Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 12 februari 2019, nr. 5252180, tot intrekking van waarderingskaders onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2019

Type Ministeriële regeling
Publication 2024-08-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Gezien de voordracht van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 13 december 2018,

Besluit:

De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte.

Artikel 1

De volgende beleidsregels worden vastgesteld:

Artikel 2

De volgende beleidsregels worden ingetrokken:

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019.

Onderzoekskader 2024

voor het toezicht op de Nederlandse scholen in het buitenland primair onderwijs

1. Inleiding

1. Inleiding

Diversiteit van het onderwijsveld

Noch de Wet op het Primair Onderwijs (WPO), noch de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO), noch de Leerplichtwet 1969 zijn formeel van toepassing. Deze laatste wet is alleen van kracht wanneer leerlingen zijn ingeschreven in de basisadministratie van een gemeente in Nederland. De Nederlandse scholen in het buitenland vallen ook niet onder de regelgeving van passend onderwijs. En ook de Vertrouwensinspectie is niet voor de Nederlandse scholen in het buitenland beschikbaar omdat daar de lokale wetgeving van kracht is.

Juridische basis

De reden hiervoor is dat het Nederlands onderwijs buitenland de aansluiting met het onderwijs in Nederland (en Vlaanderen) beoogt, zoals vastgesteld in de Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2024-2028. Continuïteit in het onderwijs voor leerlingen én continuïteit in de inrichting en de kwaliteit van de Nederlandse scholen in het buitenland en van de scholen in Nederland liggen in elkaars verlengde. Dat betekent dat de wijze waarop de inspectie de kwaliteit van het Nederlands onderwijs in het buitenland kwalificeert, vergelijkbaar dient te zijn met de wijze waarop dit in Nederland gebeurt. Dit betreft vooral de opbouw van het kader in kwaliteitsgebieden en standaarden.

De onderzoekskaders voor scholen primair en voortgezet onderwijs in Nederland onderscheiden basiskwaliteit (deugdelijkheidseisen) en aanvullende ambities. Deze deugdelijkheidseisen zijn voor de scholen in het buitenland niet rechtstreeks vanuit de sectorwetten of de Leerplichtwet 1969 toepasbaar. Omwille van de vergelijkbaarheid van kwaliteit van Nederlandse scholen in het buitenland en scholen in Nederland, hanteren we in de onderzoekskaders Nederlands Onderwijs buitenland de term ‘basiskwaliteit’, die vergelijkbaar is met de deugdelijkheidseisen zoals die voor scholen in Nederland gelden. Op de standaarden spreken we van ‘bevindingen’ of ‘waarderingen’, dit omdat de term ‘oordeel’ uitsluitend is voorbehouden aan wettelijke eisen.

Vergelijkbare kwaliteit om aansluiting van leerlingen te realiseren

Concreet betreft het aanpassingen op het punt van de bestuursgerichte benadering, het stimulerend toezicht, het kwaliteitsgebied ‘sturen, kwaliteitszorg en ambitie’, alsmede de kwalificatie ‘Zeer zwak’.

De bestuursgerichte benadering, waarbij in Nederland wordt uitgegaan van een grote mate van autonomie van besturen – maar ook van continuïteit van bestuurlijk handelen ten behoeve van vaak meerdere scholen, in relatie tot andere schoolbesturen, gemeenten en samenwerkingsverbanden – vraagt bij het Nederlands onderwijs buitenland een geheel andere invulling. De besturen van het Nederlands onderwijs in het buitenland functioneren doorgaans autonoom als zogenaamde éénpitter in een geïsoleerde omgeving. Wel vergelijkbaar is het aanspreken van het bestuur op de verantwoordelijkheid voor het in stand houden van de school en voor de kwaliteit van het onderwijs. In die zin zijn de gehanteerde standaarden van de waarderingskaders in gelijke mate van toepassing, maar worden bevindingen / waarderingen alleen gegeven op schoolniveau.

Stimulerend toezicht. De stimulerende taak van het toezicht in het buitenland komt tot uitdrukking in de waardering van de aanvullende ambities. Het richtinggevende model schoolplan van de Stichting NOB volgt, voor zover van toepassing, de opzet en indeling van het schoolplan zoals dat in Nederland van toepassing is. Evenals in Nederland geven de Nederlandse scholen in het buitenland in hun schoolplan aan wat de aanvullende ambities zijn die zij nastreven.

Aanpassingen nodig

De standaarden binnen het kwaliteitsgebied Sturing, kwaliteitszorg en ambitie (SKA) vullen we voor de Nederlandse scholen in het buitenland anders in, omdat dit beter aansluit op de situatie van deze scholen. In tegenstelling tot het waarderingskader voor de scholen in Nederland, hanteren we de volgende standaarden: Kwaliteitszorg (SKA1), Kwaliteitscultuur (SKA2) en Verantwoording en dialoog (SKA3).

We verwachten dat het bestuur middels een stelsel van kwaliteitszorg de onderwijskwaliteit op de school waarborgt, waarbij verschillende onderdelen van een goedwerkende kwaliteitszorgcyclus (het stellen van toetsbare doelen vanuit een duidelijke visie, de uitvoering van een voorgenomen kwaliteitsverbetering en de evaluatie) terugkomen. Verder heeft ook het financiële beheer -dat voorwaardelijk is voor het realiseren van goed onderwijs- binnen deze standaard een plek. Het is om die redenen dan ook logisch dat we al deze basisvoorwaarden onderbrengen onder één standaard: Kwaliteitszorg (SKA1).

Doordat we de kwaliteitszorg van een school apart waarderen, kunnen we bij de andere twee standaarden binnen dit kwaliteitsgebied een andere focus leggen; namelijk de wijze waarop een professionele kwaliteitscultuur wordt gerealiseerd (SKA2) en hoe het bestuur en de school verantwoording afleggen en de dialoog voeren (SKA3). Tot slot sluit deze afwijking van de reguliere toezichtsystematiek beter aan op de NTC-scholen die onderdeel zijn van een internationale school. Bij deze scholen kan het voorkomen dat we de standaard Kwaliteitszorg (SKA1) wel onderzoeken, maar geen waardering geven omdat de kwaliteitszorg integraal onderdeel is van de internationale school. In bepaalde situaties kunnen wij dan de andere twee standaarden (SKA 2 en 3) uit dit kwaliteitsgebied wel een waardering toekennen.

De kwalificatie ‘Zeer zwak’ is een laatste belangrijke afwijking van de reguliere toezichtsystematiek in Nederland. Bij onvoldoende kwaliteit van standaarden en van overige al dan niet wettelijke eisen (zoals bijvoorbeeld de vereisten aan de schoolgids) geeft de inspectie herstelopdrachten. Indien nodig kennen we ook de bevinding ‘Onvoldoende’ (op schoolniveau) toe. Bij de afweging sluiten we aan bij de in Nederland gehanteerde normering.

De kwalificatie ‘Zeer zwak’ is in het buitenland niet van toepassing. Indien nodig vragen we verbeterplannen en voortgangsrapportages, aan de hand waarvan we op afstand het herstel monitoren. Ook kunnen we voortgangsgesprekken voeren. Bij onvoldoende kwaliteit op schoolniveau vindt in de regel na twee jaar opnieuw een kwaliteitsonderzoek (herstelonderzoek) plaats. Indien de kwaliteit van de school als geheel dan nog niet op orde is, meldt de inspectie dit aan de Stichting NOB, hetgeen betekent dat de subsidie vanuit de Stichting NOB wordt ingetrokken. (Reglement van aansluiting Stichting NOB, artikel 10, derde lid)

Daarnaast krijgt het stimulerende element van toezicht vorm door het meedenken met het bestuur en andere betrokkenen over oplossingen die de specifieke situatie vereist. Dat geldt met name voor het NTC-onderwijs, dat verreweg het grootste aandeel van het Nederlands onderwijsaanbod in het buitenland vormt. Doordat de inspecteurs op NTC-scholen in heel verschillende omstandigheden en op heel verschillende locaties komen, kennen zij de voor die situatie gekozen problemen en oplossingen. Dat maakt hun een waardevolle gesprekspartner voor de besturen, directies en schoolteams, die vaak maar korte tijd op de betreffende locatie verblijven. Ook de kennis van (de veranderingen van) het onderwijs en van de regelgeving in Nederland is voor besturen, directies en schoolteams in het buitenland relevant.

In dit hoofdstuk beschrijven we het waarderingskader. We beschrijven de opbouw van het kader (paragraaf 2.1). In paragraaf 2.2 is vervolgens het waarderingskader opgenomen voor de dagscholen en NTC-scholen en instellingen voor afstandsonderwijs. Daarbij hanteren we als uitgangspunt in de beschrijving van de standaard de kwaliteitseisen aan het NTC- en afstandsonderwijs. Indien van toepassing is er per standaard een aanvulling voor het dagonderwijs. In paragraaf 2.3 komen aspecten van naleving aan de orde. Waar van toepassing zijn deze aspecten van naleving aanvullend gebaseerd op de aansluitingsvoorwaarden van de Stichting NOB.

De kwalificatie ‘zeer zwak’ is in het buitenland niet van toepassing.

In het waarderingskader onderscheiden we vier kwaliteitsgebieden: Onderwijsproces, Veiligheid en Schoolklimaat, Onderwijsresultaten en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie.

2. Het waarderingskader

Iedere standaard binnen het kwaliteitsgebied is op grond van basisvoorwaarden geoperationaliseerd. Deze basisvoorwaarden zijn afgeleid van de deugdelijkheidseisen zoals die in de Wet Primair onderwijs zijn opgenomen (WPO).

2.1. Opbouw van het waarderingskader

Het waarderingskader primair onderwijs kent de volgende opbouw.

Met het waarderingskader krijgen we zicht op de drie elementaire vragen over de betekenis van het onderwijs voor leerlingen: leren ze genoeg (Onderwijsresultaten), krijgen ze goed les (Onderwijsproces) en zijn ze veilig (Schoolklimaat). De standaarden in deze drie gebieden geven gezamenlijk de kern van het onderwijs weer zoals de leerling dat ontvangt.

Het onderwijs in basisvaardigheden bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving.

De school heeft voor het onderwijs in de basisvaardigheid Nederlandse taal (mondelinge taalvaardigheid, lezen, schrijven, begrippenlijst en taalverzorging) een doelgericht en samenhangend curriculum dat past bij de leerlingenpopulatie van de school. Het aanbod sluit aan op het niveau van de leerlingen bij binnenkomst van de school, wordt afgestemd op de onderwijsbehoeften die kenmerkend zijn voor de leerlingenpopulatie en bereidt hen voor op de doelen die er vanuit de referentieniveaus gesteld zijn en het taalaanbod bij het vervolgonderwijs in Nederland en Vlaanderen.

Voor Nederlandse taal is de inhoud van het curriculum tenminste dekkend voor de kerndoelen en werkt het toe naar de referentieniveaus. Het curriculum kent een logisch doorlopende opbouw van doelen en bereidt leerlingen voor op de volgende leerjaren, het vervolgonderwijs en de samenleving. De uitvoering van het curriculum is herkenbaar in de onderwijspraktijk.

Burgerschap richt zich tenminste op bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en de kennis, houdingen en vaardigheden die daarbij van belang zijn. Dat geldt evenzo voor de sociale en maatschappelijke competenties die nodig zijn in de pluriforme democratische samenleving, en de kerndoelen die daaraan gerelateerd zijn. Op de Nederlandse taal- en cultuurscholen in het buitenland ligt de focus hierbij meer specifiek op de Nederlandse en Vlaamse cultuur.

Aanvulling specifiek voor volledig dagonderwijs:

2.2. Standaarden van het waarderingskader Primair Onderwijs Nederlands onderwijs buitenland

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

STANDAARD OP1 – AANBOD

Te denken valt aan:

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en samenleving.

De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving. Zij biedt een breed en op de kerndoelen gebaseerd aanbod. Onder aanbod verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Het aanbod van de school is afgestemd op de leerlingenpopulatie en sluit aan bij het (beoogde) (taal)niveau en de onderwijsbehoeften van de leerlingen. Het aanbod wordt waar nodig gedurende de schoolloopbaan verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Het aanbod is doelgericht, samenhangend en herkenbaar. Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld.

Zijn er aanvullende ambities voor het aanbod en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Te denken valt aan:

De school volgt de ontwikkeling van de leerlingen en biedt waar nodig passende begeleiding en (extra) ondersteuning.

De school verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van leerlingen op het taaldomein. Het verzamelen van (toets)informatie gebeurt systematisch en zorgvuldig en met behulp van genormeerde toetsen. Voor het verzamelen en vastleggen van (toets)informatie gebruikt de school een leerling- en onderwijsvolgsysteem. De school vergelijkt de informatie met de verwachte ontwikkeling van de leerling, waarbij voor taal in ieder geval de referentieniveaus taal als uitgangspunt gelden. Dit maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen. Het stelt de school in staat zorg te dragen voor de ontwikkeling en begeleiding van de leerling. De school heeft daarbij hoge verwachtingen van leerlingen. De school waarborgt daarmee voor leerlingen de ononderbroken ontwikkeling en voortgang daarin en heeft daarbij oog voor de bevordering van gelijke kansen. De school informeert ouders regelmatig over de ontwikkeling en vorderingen van hun kind.

Wanneer individuele of groepen leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, analyseert de school waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er nodig is om op eventuele achterstanden of voorsprongen in de ontwikkeling van leerlingen in te spelen. De school biedt de begeleiding vervolgens gestructureerd aan. De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen.

STANDAARD OP2 – ZICHT OP ONTWIKKELING

Bovenstaande geldt behalve voor het kennisgebied taal ook voor het kennisgebied rekenen-wiskunde. Naast de basisvaardigheden volgt de volledige dagschool ook overige kennis- en ontwikkelingsgebieden met zelf te bepalen instrumenten en/of werkwijzen.

De school heeft in het schoolplan en de schoolgids vastgelegd of de school onderwijs kan bieden aan leerlingen met een laag niveau wat betreft de Nederlandse taal en welke voorzieningen de school dan kan bieden. Voor de leerlingen die dit nodig hebben, legt de school in het ontwikkelingsperspectief vast hoe zij het onderwijs afstemt op de behoefte van de leerling. De school voert de geplande ondersteuning uit. De inhoud en uitvoering van dit plan wordt minimaal eenmaal per schooljaar met de ouders geëvalueerd.

Zijn er aanvullende ambities voor zicht op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Te denken valt aan:

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen en draagt eraan bij dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

De leraren creëren in hun lessen een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor de leerlingen zich veilig voelen en actief betrokken zijn. De leraren tonen hoge verwachtingen van alle leerlingen. Zij zorgen voor een ordelijk verloop van de les en benutten de lestijd efficiënt. De leraren maken het lesdoel duidelijk. Zij monitoren tijdens de les of de leerlingen het beoogde lesdoel al dan niet halen en passen hun onderwijs waar nodig aan. De leraren leggen de lesstof duidelijk uit en geven de leerlingen voldoende tijd om te oefenen met de lesstof. Zij stemmen daarbij de instructie, de verwerking en het tempo van hun onderwijs af op de onderwijsbehoeften van individuele en groepen leerlingen. De leraren geven hun leerlingen gerichte feedback op hun gemaakte werk en op hun leerproces. Zij stimuleren de leerlingen na te denken over hun eigen ontwikkeling.

STANDAARD OP3 – DIDACTISCH HANDELEN

Te denken valt aan:

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken.

De school biedt een programma aan met voldoende2Voldoende onderwijstijd:– ingeval van NTC-onderwijs 120 uur onderwijstijd per jaar in Nederlandse taal en cultuur– ingeval van volledig dagonderwijs de in de Wet op het primair onderwijs respectievelijk de Wet op het voortgezet onderwijs 2020 opgenomen criteria voor de minimale jaarlijkse onderwijstijd– ingeval van individueel online onderwijs tenminste 20 uur per jaar directe contacttijd tussen leraar en leerling onderwijstijd. De school stelt vast welke activiteiten onder de onderwijstijd vallen. De school plant de onderwijsactiviteiten weloverwogen over het schooljaar en deze worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van bevoegde3voor dagonderwijs PO: bevoegdheden geldend zoals in Nederlandvoor NTC, mimimaal één leraar met:– bevoegdheid voor PO– eventueel behaald via het bekwaamheidstraject van de Stichting NOBZie verder Reglement van aansluiting Stichting NOB leraren. De uitval van geplande onderwijsactiviteiten blijft beperkt.

De school verdeelt de tijd zo over de verschillende taalgebieden dat leerlingen in staat zijn het volledige taalprogramma tot zich te nemen. De school heeft beleid om verzuim van leerlingen tegen te gaan, zodat ook op leerlingniveau gestreefd wordt de onderwijstijd te behalen.

Aanvulling specifiek voor volledig dagonderwijs:

STANDAARD OP4 – (EXTRA) ONDERSTEUNING(optioneel, alleen dagonderwijs)

Zijn er aanvullende ambities voor de onderwijstijd en (hoe) worden deze gerealiseerd?

Te denken valt aan:

De afsluiting van het onderwijs verloopt zorgvuldig.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.