Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 februari 2019 nr. WJZ/1091575(8144), houdende vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond inzake een subsidie ten behoeve van de instandhouding van woonhuis-rijksmonumenten (Besluit vaststelling beleidsregels instandhoudingssubsidie woonhuis-rijksmonumenten)
Gelet op artikel 7.1 juncto artikel 7.7, tweede lid, van de Erfgoedwet en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
Besluit:
Artikel 1. Vaststellen beleidskader
Het Beleidskader instandhoudingssubsidie woonhuis-rijksmonumenten wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2. Subsidieplafond en wijze van verdeling
Voor subsidieverstrekking op grond van dit besluit is:
- a. voor activiteiten die plaatsvinden in de kalenderjaren 2019 tot en met 2022 in totaal een bedrag van ten hoogste € 200 miljoen beschikbaar;
- b. voor activiteiten die plaatsvinden in het kalenderjaar 2023 in totaal een bedrag van ten hoogste € 52,5 miljoen beschikbaar;
- c. voor activiteiten die plaatsvinden in het kalenderjaar 2024 in totaal een bedrag van ten hoogste € 52,5 miljoen beschikbaar;
- d. voor activiteiten die plaatsvinden in het kalenderjaar 2025 in totaal een bedrag van ten hoogste € 52,5 miljoen beschikbaar;
- e. voor activiteiten die plaatsvinden in het kalenderjaar 2026 in totaal een bedrag van ten hoogste € 52,5 miljoen beschikbaar;
- f. voor activiteiten die plaatsvinden in het kalenderjaar 2027 in totaal een bedrag van ten hoogste € 52,5 miljoen beschikbaar; en
- g. voor activiteiten die plaatsvinden in het kalenderjaar 2028 in totaal een bedrag van ten hoogste € 52,5 miljoen beschikbaar.
Indien het voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, niet volledig wordt uitgeput, worden de resterende middelen toegevoegd aan het beschikbare bedrag, genoemd in het eerste lid, onderdeel b. Indien een beschikbaar bedrag als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met f, niet volledig wordt uitgeput, worden de resterende middelen toegevoegd aan het beschikbare bedrag voor activiteiten die plaatsvinden in het daaropvolgende kalenderjaar.
Indien het resterende beschikbare bedrag, bedoeld in het eerste lid, in een bepaald kalenderjaar ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen toe te wijzen, wordt het in de bijlage vastgestelde subsidiepercentage verlaagd tot het hoogst mogelijke percentage waarvoor alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen binnen de grenzen van het beschikbare bedrag kunnen worden toegekend.
Artikel 3. Wijziging van het besluit
Een besluit tot wijziging van dit besluit wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat een ontwerp daarvan aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd, met uitzondering van een besluit tot wijziging dat enkel een verhoging van een subsidieplafond als bedoeld in artikel 2 behelst.
Artikel 4. Inwerkingtreding en vervaldatum
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2019.
Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2030.
Artikel 5. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidsregels instandhoudingssubsidie woonhuis-rijksmonumenten.
Beleidskader instandhoudingssubsidie woonhuis-rijksmonumenten
Deze bijlage behoort bij het Besluit vaststelling beleidsregels instandhoudingssubsidie woonhuis-rijksmonumenten.
Deze bijlage behoort bij het Besluit vaststelling beleidsregels instandhoudingssubsidie woonhuis-rijksmonumenten.
1. Aanleiding
Met ingang van 1 januari 2019 is de Wet fiscale maatregel rijksmonumenten in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet is de fiscale aftrek van uitgaven voor rijksmonumentenpanden in de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de fiscale aftrek) vervallen. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft de keuze voor het vervallen van de fiscale aftrek en het structureel toevoegen van de budgettaire middelen aan de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de instandhouding van rijksmonumenten toegelicht in de brief aan de Tweede Kamer van 22 juni 2018 (Kamerstukken II 2017/18, 32 820, nr. 248).
2. Doel
Ook met het vervallen van de fiscale aftrek blijft monumentenonderhoud onverminderd van belang. Teneinde het monumentenonderhoud met ingang van 2019 te blijven ondersteunen biedt dit beleidskader – dat is gegrond op de Kaderregeling – beleidsregels voor de verstrekking van subsidie voor de instandhouding van rijksmonumenten met een woonfunctie.
3. Doelgroep
De subsidie kan worden aangevraagd door particuliere eigenaren van rijksmonumenten met een woonfunctie. Onder een particuliere eigenaar wordt in dit beleidskader verstaan een natuurlijke persoon die een (gedeelte van een) rijksmonument in eigendom heeft, of ten aanzien waarvan hij een ander zakelijk recht heeft. Wanneer sprake is van een gedeeld zakelijk recht (zoals gedeelde eigendom of een gedeeld appartementsrecht), dan worden die eigenaren of rechthebbenden tezamen als de particuliere eigenaar aangemerkt.
De subsidie kan worden aangevraagd door particuliere eigenaren van rijksmonumenten met een woonfunctie. Onder een particuliere eigenaar wordt in dit beleidskader verstaan een natuurlijke persoon die een (gedeelte van een) rijksmonument in eigendom heeft, of ten aanzien waarvan hij een ander zakelijk recht heeft. Wanneer sprake is van een gedeeld zakelijk recht (zoals gedeelde eigendom of een gedeeld appartementsrecht), dan worden die particuliere eigenaren of rechthebbenden tezamen als de particuliere eigenaar aangemerkt.
Ook kan subsidie worden aangevraagd door aandeelhouders van een naamloze of besloten vennootschap als bedoeld in artikel 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: NSW-aandeelhouders). Het gaat hier kortgezegd om een naamloze of besloten vennootschap die een landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 19281Specifiek: een op de voet van artikel 2 van de Natuurschoonwet 1928 als landgoed aangemerkte onroerende zaak. als het belangrijkste of enige bezit heeft en waarvan de werkzaamheden uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit de instandhouding van dat landgoed (hierna: NSW-NV, respectievelijk NSW-BV). NSW-aandeelhouders kunnen alleen subsidie aanvragen indien wordt voldaan aan de fiscale eisen, genoemd in artikel 23 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. De NSW-aandeelhouders van een NSW-NV of NSW-BV die aan deze fiscale eisen voldoet kunnen op grond van dit beleidskader – naar rato van hun aandeel in de NSW-NV of NSW-BV die het landgoed in eigendom heeft – subsidie aanvragen ten behoeve van de rijksmonumenten met een woonfunctie die deel uitmaken van het landgoed. Een certificaathouder van aandelen in een NSW-NV of NSW-BV die aan de voornoemde fiscale eisen voldoet kan ook op grond van dit beleidskader subsidie aanvragen, als hij in de praktijk gelijk te stellen is aan een aandeelhouder van de NSW-NV of NSW-BV. Dit betekent dat tussen een certificaathouder en een aandeelhouder verschil in zeggenschap bestaat, maar dat de certificaathouder eenzelfde belang heeft bij de waardeontwikkeling van de aandelen als een aandeelhouder zou hebben. Waar in de volgende paragrafen van dit beleidskader van particuliere eigenaren wordt gesproken, worden daaronder ook steeds de NSW-aandeelhouders of de daaraan in de praktijk gelijk te stellen NSW-certificaathouders verstaan.
4. Uitvoerder
Dit beleidskader wordt namens de Minister voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) uitgevoerd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: de RCE). De uitbetaling geschiedt door de Stichting Nationaal Restauratiefonds (hierna: het NRF).
5. Hoogte subsidiebedrag en wijze van verdeling
In aanmerking voor subsidie komen de kosten die door particuliere eigenaren zijn gemaakt voor werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van een rijksmonument met een woonfunctie. Voor een pand met een gedeeltelijke woonfunctie komen ook de kosten voor de overige onderdelen van het pand zonder woonfunctie voor subsidie in aanmerking. Bestaat een rijksmonument uit meerdere panden, dan komen voor subsidie de instandhoudingskosten in aanmerking die betrekking hebben op de panden met een (gedeeltelijke) woonfunctie. Instandhoudingskosten ten behoeve van een tot het rijksmonument met een woonfunctie behorende tuin komen in aanmerking voor subsidie voor zover de tuin in directe relatie staat tot de woonfunctie van het pand.
In aanmerking voor subsidie komen de kosten die door particuliere eigenaren zijn gemaakt voor werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van een rijksmonument met een woonfunctie. Voor een pand met een gedeeltelijke woonfunctie komen ook kosten voor de overige onderdelen van het pand zonder woonfunctie voor subsidie in aanmerking. Bestaat een rijksmonument uit meerdere panden, dan komen voor subsidie de instandhoudingskosten in aanmerking die betrekking hebben op de panden met een (gedeeltelijke) woonfunctie. Instandhoudingskosten ten behoeve van een beschermde tuin die tot een rijksmonument met een woonfunctie behoort komen in aanmerking voor subsidie voor zover de tuin in directe relatie staat tot de woonfunctie van het pand.
Om te bepalen welke kosten subsidiabel zijn, wordt aangesloten bij de bijlage van de Subsidieregeling instandhouding monumenten (hierna: de Sim), de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten (hierna: de Leidraad). Hoofdstuk 1.1, onderdeel f, van de Leidraad is hierbij niet van toepassing. Ook hoeft er bij de aanvraag – anders dan bij de Sim – geen instandhoudingsplan te worden ingediend om voor subsidie in aanmerking te komen (zie voor de aanvraagvereisten nader paragraaf 6). Verder zijn de in de Leidraad om budgettaire redenen voor de Sim niet subsidiabel gestelde instandhoudingskosten voor groene monumenten wel subsidiabel op grond van dit beleidskader als ze betrekking hebben op de tot een rijksmonument met een woonfunctie behorende beschermde tuin. In de Leidraad wordt concreet aangegeven van welke werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen de kosten subsidiabel zijn. Hierbij geldt als algemeen uitgangspunt dat de werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen gericht dienen te zijn op maximaal behoud van monumentale waarden, in het bijzonder historische materialen en constructies, en dat de werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen sober, doelmatig en technisch noodzakelijk dienen te zijn. Men kan daarbij denken aan schilderwerk, het herstel van voegen, het repareren of vervangen van goten en afvoeren, het vervangen van kapotte dakpannen, of het herstel van scheuren in het buitenpleisterwerk. De kosten van arbeidsuren van de eigenaar of een vrijwilliger zijn niet subsidiabel (zie nader hoofdstuk 1.2, onder ‘Zelfwerkzaamheid’, en hoofdstuk 1.3, onder 01.04, van de Leidraad).
Particuliere eigenaren die in een bepaald jaar voor een rijksmonument voor meer dan € 70.000,– aan kosten subsidie aan willen vragen, kunnen voor aanvang van de werkzaamheden de RCE vragen te beoordelen van welke werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen de kosten subsidiabel zijn op grond van de Leidraad. Voor een dergelijke beoordeling is in elk geval vereist dat er voldoende inzicht wordt gegeven in de voorgenomen werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen en dat er een inspectierapport wordt ingediend. Op www.cultureelerfgoed.nl wordt een formulier geplaatst waarvan hiervoor gebruik kan worden gemaakt. Paragraaf 6 bevat de eisen die aan een inspectierapport zijn gesteld. De beoordeling door de RCE heeft het karakter van een mededeling op basis van de dan beschikbare gegevens en is derhalve niet vatbaar voor bezwaar of beroep.
De subsidie bedraagt 38% van de subsidiabele kosten. Indien het beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit vaststelling beleidsregels instandhoudingssubsidie woonhuis-rijksmonumenten, in een bepaald kalenderjaar echter ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen toe te wijzen, wordt dit subsidiepercentage verlaagd tot het hoogst mogelijke percentage waarvoor alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen binnen de grenzen van het beschikbare bedrag kunnen worden toegekend.
6. Subsidieaanvraag
Aanvragers kunnen een aanvraag indienen in de periode van 1 maart tot en met 30 april, volgend op het kalenderjaar waarin de subsidiabele kosten zijn gemaakt.2De eerste aanvraagperiode is derhalve van 1 maart tot en met 30 april 2020. Aanvragen die worden ingediend buiten de aanvraagperiode worden afgewezen. Om te bepalen in welk jaar de subsidiabele kosten zijn gemaakt, is de factuur bepalend. Uit de factuur moet blijken in welk jaar de werkzaamheden zijn uitgevoerd.
Aanvragers kunnen een aanvraag indienen in de periode van 1 maart tot en met 30 april, volgend op het kalenderjaar waarin de subsidiabele kosten zijn gemaakt. Om te bepalen of de subsidiabele kosten zijn gemaakt in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aanvraag, is de factuurdatum bepalend.
Per jaar kan een particuliere eigenaar per rijksmonument ten hoogste één aanvraag indienen. Hoewel per rijksmonument slechts eenmaal per jaar een aanvraag kan worden gedaan, kunnen in die aanvraag vanzelfsprekend wel kosten worden opgenomen die zijn gemaakt ten behoeve van meerdere werkzaamheden aan het rijksmonument in het jaar voorafgaand aan de aanvraagperiode. Een particuliere eigenaar van meer dan één rijksmonument kan voor alle rijksmonumenten één gezamenlijke aanvraag doen.
In de subsidieaanvraag dient door de aanvrager aan de hand van stukken te worden aangetoond dat de subsidiabele kosten zijn gemaakt. Hierbij is vereist dat uit de aangeleverde stukken voldoende duidelijk gespecificeerd blijkt welke kosten ten behoeve van welke instandhoudingswerkzaamheden zijn gemaakt. De aanvrager kan dit aantonen met gespecificeerde facturen van de werkzaamheden (bijvoorbeeld: facturen van aannemers, schilders, of loodgieters).
Een gespecificeerde factuur omschrijft welke werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen zijn gerealiseerd aan welke onderdelen van het rijksmonument. Facturen dienen op regelniveau gespecificeerd te zijn. Dit betekent dat ze per uitgevoerde werkzaamheid de daarbij behorende kosten van arbeid, materiaal en materieel aangeven. Een factuur met een generieke omschrijving (bijvoorbeeld een termijnfactuur) is niet voldoende. In zo’n geval dient op een andere manier te worden aangetoond welke werkzaamheden zijn verricht aan welk onderdeel van het rijksmonument, inclusief de daarbij behorende kosten van arbeid, materiaal en materieel. Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van een gespecificeerde offerte of (deel)begroting. Als in een factuur wordt verwezen naar bepaalde documenten dan dienen deze stukken ook bij de aanvraag te worden gevoegd. Bij zelfwerkzaamheid moet in de aanvraag duidelijk worden gemaakt op welke werkzaamheden aan welke onderdelen van het rijksmonument de opgevoerde kosten betrekking hebben.
Verder dienen bij de aanvraag foto’s te worden gevoegd van vóór en van na de werkzaamheden. Uit de foto’s moet duidelijk blijken welke instandhoudingswerkzaamheden zijn verricht aan welke onderdelen van het rijksmonument.
Indien kosten worden opgevoerd voor funderingsherstel, dan moet bij de aanvraag ook een funderingsonderzoek worden gevoegd waaruit de technische noodzaak van het herstel blijkt. Als er ook andere werkzaamheden zijn uitgevoerd die niet noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het rijksmonument, zoals het uitdiepen van een kelder, dan dienen de kosten te worden uitgesplitst. Alleen kosten die duidelijk herleidbaar zijn tot de voor de instandhouding noodzakelijke herstelwerkzaamheden aan de fundering kunnen subsidiabel worden gesteld.
7. Beoordeling
Bij meerdere appartementen in één rijksmonument is het mogelijk dat de werkzaamheden als geheel worden betaald door een vereniging van eigenaars, terwijl iedere afzonderlijke appartementseigenaar in de betaling indirect een aandeel heeft. In zo’n geval is het mogelijk dat de appartementseigenaar zelfstandig een aanvraag doet. Daarbij is het enkel aanleveren van gespecificeerde facturen echter niet voldoende: aan de hand van facturen kunnen immers wel de totale instandhoudingskosten worden beoordeeld, maar niet welk aandeel in die kosten voor rekening komt van de individuele appartementseigenaar. De appartementseigenaar dient in zo’n geval naast de facturen een verklaring van de vereniging van eigenaars bij te sluiten waaruit duidelijk blijkt (i) wat de totale kosten van de instandhoudingswerkzaamheden zijn, en (ii) welk aandeel van deze kosten voor zijn rekening komt.
Een NSW-aandeelhouder dient bij zijn aanvraag te verklaren dat hij aandeelhouder is van een NSW-NV of NSW-BV die voldoet aan de fiscale eisen, genoemd in artikel 23 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (zie nader paragraaf 3). Daarbij geldt – net als bij de voornoemde appartementseigenaren – dat voor een NSW-aandeelhouder die zelfstandig een aanvraag doet het enkel aanleveren van gespecificeerde facturen niet voldoende is. Een NSW-aandeelhouder dient tevens in zijn aanvraag te specificeren (i) wat de totale kosten van de instandhoudingswerkzaamheden zijn, en (ii) wat zijn aandeel is in de NSW-NV of NSW-BV, die het desbetreffende landgoed in eigendom heeft.
8. Afwijzingsgronden
Een aanvraag voor subsidie wordt afgewezen als niet wordt voldaan aan het bepaalde in dit beleidskader. Aanvragen die worden ingediend buiten de aanvraagperiode worden afgewezen.
9. Verlening, vaststelling en verantwoording
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.