede ronde van de instellingstoets kwaliteitszorg (ITK). De eerste ronde van ITK’s heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van een kwaliteitszorgsysteem op instellingsniveau en een kwaliteitscultuur op het gebied van onderwijs. In de tweede ronde wordt beoordeeld in hoeverre het genoemde kwaliteitszorgsysteem en de daarbij horende werkwijzen robuust zijn en of binnen de instellingen een duurzame kwaliteitscultuur tot stand is gekomen. Een positief oordeel over alle standaarden bevestigt dan het vertrouwen in de instelling.

Daarmee vormt de tweede ronde ITK’s een belangrijke bouwsteen voor een stelsel dat is gebaseerd op vertrouwen. Het kader voor de ITK is in dit licht herzien waardoor het ruimte biedt voor verdere ontwikkeling van een stelsel met vertrouwen als uitgangspunt.

Voor de beoordeling van opleidingen bevat het nieuwe kader één set standaarden voor nieuwe en bestaande opleidingen, wetenschappelijke en hoger beroepsopleidingen op associate-degree-, bachelor- en masterniveau. Ook zijn de in het kader opgenomen beslisregels en andere aanwijzingen en richtlijnen ingeperkt en vereenvoudigd. Dit weerspiegelt het uitgangspunt dat maatwerk en eigen invulling door de opleidingen en instellingen bepalen op welke wijze de visitaties worden ingericht binnen de ruimte die het kader daarvoor biedt.

De open opzet en uitwerking maken het kwaliteitszorgstelsel flexibeler en leiden tot minder administratieve lasten. Het kader gaat uit van vertrouwen én van zelfvertrouwen. Bestaande documenten kunnen volstaan om de kwaliteit, kennis en kunde aan te tonen van hen die het onderwijs vormgeven. Van instellingen en opleidingen wordt dan ook niet meer gevraagd dan in dit kader is beschreven.

Het beoordelingskader sluit aan bij de criteria die zijn opgenomen in de WHW en de Standards and Guidelines for Quality Assurance in the European Higher Education Area (European Standards and Guidelines – ESG) en schetst de criteria op basis waarvan de kwaliteitsborging in het Nederlandse hoger onderwijs is vormgegeven.

Het kader blijft onverminderd uitgaan van ‘peer review’ als de beste methode om de kwaliteit vast te stellen. De beoordelingen worden uitgevoerd vanuit een werkwijze en houding die past bij collegiale toetsing. Het panel van onafhankelijke en gezaghebbende experts gaat een open dialoog aan over de kwaliteit met de instelling. Aan de hand van het zelfevaluatierapport wordt het panel deelgenoot van de reflectieve cyclus die de instelling doorloopt om kwaliteit te waarborgen en telkens te verbeteren: van visie en doelstelling naar uitvoering, van evaluatie en resultaten naar verbetering en ontwikkeling.

Het kader vraagt nadrukkelijk aandacht voor kwaliteitscultuur en de verankering daarvan, altijd in samenhang met instrumenten om kwaliteit te verzekeren.

Het kader is gebaseerd op respect voor de autonomie van de instellingen die primair verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit. De visie en doelstellingen van de instelling of de opleiding zijn het startpunt van de beoordeling en worden niet inhoudelijk beoordeeld. Uitgangspunt is dat studenten en docenten het onderwijs en de opleiding vormgeven, en daarvoor gezamenlijk als ‘eigenaren’ een belangrijke verantwoordelijkheid dragen. Maar ook de samenleving als geheel is eigenaar van en belanghebbende bij het onderwijs; goed en toegankelijk hoger onderwijs is van groot belang is voor een duurzame en evenwichtige ontwikkeling van de hedendaagse samenleving, zowel in economische als sociaal-maatschappelijke zin.

Het Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland is tot stand gekomen na overleg met de koepelorganisaties voor bekostigde en particuliere universiteiten en hogescholen, evaluatiebureaus, studentenorganisaties, werkgeversorganisaties en vakbonden, en met inbreng van vele betrokkenen uit het veld.

In de volgende hoofdstukken wordt het kader weergegeven, onderscheiden naar hoofdstuk 1 over de instellingstoets kwaliteitszorg en hoofdstuk 2 over de opleidingsbeoordeling, zowel voor bestaande als voor nieuwe opleidingen. Hoofdstuk 3 beschrijft de werkwijze voor de overige beoordelingen. Hoofdstuk 4 gaat in op de mogelijkheid van bezwaar en beroep. Hoofdstuk 5 betreft de publicatie van het kader.

Het Accreditatiekader bestaande opleidingen hoger onderwijs (Stcrt. 2003, 120), het Toetsingskader nieuwe opleidingen hoger onderwijs (Stcrt. 2003, 120), de Beoordelingskaders accreditatiestelsel hoger onderwijs (Stcrt. 2010, 2152316) en de Beoordelingskaders accreditatiestelsel hoger onderwijs (Stcrt. 2014, 367913) worden ingetrokken.

Het voorliggende beoordelingskader is goedgekeurd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij brief van 16 november 2016, kenmerk 1095509.

De voorzitter van de Nederlands Vlaamse Accreditatieorganisatie,

A.H. Flierman.

1. Instellingstoets kwaliteitszorg

1.1. Inleiding

De instellingstoets kwaliteitszorg (ITK) is een periodieke, externe en onafhankelijke beoordeling van de interne kwaliteitszorg van een instelling. Interne kwaliteitszorg omvat zowel de kwaliteitscultuur als het interne systeem van kwaliteitszorg van een instelling. Bij deze toets wordt vastgesteld dat het interne kwaliteitszorgsysteem in samenhang met de kwaliteitscultuur verzekert dat de eigen visie op goed onderwijs wordt gerealiseerd.

Een kwaliteitszorgsysteem bestaat uit eenvoudige, eenduidige en controleerbare doelstellingen, procedures voor de borging van de kwaliteit, verankering van de Plan Do Check Act (PDCA) cyclus in de organisatie, ‘hard controls’, periodieke evaluaties en systematische opvolging van verbeteringen. Kwaliteitscultuur verwijst naar een duidelijke en doorleefde visie, een gezamenlijke gerichtheid op verbeteringen, leiderschap, aanspreekbaarheid en ‘soft controls’, samenwerken en zelfsturing, (academische) professionaliteit, studentbetrokkenheid en een externe oriëntatie. Beide dimensies van sturen op en streven naar goede kwaliteit van het onderwijs worden in de instellingstoets kwaliteitszorg betrokken. De instelling toont de effectiviteit van de eigen synergie tussen beide dimensies aan en heeft dus ruimte om daartussen een eigen balans te kiezen. Het woord “kwaliteitszorg” verwijst in dit kader dan ook nadrukkelijk naar beide dimensies: het systeem van kwaliteitszorg en de kwaliteitscultuur.

De centrale vraag is: verzekert de kwaliteitszorg de realisatie van de visie op goed onderwijs en werkt de instelling duurzaam aan ontwikkeling en verbetering?

Deze centrale vraag wordt beantwoord aan de hand van vier samenhangende vragen die het uitgangspunt vormen voor de instellingstoets kwaliteitszorg:

Bovengenoemde vragen zijn in het kader vertaald naar vier standaarden:

De vier standaarden vormen een ‘reflectieve cyclus’ aan de hand waarvan de instelling aantoont dat in al haar geledingen een sterke ontwikkelingsgerichte kwaliteitscultuur bestaat en resultaten van beleid worden opgevolgd. De kwaliteitscultuur wordt ondersteund door een efficiënt systeem van interne kwaliteitszorg, waardoor de kwaliteit van het onderwijs duurzaam wordt geborgd.

Met de instellingstoets kwaliteitszorg legt de instelling rekenschap af aan de samenleving over de degelijkheid van haar zorg voor de kwaliteit van het onderwijs en laat ze zien duurzame kwaliteitsontwikkeling te hebben verzekerd.

De WHW vraagt aandacht voor voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid bevorderen voor studenten met een functiebeperking.

Uitgangspunt voor de ITK vormt de duidelijke, gedeelde en doorleefde visie van de instelling op goed onderwijs. De visie wordt niet inhoudelijk beoordeeld tijdens de ITK. De instelling is autonoom en ontwikkelt een eigen visie op goed onderwijs die goed moet zijn afgestemd op verwachtingen en eisen van het werkveld, de vakgenoten, studenten en de samenleving. De instelling en haar docenten en studenten dragen en ontwikkelen die visie vanuit een externe gerichtheid en in samenspraak met het maatschappelijk veld.

Het open karakter van het kader onderstreept autonomie van de instelling en de eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit. Het open karakter draagt bij aan het eigenaarschap van docenten en studenten. Aan de hand van de open standaarden reflecteert het panel in de gesprekken op de eigen visie op goed onderwijs, de wijze waarop daar uitvoering aan wordt gegeven en de evaluatie en resultaten. Door gebruik van open standaarden bestaat eveneens ruimte voor variatie in de uitvoering en de inrichting van het onderwijsbeleid, eventueel ook tussen de verschillende onderdelen van de instelling.

Bij een aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van het besluit instellingstoets kwaliteitszorg wordt duurzame en systematische verankering van de interne kwaliteitszorg in de achterliggende jaren in de beoordeling betrokken.

Een extern panel van onafhankelijke deskundigen voert de instellingstoets uit (peer review). De NVAO benoemt de leden van het panel. Het panel beoordeelt of de instelling beschikt over passende kwaliteitszorg om de kwaliteit van de opleidingen te borgen en een kwaliteitscultuur die bevordert dat alle betrokkenen streven naar (verdere) kwaliteitsontwikkeling.

1.2. Standaarden

Standaard 1: De instelling beschikt over een breed gedragen onderwijsvisie en een daarbij aansluitend beleid gericht op de interne kwaliteitszorg van haar onderwijs.

De instelling kent een duidelijke en in alle geledingen gedeelde visie op goed onderwijs. Docenten en studenten dragen de visie en ontwikkelen deze in onderlinge samenspraak en met externe stakeholders. De onderwijsvisie is actueel door periodieke afstemming op de relevante (veranderende) omgeving. De onderwijsvisie is vertaald naar expliciete uitgangspunten voor kwaliteitszorg. De onderwijsvisie is, in overeenstemming met de ESG, studentgericht (student centred learning).

Standaard 2: De instelling verwezenlijkt de onderwijsvisie op doeltreffende wijze, blijkend uit passende beleidsacties en -processen met name op het gebied van personeel, toetsing, voorzieningen, en studenten met een functiebeperking.

De onderwijsvisie is adequaat vertaald naar concrete beleidsacties en -processen. De instelling kent processen voor ontwerp, erkenning en borging van de kwaliteit van opleidingen in overeenstemming met de ESG en toont de werking en toepassing van deze processen aan op basis van een track record. Studenten en medewerkers zijn mede-eigenaar van het beleid en dragen vanuit de gezamenlijke visie bij aan de realisatie ervan. Uit die betrokkenheid blijkt de realisatie van de beoogde kwaliteitscultuur van de instelling.

De uitvoering is in overeenstemming met de visie: personeel, toetsing en voorzieningen bevorderen de toegankelijkheid en studeerbaarheid van het onderwijs.

Standaard 3: De instelling evalueert stelselmatig of zij de beoogde beleidsdoelstellingen met betrekking tot onderwijskwaliteit realiseert. Daarbij betrekt zij relevante stakeholders.

De instelling organiseert effectieve feedback die de realisatie van het beleid ondersteunt. Hierbij zet zij passende evaluatie- en meetactiviteiten in, die bestendig verankerd zijn in de instelling. Die instrumenten leveren inzichtelijke informatie die bruikbaar is bij het formuleren van gewenste kwaliteitsontwikkeling. Onderdeel is een transparante werkwijze om risico’s te signaleren, te rapporteren en waar nodig te handelen, gericht op verbeteren. De reflectie op de uitkomsten is onderdeel van het organisatiemodel en geeft in alle lagen van de organisatie en de medezeggenschap voldoende inzicht in de effectiviteit van de beleidsuitvoering.

Het is niet noodzakelijk dat de meet- en evaluatieactiviteiten instellingsbreed uniform zijn. Het gaat immers om de effectiviteit.

Studenten, medewerkers, alumni en deskundigen uit het maatschappelijke veld spelen een actieve rol bij de evaluaties.

De instelling publiceert accurate, actuele en toegankelijke informatie over de evaluatieresultaten.

Standaard 4: De instelling is gericht op ontwikkeling en werkt systematisch aan de verbetering van haar onderwijs.

Op grond van feedback en reflectie op de resultaten zijn doelgerichte maatregelen genomen om het beleid of de uitvoering te versterken, te verbeteren of bij te stellen. Het opvolgen van verbetermaatregelen is verankerd in de organisatiestructuur. Het ontwikkelbeleid van de instelling stimuleert alle betrokkenen om bij te dragen aan innovatie en kwaliteitsverbetering.

Interne en externe stakeholders zijn geïnformeerd over de ontwikkelingen die in gang worden gezet op grond van de evaluatieresultaten. De instelling verbetert zich doorlopend en sluit aan op de (veranderende) omstandigheden en verwachtingen van studenten en werkgevers.

1.3. Oordelen en beslisregels panel

De instelling kan ervoor kiezen om gelijktijdig met de ITK een specifiek, instellingsbreed aspect te laten beoordelen. Hierbij kan gedacht worden aan een bijzonder kenmerk of specifieke kwaliteitszorgactiviteiten van een instelling. Bij het bestuurlijk overleg (zie onder) worden hier afspraken over gemaakt. Het beoordelen van een specifiek aspect leidt tot een extra audittrail en/of een aanvulling op het panel met specifieke deskundigheid. De instelling onderbouwt het aspect in de aanvraag. Het panel beoordeelt het aspect en adviseert daarover. De NVAO kan het advies bekrachtigen. De NVAO kan een aanvraag voor een specifiek, instellingsbreed aspect buiten behandeling stellen, wanneer dit buiten haar competenties valt (zie hoofdstuk 3).

1.4. Beoordelingsproces

1.4.1. Aanvraag indienen

De instelling dient een aanvraag in bij de NVAO via brief of e-mail. Wanneer de instelling de geldigheidsduur van een bestaande ITK wil verlengen (heraanvraag), moet de aanvraag ten minste één jaar voor het vervallen van de instellingstoets plaatsvinden.

1.4.2. Bestuurlijk overleg

Na ontvangst van de aanvraag neemt de NVAO het initiatief tot een bestuurlijk overleg.

Het bestuurlijk overleg is een kennismaking met en een toelichting op de ITK. In dat verband komen bijvoorbeeld de volgende onderwerpen aan bod: de organisatiestructuur en profilering van de instelling, de (internationale) samenstelling van het panel en de taal waarin de toets zal worden uitgevoerd, het tijdpad, de vorm en omvang van het zelfevaluatierapport, aandachtspunten voor de beoordeling, wensen met betrekking tot de inrichting van de locatiebezoeken en het in de instelling beschikbare materiaal ten behoeve van de toets.

Voorafgaand aan het bestuurlijk overleg ontvangt de instelling het accreditatieportret. Dit accreditatieportret geeft een overzicht van de uitkomsten van de accreditaties en toetsen nieuwe opleiding over de afgelopen jaren. De instelling krijgt de gelegenheid correcties door te geven. De NVAO houdt rekening met de verscheidenheid in organisatievormen en met het specifieke karakter van de instelling. Bij het bestuurlijk overleg worden vertegenwoordigers van studenten en docenten uit voor de instelling toepasselijke medezeggenschaps- of (studenten)inspraakorganen betrokken.

1.4.3. Panelsamenstelling

Na het bestuurlijk overleg benoemt de NVAO het panel dat de instellingstoets uitvoert. De instelling kan binnen twee weken beargumenteerd bedenkingen tegen de samenstelling van het panel doorgeven aan de NVAO.

De experts voor instellingsbeoordelingen zijn onafhankelijk van de instelling (tenminste vijf jaar geen directe of indirecte banden gehad met de te beoordelen instelling die leiden tot een ‘conflict of interest’), zijn gezaghebbend op bestuurlijk niveau of binnen de ontwikkeling van het hoger onderwijs, auditdeskundig of vertegenwoordigen het maatschappelijk veld. Panelleden tekenen voorafgaand aan de beoordeling een onafhankelijkheidsverklaring.

Het panel beschikt gezamenlijk over onderstaande expertises:

Het panel bestaat, na overleg met de instelling uit maximaal vijf leden, inclusief een studentlid en wordt ondersteund door een secretaris en een procescoördinator van de NVAO. Een panellid met bestuurlijke deskundigheid treedt op als voorzitter.

De NVAO geeft alle panelleden een specifiek op de instellingstoets kwaliteitszorg gerichte briefing en/of training.

Het panel voert een peer reviewuit, in die zin dat collegiale consultatie/toetsing centraal staan. De attitude en werkwijze van het panel passen bij dit uitgangspunt. Dit betekent onder meer dat het panel vertrekt vanuit vertrouwen en de uitgangspunten van de instelling respecteert, een open dialoog met de instelling voert, recht doet aan de verschillende perspectieven op kwaliteit en bijdraagt aan verbetering.

1.4.4. Zelfevaluatierapport en overig materiaal

De instelling stelt een zelfevaluatierapport op waarin de sterke en de zwakke punten van de instelling staan beschreven. Het zelfevaluatierapport wordt ter advisering voorgelegd aan het, c.q. de voor de instelling toepasselijke medezeggenschaps- of inspraakorga(a)n(en). Het rapport is een op zichzelf leesbaar document met een omvang van maximaal 50 pagina’s (exclusief bijlagen). Het advies van de medezeggenschapsraad maakt deel uit van het zelfevaluatierapport. Het is mogelijk om met de NVAO afspraken te maken over een andere vorm of omvang van het zelfevaluatierapport (zie Bestuurlijk overleg hierboven).

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.