Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 23 april 2019, nr. PO/7456625, houdende de mandatering van de directeur van de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (Mandaatbesluit Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019)

Type Ministeriële regeling
Publication 2020-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 10:3, 10:4 en 10:6 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 2 en 11 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008;

Gezien de instemming van het bestuur en de directeur-bestuurder van de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland;

Besluit:

Treedt in werking op het tijdstip dat de Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019–2023 in werking treedt.

Artikel 1. Begripsbepaling

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2. Mandaat en volmacht

Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van volmacht om in naam van de minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten.

Artikel 3. Werkgeverschap
1.

Aan de directeur van de stichting wordt mandaat verleend voor het werkgeverschap van het aan de Europese scholen gedetacheerd personeel.

2.

Dit werkgeverschap omvat in ieder geval het aangaan en beëindigen van arbeidsovereenkomsten met het personeel, het voeren van Decentraal Georganiseerd Overleg over de rechtstoestand van het personeel en het nemen van overige besluiten alsmede het vaststellen van beleidsregels in het kader van de arbeidsvoorwaarden van het personeel, met inachtneming van de rol van de toezichthouders.

3.

De stichting biedt ondersteuning aan de minister bij eventuele procedures voortvloeiend uit het werkgeverschap op grond van de Algemene wet bestuursrecht.

4.

Ten aanzien van het aantal aan de Europese scholen in dienst genomen personeelsleden hanteert de stichting de volgende uitgangspunten:

Artikel 4. Europese School Bergen

Aan de directeur van de stichting wordt mandaat verleend voor het beheren van de middelen die jaarlijks op de Rijksbegroting zijn bestemd voor het groot onderhoud van de Europese School te Bergen alsmede een deel van de personele kosten en materiële kosten als bedoeld in de ‘Overeenkomst betreffende het functioneren van de Europese School in Nederland’ (Trb 1970, 95).

Artikel 5. Bedrag en wijze van bevoorschotting
1.

De hoogte van het voorschot voor de activiteiten bedoeld in de artikelen 3 en 4 wordt voorafgaand aan het boekjaar aan de hand van de door de stichting ingediende begroting vastgesteld.

2.

Het voorschot voor de activiteiten bedoeld in de artikelen 3 en 4 wordt in gelijke maandelijkse termijnen betaald.

3.

Voor de activiteiten bedoeld in artikel 4 is voor de jaren 2019 tot en met 2023 een totaalbedrag beschikbaar van maximaal € 1.500.000,–.

4.

De berekening van de vergoeding van de kosten voor het jaar 2024 en volgende wordt aan het einde van de periode, bedoeld in het derde lid, nader bepaald.

Artikel 6. Aanvraag, betaling en afrekening
1.

De stichting dient uiterlijk 6 weken voor aanvang van het kalenderjaar een overzicht in van de kosten in het daarop volgende kalenderjaar. Dit bevat in ieder geval een overzicht van het aantal formatieplaatsen op de Europese scholen op 1 oktober van het kalenderjaar waarin de begroting wordt ingediend.

2.

De stichting dient uiterlijk 22 weken na afloop van het kalenderjaar een overzicht in van de daadwerkelijke kosten. Dit bevat in ieder geval een overzicht van het definitieve aantal formatieplaatsen op de Europese scholen op 1 oktober van het kalenderjaar t-1 en een overzicht van de salariskosten op basis van jaaroverzichten uit het salarissysteem, kosten van noodzakelijke scholing en begeleiding personeel, dotatie voor een bestemde reserve, voor zover deze risico’s niet worden gedekt door Participatiefonds en Vervangingsfonds of andere daarvoor ontwikkelde fondsen of voorzieningen en verhuiskosten en buitenlandtoelage op basis van jaaroverzichten uit het salarissysteem.

3.

De gegevens bedoeld in het eerste en het tweede lid, mogen aangeleverd worden als onderdeel van de begroting en het financieel verslag dat de stichting jaarlijks indient vanwege de subsidie die zij ontvangt op grond van de Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019–2023 met dien verstande dat de gegevens die betrekking hebben op de activiteiten die op grond van dit besluit worden verricht daarbinnen herkenbaar zijn opgenomen in een afzonderlijk hoofdstuk.

Artikel 7. Controleverklaring

Het overzicht van de daadwerkelijke kosten bedoeld in artikel 6, tweede lid, is voorzien van een controleverklaring opgesteld door een accountant overeenkomstig een door de minister vastgesteld model met inachtneming van het door de minister vastgestelde accountantsprotocol, bekend gemaakt op de website www.rijksoverheid.nl.

Artikel 8. Eindafrekening

Op basis van het totaal van de werkelijke kosten van het betreffende jaar, zoals blijkt uit de financiële verantwoording, kan de minister besluiten eventueel teveel betaalde gelden terug te vorderen.

Artikel 9. Ondermandaat

Het verlenen van ondermandaat van de in dit besluit gemandateerde bevoegdheden is toegestaan.

Artikel 10. Intrekking

Het Mandaatbesluit Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland wordt ingetrokken.

Artikel 11. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip dat de Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019–2023 in werking treedt.

Artikel 12. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.