Regeling werkwijze en bevoegdheden Inspectie Veiligheid Defensie

Type Ministeriële regeling
Publication 2019-04-19
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Besluit:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2

De inspectie is belast met:

Artikel 3
1.

De dagelijkse leiding van de inspectie berust bij de Inspecteur-Generaal.

2.

De Inspecteur-Generaal stelt een protocol vast over de wijze waarop de inspectie haar onderzoeken uitvoert en maakt dit protocol bekend in de Staatscourant.

Artikel 4

De Inspecteur-Generaal wijst inspecteurs aan, belast met toezichtactiviteiten en onderzoeken op het gebied van veiligheid.

Artikel 5
1.

Bij de uitoefening van zijn taak draagt een inspecteur een legitimatiebewijs bij zich, dat is uitgegeven door de Inspecteur-Generaal.

2.

Het legitimatiebewijs bevat een foto van de inspecteur en vermeldt in ieder geval naam en functie.

3.

Een inspecteur toont het legitimatiebewijs desgevraagd

Artikel 6

De Inspecteur-Generaal en de door hem als inspecteur aangewezen ambtenaren hebben in het kader van hun taak en op vertoon van hun in artikel 5 genoemde legitimatiebewijs onbelemmerd toegang tot alle locaties in beheer bij het Ministerie van Defensie. Zij zijn in het kader van hun taak bevoegd om:

Artikel 7
1.

Medewerkers van het Ministerie van Defensie zijn verplicht de door de inspectie verlangde medewerking te verlenen, voor zover deze samenhangt met hun ambtelijke taak.

2.

Zij die uit hoofde van hun ambt of een wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.

Artikel 8

De Minister stelt de inspectie in een vroegtijdig stadium in de gelegenheid een toets op de uitvoerbaarheid van toekomstig beleid en de handhaafbaarheid van ontwerp-regelgeving op het gebied van veiligheid uit te voeren.

Artikel 9
1.

De Minister kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de Inspecteur-Generaal.

2.

Een aanwijzing wordt uitsluitend in schriftelijke vorm gegeven.

3.

Een algemene aanwijzing wordt in de Staatscourant geplaatst.

4.

Een bijzondere aanwijzing wordt door de Minister onverwijld aan de Staten-Generaal gezonden.

5.

Een bijzondere aanwijzing ziet niet op:

6.

Een aanwijzingsbevoegdheid wordt niet gemandateerd.

Artikel 10
1.

Bij de uitoefening van de taken van de inspectie kan de Inspecteur-Generaal vorderen dat overige medewerkers van het Ministerie van Defensie tijdelijk aan een onderzoeksteam van de inspectie worden toegevoegd.

2.

Tevens kan de Inspecteur-Generaal andere inspectiediensten binnen het Rijk verzoeken om medewerking en personele ondersteuning. De Inspecteur-Generaal behoudt in die gevallen de leiding van het onderzoek.

3.

In gevallen waarin de Onderzoeksraad voor Veiligheid een onderzoek instelt naar een voorval als bedoeld in artikel 2, onder b, doet de Inspecteur-Generaal, indien hij onderzoek instelt naar dit zelfde voorval, voorafgaand aan zijn onderzoek hiervan mededeling aan de voorzitter van de onderzoeksraad.

4.

In geval van een onderzoek naar een voorval waarbij tevens sprake is van betrokkenheid van materieel, personeel of voorzieningen van één of meer andere staten, aangesloten bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, stelt de inspectie vertegenwoordigers van die staat of staten in de gelegenheid aan het onderzoek deel te nemen.

Artikel 11

Indien bij de uitoefening van hun taken medewerkers van de inspectie de beschikking krijgen over gegevens waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden, zijn zij verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens in gevallen waarbij zij bij of krachtens enig wettelijk voorschrift tot mededeling zijn verplicht. De geheimhoudingsplicht geldt evenzeer voor personen die in het kader van toezicht of onderzoek aan medewerkingsplicht zijn onderworpen of uit anderen hoofde kennis dragen van feiten of gegevens betreffende toezicht of onderzoek door de inspectie.

Artikel 12
1.

Na afloop van ieder onderzoek maakt de inspectie een rapport op waarin haar bevindingen worden vastgelegd en conclusies en aanbevelingen worden geformuleerd. Het rapport wordt door de Inspecteur-Generaal vastgesteld en aangeboden aan de Minister.

2.

De Inspecteur-Generaal maakt het rapport, bedoeld in het eerste lid, openbaar, tenzij een wettelijke grond of een volkenrechtelijke overeenkomst hieraan in de weg staat; in die gevallen wordt het rapport niet of slechts gedeeltelijk openbaar gemaakt.

3.

Persoonsgegevens worden niet openbaar gemaakt, tenzij openbaarmaking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

4.

Alvorens het rapport openbaar wordt gemaakt, geeft de Inspecteur-Generaal de Minister de gelegenheid tot het formuleren van een beleidsreactie. Indien de Minister besluit om een beleidsreactie op te stellen, wordt deze tegelijk met het rapport openbaar gemaakt. De openbaarmaking wordt hiertoe ten hoogste zes weken aangehouden.

5.

Bij langdurige onderzoeken kan de Inspecteur-Generaal een tussenrapportage vaststellen.

Artikel 13

Onverminderd het bepaalde in artikel 12 informeert de Inspecteur-Generaal zo nodig de beleidsinhoudelijk verantwoordelijke ministers rechtstreeks over zijn bevindingen, oordelen, adviezen en andere relevante gegevens.

Artikel 14

Op verzoek van de Inspecteur-Generaal informeren de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Defensie, de Commandant der Strijdkrachten of de onder hen ressorterende dienstonderdelen hem over de wijze waarop de aanbevelingen en maatregelen die uit de onderzoeken voortvloeien, worden uitgevoerd en geïmplementeerd.

Artikel 15
1.

De Inspecteur-Generaal stelt jaarlijks een concept-werkprogramma op, waarin de geplande activiteiten respectievelijk onderzoeken voor het volgende kalenderjaar worden vastgelegd.

2.

De Inspecteur-Generaal stelt het werkprogramma jaarlijks vóór 1 december vast en zendt het toe aan de Minister en aan andere beleidsinhoudelijk verantwoordelijke ministers. Het programma behoeft hun goedkeuring, of gedeeltelijke goedkeuring voor zover het hun verantwoordelijkheid betreft. Na goedkeuring biedt de Minister het programma aan de Staten-Generaal aan.

3.

Bij tussentijdse wijziging van het werkprogramma is het tweede lid van overeenkomstige toepassing, tenzij het een wijziging betreft van ondergeschikte aard.

Artikel 16
1.

De Inspecteur-Generaal stelt jaarlijks een verslag op van de activiteiten van de inspectie in het voorgaande jaar. Ook legt hij verantwoording af over de werkzaamheden, zo nodig met aanbevelingen ter verbetering.

2.

De Inspecteur-Generaal biedt het verslag jaarlijks vóór 1 mei aan de Minister en, indien van toepassing, aan de andere beleidsinhoudelijk verantwoordelijke ministers aan. De Minister zendt het verslag, mede namens de andere beleidsinhoudelijk verantwoordelijke ministers, door aan de Staten-Generaal. De Minister en de andere beleidsinhoudelijke verantwoordelijke ministers kunnen het verslag zo nodig voorzien van een reactie, die gelijktijdig wordt meegezonden.

Artikel 17

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 15 oktober 2018.

Artikel 18

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling werkwijze en bevoegdheden Inspectie Veiligheid Defensie.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.