Circulaire Introductie bij waterschappen van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
Aangezien de dagelijks bestuurder meer dan 500 km fiscaal gezien niet-zakelijk heeft gereden (10.000 km bestuurlijk), krijgt betrokkene een fiscale bijtelling van € 8.800 (22% van cataloguswaarde auto ad € 40.000). Deze bijtelling leidt tot een extra belasting van € 4.571 per jaar (51,95% van € 8.800). Dit bedrag ad € 4.571 vergoedt het waterschap aan B (via de eindheffing).
Alle kosten van de auto (afschrijving, onderhoud, belasting, verzekering, parkeren en tol) komen ten laste van het waterschap: in dit voorbeeld € 12.000 (12 x € 1000) plus vergoedingen parkeren en tol. Daarnaast zijn er de brandstofkosten, ook ten laste van het waterschap: 6.000 liter (1:10) * € 1,75 = € 10.500.
Totale kosten van het waterschap per jaar: € 27.071 (€ 4.571+12.000+10.500) plus vergoedingen parkeren en tol.
De kosten van eventuele boetes en bekeuringen tijdens het gebruik van de ter beschikking gestelde auto worden niet vergoed door het waterschap en zijn voor B.
Het bedrag ad €1.500 dat B ontving aan reiskostenvergoedingen van derden, stort hij in de water-schapskas.
*Voorbeeld 3*
Voorzitter C krijgt een leaseauto ter beschikking die nieuw is, met een cataloguswaarde van € 40.000 (inclusief btw en bpm). Het dagelijks bestuur heeft bepaald dat de auto gedurende drie jaar door de voorzitter ook voor andere dan zakelijke of bestuurlijke doeleinden mag worden gebruikt. Betrokkene rijdt er 60.000 km mee in het jaar, zakelijk 30.000 km, bestuurlijk 20.000 km; “echt” privé 10.000 km. De kosten van het leasecontract zijn € 826 per maand exclusief btw. Inclusief de btw van 21% is het leasebedrag € 1000 per maand. Brandstof wordt gedeclareerd bij de leasemaatschappij via een tankpas. De auto rijdt 1:10. Benzineprijs is gemiddeld € 1,75 per liter. Voor de bestuurlijke ritten ontvangt C reiskostenvergoedingen ad in totaal € 3.000 en voor een aantal “privéritten” reiskosten-vergoedingen ad in totaal € 500. C heeft een loonbelastingpercentage van 51,95%.
Aangezien de voorzitter meer dan 500 km fiscaal gezien niet-zakelijk heeft gereden (20.000 km bestuurlijk en 10.000 km “echt” privé), krijgt betrokkene een fiscale bijtelling van € 8.800 (22% van cataloguswaarde auto ad € 40.000). Dit bedrag wordt echter verminderd met de eigen bijdrage die C betaalt aan het waterschap en met de brandstofkosten die kunnen worden toegerekend aan zijn privégebruik.
De eigen bijdrage ziet uitsluitend op de “echte” privékilometers en wordt als volgt berekend: (10.000/60.000) = 1/6 * € 1000 per maand (eigenlijk € 12.000 (12*1000):12) = € 166,67 per maand of € 2.000 per jaar.
Daarnaast zijn er de brandstofkosten: 6.000 liter (1:10) * € 1,75 = € 10.500. Ook deze worden verdeeld volgens de verdeelsleutel privékm/totaalkm. In deze casus: 1/6-5/6. C betaalt dus per jaar € 1.750 aan brandstofkosten; het waterschap € 8.750.
Een nacalculatie is van belang omdat de leaseprijs tot stand komt op basis van een aantal factoren waaronder het aantal kilometers dat met de auto daadwerkelijk wordt verreden en de leaseperiode. Het verdient aanbeveling dat het dagelijks bestuur niet alleen bepaalt dát er privékilometers mogen worden gereden maar ook aangeeft hoeveel kilometers het verwacht dat dit zullen zijn. Wanneer betrokkene namelijk inderdaad dat aantal kilometers verrijdt, maar wel meer zakelijke of bestuurlijke kilometers dan ingeschat, heeft de meerprijs aan leasekosten geen invloed op de eigen bijdrage. Rijdt betrokkene significant meer of minder, juist wel.
In dit voorbeeld is de uiteindelijke bijtelling dus: € 8.800 -/- € 2.000 -/- € 1.750 = € 5.050. De belasting over de bijtelling is € 5.050 x 51,95% = € 2.623.
Aan kosten per jaar heeft het waterschap in totaal € 18.750. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
De voorzitter betaalt € 6.373 per jaar of € 531,08 per maand, namelijk:
De kosten van eventuele boetes en bekeuringen tijdens het gebruik van de ter beschikking gestelde auto worden niet vergoed door het waterschap en zijn voor C.
Het bedrag ad € 3.000 dat de voorzitter ontving aan reiskostenvergoedingen van derden wordt in de waterschapskas gestort.
De reiskostenvergoeding ad € 500 uit hoofde van zijn privéritten behoudt C; voor die ritten heeft hij immers de eigen bijdrage betaald.
De kosten van eventuele boetes en bekeuringen tijdens het gebruik van de ter beschikking gestelde auto worden niet vergoed door het waterschap en zijn voor C. Ook kosten voor parkeer-, veer- en tolgelden tijdens het privégebruik van de ter beschikking gestelde auto blijven logischerwijs voor rekening van de voorzitter.
*Voorbeeld 4*
Dagelijks bestuurder D krijgt een leaseauto ter beschikking die nieuw is, met een cataloguswaarde van € 30.000 (inclusief btw en bpm). Het dagelijks bestuur heeft bepaald dat de auto door D ook voor andere dan zakelijke of bestuurlijke doeleinden mag worden gebruikt. Betrokkene rijdt er 45.000 km mee in het jaar, zakelijk 30.000 km en “echt” privé 15.000 km. De kosten van het leasecontract zijn € 660 per maand exclusief btw. Inclusief de btw van 21% is het leasebedrag € 800 per maand. Brand-stof wordt gedeclareerd bij de leasemaatschappij via een tankpas. De auto rijdt 1:10. Benzineprijs is gemiddeld € 1,75 per liter. D heeft een loonbelastingpercentage van 51,95%.
Aangezien D meer dan 500 km fiscaal gezien niet-zakelijk heeft gereden (15.000 km “echt” privé), krijgt hij een fiscale bijtelling van € 6.600 (22% van cataloguswaarde auto ad € 30.000). Dit bedrag wordt echter verminderd met de eigen bijdrage die D betaalt aan het waterschap en met de brandstofkosten die kunnen worden toegerekend aan zijn privégebruik.
De eigen bijdrage ziet uitsluitend op de “echte” privékilometers en wordt als volgt berekend: (15.000/45.000) = 1/3 * € 800 per maand (eigenlijk € 9.600 (12*800) :12) = € 266,67 per maand of € 3.200 per jaar.
Daarnaast zijn er de brandstofkosten: 4.500 liter (1:10) * € 1,75 = € 7.875. Ook deze worden verdeeld volgens de verdeelsleutel privékm/totaalkm. In deze casus: 1/3-2/3. D betaalt dus per jaar € 2.625 aan brandstofkosten; het waterschap € 5.250.
In dit voorbeeld is de uiteindelijke bijtelling dus: € 6.600 -/- € 3.200 -/- € 2.625 = € 775 per jaar. De belasting over de bijtelling is € 775 x 51,95% = € 402.
Per jaar heeft het waterschap kosten van in totaal € 11.650. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
De dagelijks bestuurder betaalt € 6.227 per jaar of € 518,92 per maand, namelijk:
De kosten van eventuele boetes en bekeuringen tijdens het gebruik van de ter beschikking gestelde auto worden niet vergoed door het waterschap en zijn voor D.
Voor opmerkingen over nacalculatie zie voorbeeld 3.
Artikel 4.2.11. Loopbaanoriëntatie
Dit artikel betreft de grondslag voor de vergoeding van loopbaanoriëntatie en mobiliteit bevorderende activiteiten van de voorzitters en dagelijks bestuurders. Dit is al toegelicht in §4, onder“Loopbaanoriëntatie”.
Artikel 4.2.12. Terugkeer wegens dringende redenen
Sinds 1 juli 2014 is voor de voorzitter geregeld dat de schade wordt vergoed die hij en zijn gezinsleden hebben, indien hij uit het buitenland moet terugkeren vanwege een dringende reden. Een dringende redenen van dienstbelang betekent dat het moet gaan om crisissituaties. Dat kunnen zowel calamiteiten zijn als politieke situaties. Er geldt een marginale toets. Ook al is er geen hiërarchische verhouding met de commissaris, van de voorzitter van een waterschap wordt verwacht dat hij voor genoemde marginale toets contact opneemt met de commissaris alvorens hij ingeval van een crisis-situatie voortijdig terugkeert en de eventuele daardoor geleden schade ten laste brengt van het waterschap.
Er is bij nader inzien geen reden om het lid van het dagelijks bestuur in dit opzicht anders te behandelen. De rationale achter de schadeloosstelling voor de voorzitter is immers dezelfde als die voor het lid van het dagelijks bestuur wiens portefeuille wordt geraakt door een calamiteit. Daarom is in het besluit ook voor deze bestuurders de schadeloosstelling geregeld.
Voor de leden van het dagelijks bestuur wordt de marginale toets uitgevoerd door de voorzitter. Mogelijk brengt dit de voorzitter in een lastige positie, maar de marginale toets over de noodzaak van terugkomst laten uitvoeren door het volledige dagelijks bestuur, is niet praktisch. Er zal immers sprake zijn van een zodanige calamiteit die de portefeuille van betrokkene heeft geraakt, dat snel zal moeten worden gehandeld. Het oordeel over de hoogte van de schadevergoeding is wel (net als bij de voorzitter) een verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur.
De regeling is in het onderhavige artikel niet beperkt tot een terugroeping vanuit het buitenland. Het gaat om geleden schade doordat betrokkene snel terug moet vanwege een calamiteit of een andere dringende reden. Die schade kan ook voortvloeien uit een verblijf elders in Nederland. Daarom is nu bepaald dat het moet gaan om de schade die wordt geleden omdat betrokkene zich buiten zijn ambts-gebied bevindt.
De vraag of de terugroeping ook de met de betrokken ambtsdrager meegereisde gezinsleden kan betreffen en of de eventuele daaruit voortvloeiende schade die wordt geleden omdat betrokkene de beslissing neemt om ook die gezinsleden te repatriëren, voor rekening dient te komen van het waterschap, is erg afhankelijk van de individuele omstandigheden van het geval. Het is een weging van die omstandigheden of die schade aan te merken is als de direct uit de terugkeer voortvloeiende kosten of als de consequentie van een in de privésfeer genomen beslissing. Deze weging geschiedt door het dagelijks bestuur bij de vaststelling van de hoogte van de schadeloosstelling.
Artikel 4.2.13. Aanspraken bij zwangerschap en bevalling en ziekte
Op grond van artikel 44 van de Provinciewet en artikel 45 van de Gemeentewet kunnen gedeputeer-den of wethouders gedurende zestien weken worden vervangen als zij wegens zwangerschap en bevalling of ziekte hun functie tijdelijk niet kunnen uitoefenen. Anders dan in de regeling voor de volksvertegenwoordigers, die bij zwangerschap of ziekte op hun verzoek tijdelijk worden ontslagen, wordt aan een zieke of zwangere bestuurder tijdelijk verlof verleend. Betrokkene wordt dus niet ontslagen. Omdat er geen sprake is van ontslag, maar van een verlofperiode, verandert de financiële rechtspositie van de vervangen bestuurder niet. Dit met uitzondering van de vaste onkostenvergoe-ing. Bij tijdelijk verlof wordt de functie niet uitgeoefend. Dit betekent dat er minder onkosten zijn. De vaste, maandelijks onkostenvergoeding ziet voor een deel op uitgaven met een doorlopend karakter. Daarom is in de artikelen 2.2.13 en 3.2.13 voor gedeputeerden en wethouders geregeld dat de onkostenvergoeding gedurende het verlof voor de helft wordt doorbetaald.
Een vergelijkbare regeling met betrekking tot zwangerschaps-, bevallings- en ziekteverlof zoals die op grond van de Provinciewet en de Gemeentewet voor gedeputeerden en wethouders van toepassing is, geldt niet voor de dagelijks bestuurders van waterschappen. Vanwege de monistische structuur van de waterschappen geldt voor hen dezelfde regeling als die voor de leden van het algemeen bestuur die niet tevens lid van het dagelijks bestuur zijn: aan hen kan op hun verzoek tijdelijk ontslag worden verleend (artikel 21 Waterschapswet), waarna zij van rechtswege tijdelijk worden vervangen. In artikel 4.2.13 van het besluit is daarom voor de wegens zwangerschap, bevalling of ziekte tijdelijk ontslagen leden van het dagelijks bestuur geregeld dat zij hun rechtspositie gedurende het tijdelijke ontslag behouden, zij het dat de vergoeding voor de ambtskosten, net als bij de zieke en zwangere gedeputeerde en wethouder, wordt gehalveerd.
Voor de voorzitter geldt geen vergelijkbare verlofregeling bij zwangerschap, bevalling en ziekte. Het ambt van voorzitter betreft namelijk een eenhoofdige taakfunctie, waar geen verlofregeling bij past. De afwezigheid van de voorzitter om deze redenen heeft geen financiële gevolge voor betrokkene, omdat die formeel in functie blijft. Dat laat onverlet dat het voor de hand ligt dat betrokkene overlegt met het algemeen bestuur wanneer om deze redenen afwezigheid noodzakelijk is. De termijnen die in de Wet arbeid en zorg gelden voor zwangerschap-, bevalling- en ouderschapsverlof, maar ook voor andere vormen van verlof, zoals adoptieverlof, kunnen hierbij als richtsnoer gelden.
Artikel 4.2.14. Vergoeding bij waarneming van de voorzitter
Dit artikel betreft de situatie waarin het ambt van voorzitter door een lid van het dagelijks bestuur wordt waargenomen. Op de desbetreffende waarnemer zijn in beginsel dezelfde rechtspositieregels van toepassing als die voor het waargenomen ambt gelden. Wel zijn hierop enkele uitzonderingen die voortvloeien uit de aard van de waarneming, te weten de bepalingen omtrent de opgave van neveninkomsten, kennisgeving bij afwezigheid, schorsing en ontslag.
Artikel 4.2.15. Verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden tijdelijke vervanger dagelijks bestuurder
De vervanger van een lid van het dagelijks bestuur van een waterschap ontvangt een bedrag van € 590 naar evenredigheid van de voor hem vastgestelde deeltijdfactor. Hij ontvangt dit bedrag voor zijn verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom of overlijden. Betrokkene heeft namelijk geen aanspraken op grond van de Appa. Het bedrag wordt vanaf nu geïndexeerd.
Artikel 4.2.17. Kennisgeving bij afwezigheid
Het ambt van voorzitter van een waterschap is een eenhoofdige taakfunctie, waar geen verlofregeling past. Betrokkene is in beginsel 24 uur per dag en zeven dagen per week in functie, ook wanneer hij feitelijk afwezig is, bijvoorbeeld in verband met vakantie of ziekte. Uiteraard moet hij zijn afwezigheid wel bij het dagelijks bestuur melden.
Artikel 4.2.18. Schorsing
De voorzitter kan op grond van artikel 46 van de Waterschapswet worden geschorst. In artikel 4.2.18 is bepaald dat een schorsingsbesluit in ieder geval het tijdstip van het begin van de schorsing vermeldt en een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing. Daarnaast is uitdrukkelijk bepaald dat betrokkene gedurende de schorsing zijn bezoldiging en andere aanspraken behoudt en het hem niet is toegestaan de dienstgebouwen te betreden.
Artikel 4.2.19. Ontslag
De ontslagleeftijd van de voorzitter is, net als in het voormalige artikel 3.20 van het Waterschaps-besluit, gesteld op 70 jaar. Hiermee is aangesloten bij de systematiek zoals deze geldt voor de rechterlijke macht en de Hoge Colleges van Staat. Dit is vastgelegd in het tweede lid.
In het derde lid is een specifieke ontslaggrond opgenomen voor de voorzitter ingeval van ziekte. De achtergrond ervan is deze. De Ziektewet kent een termijn van twee jaar, waarbinnen een werknemer niet ontslagen kan worden wegens ziekte. Voor wat betreft de voorzitter moeten echter niet alleen de arbeidsrechtelijke aspecten, maar ook de bestuurlijke aspecten in het oog worden gehouden. De betrokken functies kunnen wel gedurende enige tijd worden vervuld door een waarnemer, maar een periode van twee jaar is bestuurlijk ongewenst. Ontslag van een voorzitter op grond van ziekte is daarom mogelijk een half jaar na de eerste dag van het ziekteverzuim, tenzij uit geneeskundig onderzoek blijkt dat herstel van zijn ziekte is te verwachten binnen een periode van een jaar na genoemde eerste verzuimdag. Deze ontslaggrond geldt overigens al sinds 2011.
Op grond van het voormalige artikel 3.21, tweede lid, van het Waterschapsbesluit bestond voor de voorzitter een zorgplicht van de Minister van BZK om ingeval van ziekte binnen zijn gezagsbereik te onderzoeken of het mogelijk was om betrokkene na zijn ontslag andere arbeid aan te bieden. De voorzitters zijn met ingang van 27 februari 2010 onder de werking van de Appa gebracht en komen sindsdien na ontslag in aanmerking voor een Appa-uitkering. Nu er een adequate andere voorziening is, was er geen reden meer om een zorgplichtbepaling in het onderhavige besluit op te nemen.
Artikel 4.3.1. Bewaken en beveiligen
Alle politieke ambtsdragers kunnen te maken krijgen met bedreigingen en geweld. Hiervoor geldt het zogenaamde Stelsel bewaken en beveiligen zoals toegelicht in brieven aan de Tweede Kamer12Onder meer Kamerstukken II 2010/11, 28 684, nr. 297.. In dat stelsel wordt onderscheid gemaakt tussen de verantwoordelijkheid van betrokkene zelf voor de eigen beveiliging (deugdelijk hang- en sluitwerk), de verantwoordelijkheid voor de werkgever (in dit geval het waterschap) en die van de overheid. Bij deze laatste verantwoordelijkheid moet worden gedacht aan politie-inzet en dergelijke.
De bepaling welke instrumenten in het individuele geval nodig zijn, gebeurt in principe op basis van een dreigingsanalyse. Wat de werklocatie betreft, treft het waterschap al uit hoofde van goed werkgeverschap beveiligingsmaatregelen. Afhankelijk van de kwetsbaarheid van de werklocatie of het privédomein van de ambtsdrager kan echter worden voorzien in aanvullende maatregelen. Deze kunnen zowel preventief getroffen worden als naar aanleiding van een aangifte of melding. Hiervoor is wel een dreigingsanalyse en een oordeel van de officier van justitie vereist.
In het eerste lid van artikel 4.3.1 is bepaald dat het waterschap verantwoordelijk is voor de bekostiging van voorzieningen ten behoeve van de ambtsdrager die in het Stelsel bewaken en beveiligen worden aangemerkt als werkgeverskosten.
Daarnaast kunnen op grond van het tweede lid bij ministeriële regeling regels worden gesteld voor preventieve maatregelen die niet binnen de werking van het Stelsel bewaken en beveiligen kunnen worden vergoed. Het gaat hierbij om de situatie dat er geen sprake is van een acute dreiging, maar bijvoorbeeld uit een woningscan blijkt dat er veiligheidsvoorzieningen nodig zijn.
Artikel 4.3.2. Informatie- en communicatievoorzieningen
De bepalingen in de voormalige rechtspositiebesluiten gingen nog uit van een afschrijving in drie jaar van computer- en informatieapparatuur en van verschillen tussen telefoonkosten en ICT-middelen. Intussen is er fiscaal sprake van “digitaal gereedschap” waarvoor een belastingvrijstelling kan worden verkregen als de werkgever kan aantonen dat dit gereedschap noodzakelijk is voor het vervullen van het werk.
Daarom is in artikel 4.3.2 van het besluit bepaald dat het dagelijks bestuur aan alle politieke ambts-dragers van het waterschap voor de duur van hun ambt informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking stelt, daarbij inbegrepen de abonnementen, die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het ambt. Dit artikel is in overeenstemming met de nieuwe fiscale regelgeving. Aangezien de ontwikkelingen op het gebied van telefonie en ICT snel gaan, is gekozen voor een toekomstbestendige formulering.
In verband met de gewijzigde fiscale regelgeving kan digitaal gereedschap tegenwoordig belastingvrij worden verstrekt. Dit is een verbetering met de situatie hiervóór: er is een sterk verband met het vervullen van de functie en er zijn voordelen op het gebied van inkoop, onderhoud, beveiliging en gebruik. Zowel de apparatuur als de abonnementen worden centraal ingekocht en toegedeeld. Mede gezien deze voordelen is ervoor gekozen om niet meer de mogelijkheid te bieden van een vergoeding voor de aanschaf of het gebruik van de eigen ICT-middelen. Die vergoeding zou dan bovendien belast zijn, terwijl de verstrekking op grond van het besluit belastingvrij is.
De vraag is gesteld of het mogelijk is gebruikersovereenkomsten af te sluiten met betrekking tot het gebruik van ICT-middelen en afspraken te maken over eventuele overname van deze middelen aan het einde van de bestuursperiode.
Een uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor een gebruikers- of bruikleenovereenkomst is niet nodig. Het is aan het waterschap in hoeverre het bij de terbeschikkingstelling van de middelen nadere regels over het gebruik ervan wil stellen. Deze vrijheid gaat uiteraard niet zover dat er (geldelijke) vergoedingen kunnen worden verstrekt; het gaat om de praktische voorwaarden.
Eventuele overname van ICT-middelen aan het einde van de bestuursperiode, al dan niet tegen rest-waarde, is niet toegestaan. Dit is in lijn met het beleid voor rijksambtenaren. De overweging hierbij is, dat het risico van datalekken zo veel mogelijk moet worden voorkomen. Politieke ambtsdragers hebben veel informatie op hun telefoons en andere apparatuur. Bij overname zou het waterschap hierover de regie kwijt zijn, ook als de apparaten geschoond zijn.
Artikel 4.3.3. Vergoeding kosten scholing
Voor alle decentrale politieke ambtsdragers van het waterschap is expliciet bepaald dat de kosten van niet-partijpolitiek georiënteerde functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste worden gebracht van het waterschap. Deze kosten hoeven dus niet voor eigen rekening te worden genomen of te worden betaald uit de onkostenvergoeding. Overigens kan het waterschap ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen. Ook die lasten komen ten laste van het waterschap.
Er is ruimte voor lokale accenten. Op grond van het tweede lid van het artikel kan het algemeen bestuur nadere regels stellen voor de scholing van zijn leden; het dagelijks bestuur kan dit doen voor de scholing van de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur. Die regels zijn het kader waaraan individuele scholingsaanvragen moeten worden getoetst. Dit kader kan bijvoorbeeld worden vormgegeven als een scholingsplan. Hierin kunnen ook procedureregels voor individuele scholingsverzoeken worden opgenomen alsook regels over de hoogte van de tegemoetkoming. Wat betreft de procedure voor scholingsaanvragen van leden van het algemeen bestuur is het denkbaar dat bepaald wordt dat het dagelijks bestuur deze (aan de hand van het daarvoor gestelde kader) beoordeelt, maar ook kan worden bepaald dat het algemeen bestuur dit doet.
Partijpolitieke scholing komt niet voor vergoeding door het waterschap in aanmerking. De inhoud van de scholing is bepalend of deze al dan niet partijpolitiek georiënteerd is.
Wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij, betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is. Om voor kostenvergoeding in aanmerking te komen, moet gemotiveerd worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij. Een door een partij verzorgde communicatie-training is bijvoorbeeld functiegericht als de gegeven lessen algemeen toepasbaar zijn; indien deze communicatietraining erop is gericht de beginselen van de partij zo effectief mogelijk uit te dragen, is zij eerder als partijpolitiek aan te merken.
Artikel 4.3.4. Beroepsvereniging
In 2014 is mogelijk gemaakt dat het waterschap de contributie vergoedt indien een politiek ambts-drager van dat waterschap in verband met de uitoefening van het ambt lid is van een beroeps-vereniging. In de praktijk bleek er onduidelijkheid te bestaan over de vraag wat een beroepsver-eniging is en wie beoordeelt of er sprake is van een beroepsvereniging: het dagelijks bestuur, het algemeen bestuur of de ambtsdrager zelf. Daarom is in het besluit deze aanspraak gepreciseerd.
Enerzijds is het begrip beroepsvereniging nader ingevuld door te bepalen dat die beroepsvereniging een voor iedere ambtsdrager van die beroepsgroep toegankelijke, landelijk georganiseerde beroepsvereniging moet zijn die blijkens haar statuten de deskundigheidsbevordering en/of belangenbehartiging van de functie van die beroepsgroep ten doel heeft of mede ten doel heeft.
Anderzijds is verduidelijkt dat het dagelijks bestuur bepaalt of er sprake is van een beroepsvereniging. Deze vaststelling is namelijk een uitvoeringsbeslissing. Het artikel is zodanig geformuleerd dat de aanspraak voorop staat, maar dat het dagelijks bestuur de vergoeding van de contributie kan weigeren, indien het van oordeel is dat de activiteiten van de vereniging onvoldoende invulling geven aan het omschreven doel.
Artikel 4.3.5. Bedrijfsgeneeskundige zorg
Leden van het dagelijks bestuur en leden van het algemeen bestuur konden voorheen geen aanspraak maken op bedrijfsgeneeskundige begeleiding. Bij de vervulling van een politiek ambt is er geen werkgeversrelatie met het waterschap. Ingeval van ziekte is het aan betrokkene zelf om te bepalen, al dan niet na raadpleging van een eigen arts, of de ziekte zijn functioneren zodanig beïnvloedt dat hij moet aftreden of ontslag moet nemen. Wat betreft de voorzitter en leden van het dagelijks bestuur kan het algemeen bestuur betrokkene dwingen tot ontslag of aftreden, maar dat is een ultimum remedium. Vanwege het eenhoofdige karakter van hun functie kennen de voorzitters daarnaast ook nog een procedure voor de specifieke mogelijkheid van ontslag in verband met ziekte (zie artikel 4.2.19). Maar ook voor bedrijfsgeneeskundige vragen die geen verband houden met ontslag, zoals het tegen gaan van burn-outverschijnselen of hoe te re-integreren na ziekte, waren er voor hen geen mogelijkheden.
De voorzitters konden voor de inwerkingtreding van dit besluit wel aanspraak maken op bedrijfs-geneeskundige begeleiding, maar die begeleiding was overeenkomstig de voor ambtenaren geldende voorschriften. Ook zij werden echter weleens geconfronteerd met het gegeven dat zij niet vallen onder de werkingssfeer van de begeleidingscontracten voor hun ambtenaren. Bovendien is het uitgangspunt bij dit besluit dat zo min mogelijk wordt verwezen naar ambtelijke voorzieningen.
Daarom is nu voor alle politieke ambtsdragers van de waterschappen in artikel 4.3.5 opgenomen dat het dagelijks bestuur ten laste van het waterschap een voorziening treft voor bedrijfsgeneeskundige zorg. Vanwege de variëteit aan opties en behoeften is de invulling van deze zorg aan het dagelijks bestuur gelaten. Dit kan via aansluiting bij de bedrijfsgeneeskundige zorg voor de ambtenaren van het betreffende waterschap, maar hoeft dus niet.
Artikel 4.3.6. Voorzieningen in verband met een beroepsziekte of een dienstongeval
Alle politieke ambtsdragers kunnen risico’s lopen op een dienstongeval (bijvoorbeeld bij een werk-bezoek) en daarmee op een beroepsziekte of andere schade als gevolg van een dergelijk ongeval. Daarom is in het onderhavige artikel een uniforme bepaling voor alle politieke ambtsdragers van de waterschappen opgenomen, waarin is geregeld dat en op welke wijze de eventueel uit een dienst-ongeval voortvloeiende schade voor vergoeding in aanmerking komt.
Artikel 4.3.7. Voorzieningen in verband met een structurele functionele beperking
De Wet arbeid en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) kent voorzieningen tot bevordering van de arbeidsparticipatie van werknemers met een structurele functionele beperking. Omdat politieke ambtsdragers geen werknemer zijn in de zin van de WIA, zijn zij uitgesloten van de in die wet geregelde voorzieningen. Op grond van artikel 4.3.7 kunnen alle politieke ambtsdragers van de waterschappen met een structurele functionele beperking echter zo veel mogelijk op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als werknemers en overheidswerknemers op grond van de WIA, een aanspraak doen gelden op een (tegemoetkoming voor) een WIA-voorziening.
Voor een politieke ambtsdrager is het dus niet van belang welke systeemwet hem definieert: als een werknemer in de zin van de WIA die overigens in dezelfde omstandigheden verkeert als de politieke ambtsdrager, recht heeft op een bepaalde WIA-voorziening, dan heeft de politieke ambtsdrager op grond van de bepaling in het rechtspositiebesluit eveneens recht op die WIA-voorziening.
Nieuw ten opzichte van vroeger is dat in plaats van een financiële tegemoetkoming ook een voorziening in natura kan worden verstrekt door het waterschap.
Artikel 4.3.8. Eindheffingsbestanddelen
In dit artikel is een aantal vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen als eindheffingsbestanddeel aangewezen. Dit is toegelicht in §3.
De verhuiskostenvergoeding, de vergoedingen voor woon-werkverkeer en reis- en verblijfkosten, de vergoedingen van kosten in verband met scholing en loopbaanoriëntatie en mobiliteit, de verstrekking van ICT-middelen, en de verstrekking of vergoeding van WIA-voorzieningen zijn vergoedingen of verstrekkingen waar gerichte vrijstellingen voor van toepassing zijn. Daarmee komen zij niet ten laste van de vrije ruimte.
De vergoeding voor een ziektekostenverzekering en de vergoeding van belastingheffingen, zoals over de ter beschikking gestelde auto, zijn eindheffingsbestanddelen waar geen gerichte vrijstelling voor geldt en die daarmee wel ten laste van de vrije ruimte komen.
Artikel 4.4.1. Vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen door externe commissieleden
De Waterschapswet kent geen uitdrukkelijke grondslag voor het instellen van commissies waarin ook niet-leden van het algemeen bestuur kunnen zitten, maar in de praktijk bestaan dergelijke commissies wel. Deze kunnen zowel door het Algemeen Bestuur als het Dagelijks Bestuur worden ingesteld. Zo is bij de behandeling van de Wet modernisering waterschapsbestel besloten dat aan de waterschappen zelf wordt overgelaten een rekenkamerfunctie in te stellen. Veel waterschappen hebben dan ook een rekenkamercommissie, in een aantal gevallen ook met externe leden. Daarom is in het onderhavige besluit ook voor de waterschappen een artikel opgenomen over een vergoeding voor externe commissieleden. Zie ook hierboven de toelichting bij artikel 4.1.
De hoogte van de commissievergoeding is voor de waterschappen vastgesteld op een bedrag per vergadering. Dit bedrag wordt geïndexeerd.
Er is geen bevoegdheid voor het algemeen bestuur om de commissievergoeding per vergadering naar beneden bij te stellen met een bepaald percentage of op basis van presentie van gevolgde vergaderingen.
Artikel 4.4.2. Hogere vergoeding
Het algemeen bestuur kan op basis van artikel 4.4.2 een hogere vergoeding vaststellen voor een extern commissielid vanwege zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie en indien de vergoeding op basis van artikel 4.4.1, eerste lid, niet in redelijke verhouding staat tot de taak.
Artikel 4.4.3. Reiskostenvergoeding
Aan externe commissieleden worden reiskosten vergoed voor het bijwonen van commissievergaderingen en reis- en verblijfkosten voor dienstreizen. Nadere regels zijn hiervoor in artikel 4.1 van de regeling gesteld, waarbij is aangesloten bij de algemene regels krachtens artikel 4.1.7, tweede lid van het besluit.
Artikel 4.4.4. Overige vergoedingen en voorzieningen
Ook externe commissieleden hebben aanspraak op ICT-middelen, scholing, en zo nodig op de vergoeding van bewakings- en beveiligingskosten en de kosten van het lidmaatschap van een beroepsvereniging. Ook een (vergoeding van een) noodzakelijke voorziening in verband met een structurele functionele beperking moet aan een commissielid worden verstrekt; uiteraard moet deze voorziening wel proportioneel zijn. Ten slotte heeft een dergelijk commissielid ook aanspraak op de voorzieningen in verband met een beroepsziekte of een dienstongeval.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)