Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 1 april 2019, nr. 2387622, tot vaststelling van beleidsregels op het gebied van particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019)
De Minister van Justitie en Veiligheid;
Besluit:
Voorliggende beleidsregels hebben betrekking op de uitvoering van de Wet- en Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de wet en de regeling), door de Minister van Justitie en Veiligheid, de korpschef van de politie en de Commandant van de Koninklijke Marechaussee.
Toepasselijkheid Wet
1. Vergunningplicht
1.1. Beveiligingsorganisatie
Relevante artikelen: artikel 1, eerste lid, onder c en d, artikel 2 en 3 van de wet; artikel 11b van de Regeling
Voor de vraag of sprake is van een vergunningplichtige beveiligingsorganisatie is, naast de definitie van artikel 1 onder d van de wet, van belang of door deze organisatie beveiligingswerkzaamheden worden verricht zoals genoemd in artikel 1 onder c van de wet. Indien aan beide definities wordt voldaan dan dient een dergelijke organisatie een vergunning aan te vragen om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten. Daarbij dient gekeken te worden onder welke in artikel 3 van de wet genoemde categorieën beveiligingsorganisaties men valt, zodat de op die categorie van toepassing zijnde vergunning wordt aangevraagd en verstrekt. Aldus kunnen er eisen worden gesteld ten aanzien van de inrichting, het personeel en de apparatuur, welke zijn toegespitst op de specifieke beveiligingswerkzaamheden die per categorie worden verricht.
Als voorbeeld kan de categorie particuliere alarmcentrales worden genoemd, waarvan in artikel 3 onder b van de wet een definitie is gegeven. Beveiligingswerkzaamheden worden door deze beveiligingsorganisaties verricht doordat zij door middel van alarmapparatuur in een centraal alarmmeldpunt signalen ontvangen en beoordelen, en indien nodig, assistentie inschakelen.
Een nieuwe categorie betreft bedrijven die door middel van (slimme) videocamera’s min of meer dezelfde beveiligingswerkzaamheden verrichten als de particuliere alarmcentrales. Met behulp van deze videotoezichtcentrales worden onder meer gebouwen en bedrijventerreinen, maar ook woningen bewaakt. Deze bedrijven verrichten derhalve beveiligingswerkzaamheden, maar vallen gelet op hun werkzaamheden, niet onder de categorie zoals gedefinieerd in artikel 3 onder b van de wet. Dergelijke bedrijven vallen onder de restcategorie zoals gedefinieerd in artikel 3 onder e van de wet en dienen derhalve over een vergunning te beschikken in de zin van de wet. Videotoezichtcentrales dienen aan de in artikel 11 b van de Regeling gestelde eisen te voldoen.
1.2. Recherchebureau
Relevante artikelen: artikel 1, eerste lid, onder e en f, artikel 2 van de wet.
Recherchewerkzaamheden kunnen raken aan de persoonlijke levenssfeer van burgers. Het gaat daarbij immers om het vergaren en analyseren van gegevens van personen. De reden tot het stellen van regels voor recherchebureaus ligt daarom voor een groot deel in het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van de personen wiens gegevens worden verwerkt. Daarbij spelen aspecten zoals het belang van wettelijke waarborgen voor de betrouwbaarheid van het personeel van deze organisaties, een correcte presentatie tegenover opdrachtgevers en burgers en een goede afstemming met de politie een belangrijke rol.
Volgens de systematiek van de wet is voor de vraag of een bedrijf een recherchebureau is en derhalve vergunningplichtig is, van belang of er door het desbetreffende bedrijf recherchewerkzaamheden worden verricht of aangeboden in de hoedanigheid van een recherchebureau, zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onder e en f van de wet.
Of een bedrijf een recherchebureau is en derhalve vergunningplichtig is, wordt bepaald door:
Werkzaamheden die het karakter dragen van het vergaren en analyseren van gegevens, zoals genoemd in artikel 1, eerste lid, onder e van de wet, worden derhalve gezien als recherchewerkzaamheden. Het is niet van betekenis in welke vorm de gegevens worden vergaard of geanalyseerd. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt in het onderzoek in openbare of gesloten bronnen. Ook is daarbij niet van belang dat de gegevens desgevraagd door de betrokken persoon zelf vrijwillig ter beschikking worden gesteld.
De handeling van het plaatsen van de gegevens in een rapport valt ook onder het analyseren van gegevens. Het bedrijf moet immers de verzamelde gegevens bekijken en bepalen wat in het rapport wordt opgenomen.
De wet is niet slechts van toepassing op natuurlijke personen of rechtspersonen die het verrichten van recherchewerkzaamheden als primaire taak of doelstelling hebben. Ook organisaties waar recherchewerkzaamheden slechts een onderdeel vormen van het geheel aan werkzaamheden vallen voor dat onderdeel onder de wet en dienen daarvoor een vergunning aan te vragen. Daarbij kunnen zij de vergunningaanvraag beperken tot dat gedeelte van hun werkzaamheden en dat onderdeel van hun bedrijf dat recherchewerkzaamheden verricht.
Personen of (onderdelen van) bedrijven die in opdracht van derden integriteitsrisicoanalyses of pre-employment checks doen zijn, indien aan de genoemde definities wordt voldaan, vergunningplichtig. Dat geldt eveneens voor personen of organisaties die onderzoek doen naar Cybercrime, zoals computerhacks, voor zover het onderzoek (tevens) gericht is op personen.
1.3. Zelfstandige zonder personeel
Voor een zelfstandige zonder personeel (zzp) geldt dat deze een vergunning nodig heeft als hij ook als een zelfstandige particuliere beveiligingsorganisatie of als zelfstandig recherchebureau opereert. Als een zzp’er enkel en alleen als beveiliger onder de verantwoordelijkheid van de inhurende beveiligingsorganisatie zijn werkzaamheden verricht of als rechercheur onder de verantwoordelijkheid van het inhurende recherchebureau, vallen de werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van die beveiligingsorganisatie of recherchebureau (die reeds in het bezit is van een vergunning) en is een aparte vergunning voor de zzp’er niet nodig. In lijn met de Wet geldt dat wanneer er beveiligings- en recherchewerkzaamheden worden verricht door middel van de instandhouding van respectievelijk een beveiligingsorganisatie of recherchebureau, de verantwoordelijke beveiligingsorganisatie of recherchebureau over een daarvoor bestemde vergunning dient te beschikken.
2. Vergunningprocedure
2.1. Aanvraag of verlenging vergunning
Relevante artikelen: artikel 2, eerste lid, artikel 3 en artikel 4 van de wet.
Verzoeken om een vergunning of verlenging van een vergunning van particuliere beveiligingsorganisaties of recherchebureaus, als bedoeld in artikel 4 van de wet, worden rechtstreeks bij de Dienst Justis, Afdeling Verlening en Toetsing ingediend. Bij de aanvraag wordt gebruik gemaakt van een daarvoor bestemd aanvraagformulier en worden de in het formulier genoemde gegevens en bescheiden overgelegd.
Voor het verlenen dan wel verlengen van een vergunning worden door de Minister van Justitie en Veiligheid inlichtingen en advies ingewonnen bij de korpschef. Bij een positieve beslissing op het verzoek wordt een afschrift van de vergunning gezonden aan de korpschef.
Een vergunning wordt verleend dan wel verlengd, voor een periode van vijf jaar. Indien hiertoe aanleiding bestaat, kan ervoor gekozen worden een vergunning voor een kortere duur dan vijf jaren te verlenen dan wel te verlengen.
2.2. Elektronische aanvraag
Aanvragen van een vergunning dan wel verlenging van een vergunning voor het in stand houden van een particuliere alarmcentrale of een particulier recherchebureau kunnen, omdat deze onder de werking van de Dienstenwet vallen, elektronisch via het Dienstenloket (www.ondernemersplein.nl), worden ingediend. Dat geldt eveneens voor andersoortige aanvragen die met vergunningen als deze samenhangen, bijvoorbeeld een aanvraag om ontheffing van een opleidingseis voor een alarmcentralist of een particulier rechercheur.
3. Toestemming personeel en leidinggevenden
Relevante artikelen: artikel 7 van de wet; artikelen 5, 7, 7a, 8, 9, 10, 11a, 11b, 24 derde lid en 26, van de regeling.
3.1. Toestemming personeel
In artikel 7 van de wet is opgenomen dat een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau geen personen te werk mag stellen voordat voor deze personen toestemming is verkregen van de korpschef.
In de praktijk zal de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau zich voor de toestemming moeten wenden tot de politiechef in de regionale eenheid waar de organisatie of het bureau is gevestigd, daar deze bevoegdheid door de korpschef aan de politiechefs van de regionale eenheden is gemandateerd. Bij de aanvraag wordt gebruik gemaakt van een daarvoor bestemd aanvraagformulier en worden de in het formulier genoemde gegevens en bescheiden overgelegd.
Toestemming is vereist voor al het personeel van een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau en dus niet uitsluitend voor het personeel dat beveiligings- of recherchewerkzaamheden verricht.
De toestemming wordt door de korpschef onthouden als de betrokkene niet beschikt over de betrouwbaarheid en bekwaamheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. De toestemming wordt verleend voor een periode van drie jaar. Indien hiertoe aanleiding bestaat, kan ervoor gekozen worden de toestemming voor een kortere duur dan drie jaren te verlenen.
3.2. Toestemming leidinggevenden
Voor leidinggevend personeel vindt een extra, ministeriële, controle plaats. Deze wordt gerechtvaardigd doordat de leidinggevende de mogelijkheid heeft het functioneren van het personeel en het bedrijf te beïnvloeden. Hij kan het personeel in het kader van de uitoefening van de functie aanwijzingen en opdrachten geven. De toestemming is dan ook niet alleen vereist voor de formele leidinggevende, maar ook voor de persoon die feitelijk het beleid met betrekking tot het personeel en het bedrijf bepaalt.
De toestemming voor leidinggevenden wordt door de Minister van Justitie en Veiligheid verleend. Bij vergunningaanvragen dient aangegeven te worden wie als leidinggevenden in het bedrijf zullen functioneren. Een vergunning zal pas verleend kunnen worden als ook toestemming voor de leidinggevende wordt verleend. Zonder leiding kan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau niet functioneren. Bij de toets van de leidinggevende zullen de betrouwbaarheid en bekwaamheid van de betrokken persoon worden beoordeeld.
De beoordeling vindt plaats binnen het hierna onder paragraaf 3.3 en 3.4 genoemde kader, waarbij in het bijzonder zal worden bezien of er omtrent betrokkene relevante feiten bekend zijn op grond waarvan kan worden aangenomen dat hij niet voldoende betrouwbaar of bekwaam is om leiding te geven aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau. In de beoordeling van de bekwaamheid wordt het curriculum vitae van de leidinggevende(n) betrokken.
De toestemming voor leidinggevenden wordt verleend voor een periode van vijf jaren. Indien hiertoe aanleiding bestaat, kan ervoor gekozen worden de geldigheidsduur van de toestemming voor een kortere duur dan vijf jaar te verlenen. Als de leidinggevende zelf ook beveiligingswerkzaamheden of recherchewerkzaamheden verricht is tevens toestemming van de korpschef dan wel de Commandant van de Koninklijke Marechaussee vereist. Voor deze toestemming geldt hetzelfde met betrekking tot de betrouwbaarheid en bekwaamheid van personeel zoals beschreven in onderdeel 3.3. en 3.4.
3.3. Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden
De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:
De persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd mag op het moment van de aanvraag niet:
Wanneer de aanvrager gedurende de voor zijn aanvraag relevante terugkijktermijn enige tijd een vrijheidsstraf heeft ondergaan wordt de van toepassing zijnde terugkijktermijn (telkens) vermeerderd met de feitelijke duur van de vrijheidsbeneming. Dit totdat de termijn bestaat uit in totaal vier dan wel acht jaren, waarin geen sprake is geweest van een vrijheidsbenemende straf. De betrokkene heeft immers gedurende de duur van de vrijheidsbenemende straf niet kunnen laten zien dat hij geen (relevante) strafbare feiten meer zal plegen.
Een transactie met het Openbaar Ministerie en een strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie of door een opsporingsambtenaar, worden gelijk gesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
Om te bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terugkijktermijn valt wordt als uitgangspunt
genomen de datum van rechterlijke uitspraak in eerste aanleg.
Een veroordeling in het buitenland, wegens overtreding van een aldaar geldende strafbepaling, wordt gelijk gesteld met een veroordeling in Nederland voor zover het feit ook in Nederland strafbaar is gesteld.
De korpschef, de Commandant van de Koninklijke Marechaussee, of de Minister van Justitie en Veiligheid, in het geval van een leidinggevende of een organisatie of recherchebureau zonder vestiging in Nederland, kan van de hiervoor onder 1 en 2 bepaalde termijnen afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.
Met betrekking tot rechterlijke uitspraken die niet tot een veroordeling hebben geleid, kan gedacht worden aan zaken waarbij het tot een vrijspraak is gekomen wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Die situatie zal in het algemeen minder snel aanknopingspunten bieden om een toestemming te weigeren. Een vrijspraak wil echter niet zonder meer zeggen dat de verdachte het feit niet heeft gepleegd, maar dat de rechter niet voldoende bewezen acht dat de verdachte het feit gepleegd heeft. De korpschef kan in bepaalde gevallen ook na een vrijspraak nog altijd reden hebben om de persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd niet betrouwbaar te achten. In het algemeen is het wel zo dat een vrijspraak extra zware eisen zal stellen aan de motivering van de weigering van de toestemming.
De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.
Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat.
Ook sepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Hierbij dient de aard van het sepot in ogenschouw te worden genomen. Een technisch sepot, bijvoorbeeld wegens onvoldoende bewijs, zal bij de beoordeling naar de betrouwbaarheid een minder grote rol spelen dan een sepotbeslissing die op beleidsmatige gronden is genomen. In het geval dat een sepot wordt meegenomen in de beoordeling, wordt voor wat betreft de terugkijktermijn als uitgangspunt genomen de datum waarop het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen de zaak te seponeren.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.