Verzamelbesluit Lijfrenten
In de praktijk doen zich situaties voor waarin iemand die de AOW-gerechtigde leeftijd al heeft bereikt, gerechtigd wordt tot een nabestaandenlijfrente. Het kan hierbij gaan om situaties waarin de overleden verzekerde persoon bijvoorbeeld een kind is en de gerechtigde een ouder is. Verzekeraars bieden in sommige gevallen geen lijfrenteverzekering meer aan als de gerechtigde tot de lijfrenteverzekering een dusdanig hoge leeftijd heeft bereikt dat dit door de hoge overlijdenskans niet meer verzekerbaar is. In dergelijke situaties bestaat er voor de gerechtigde tot de nabestaandenlijfrente bij de verzekeraar geen andere mogelijkheid dan de lijfrenteverzekering af te kopen met onder andere de verschuldigdheid van revisierente tot gevolg.
4.3. Oudedagslijfrente op twee levens
Er zijn producten waarin in de eerste plaats een lijfrente op twee levens is verzekerd. Hierbij gaan de termijnen in bij het in leven zijn van de verzekeringnemer én van zijn partner (oudedagslijfrente) op de afgesproken datum. Bij eerder overlijden van de verzekeringnemer dan wel zijn partner gaat op grond van de overeenkomst een lijfrente in op het leven van de overblijvende partner (nabestaandenlijfrente). De rechten op de oudedagslijfrente vervallen bij het ingaan van de nabestaandenlijfrente. Een dergelijke lijfrentevorm is op grond van de Wet IB 2001 niet toegestaan omdat uitsluitend de verzekeringnemer de enige verzekerde persoon kan zijn voor de oudedagslijfrente. In deze verzekeringsvorm volgt bij vooroverlijden van de partner van de verzekeringnemer weliswaar geen oudedagslijfrente, maar op dat moment gaat wel een nabestaandenlijfrente in. Dergelijke verzekeringen vervullen een maatschappelijke functie. Daarom keur ik op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed.
4.4. Onzekerheidsvereiste bij nabestaandenlijfrenteverzekering
4.5. Overbruggingslijfrenten
Ik wil voorkomen dat lijfrentepolissen die op 31 december 2005 niet (mede) betrekking hadden op een overbruggingslijfrente niet zouden kunnen leiden tot een overbruggingslijfrente. Daarom keur ik op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed.
Het voorgaande geldt eveneens voor stamrechten die in het verleden zijn bedongen met toepassing van de artikelen 19 (oud) en artikel 44j (oud) Wet IB 1964. Dergelijke stamrechten mochten worden omgezet in een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 Wet IB 2001 en vervolgens in een overbruggingslijfrente. De omzetting van een stamrecht in een overbruggingslijfrente kon ook plaatsvinden na het kalenderjaar 2005. Voor de hoogte van de overbruggingslijfrente verwijs ik naar onderdeel 9.4.
4.5.2. Overige aspecten in verband met afschaffen van de overbruggingslijfrente
De vastgestelde waarde van de lijfrente op 31 december 2005 waarvoor nog overbruggingslijfrenten kunnen worden bedongen, ondergaat in beginsel geen wijziging meer. Een gedeeltelijke afkoop na 31 december 2005 bij voorbeeld, waarbij door middel van de saldomethode rekening wordt gehouden met niet-afgetrokken premies, heeft geen invloed op de vastgestelde waarde op 31 december 2005. Zijn er na 31 december 2005 geen premies meer voldaan, dan kan een overbruggingslijfrente worden bedongen voor de hele waarde van de verzekering op het ingangstijdstip.
4.6. Overschrijden wettelijke termijn voor bedingen lijfrente
Het gebruiken van de wettelijke termijn voor het vaststellen van de lijfrente brengt niet mee dat de belanghebbende verplicht is om de lijfrente – met terugwerkende kracht – te laten ingaan op de contractuele berekeningsdatum of de datum van het overlijden. Ook wat betreft de berekening van de hoogte van de lijfrentetermijnen hoeft geen ‘inhaal’ plaats te vinden.
4.6.1. Bijzondere omstandigheden
4.6.2. Lijfrenten waarvoor de redelijke termijn tot en met 31 december 2009 van toepassing is geweest
Voor de invoering van de wettelijke termijn met ingang van 2010 gold voor het bedingen van een lijfrente na de expiratiedatum c.q. berekeningsdatum de zogenoemde ‘redelijke termijn’ zoals deze in de jurisprudentie en beleidsmatig werd gehanteerd. Voor lijfrenten waarop deze redelijke termijn van toepassing was en de lijfrente niet tijdig werd bedongen, is in de jurisprudentie1Hof Leeuwarden, 26 november 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BW9715 met onderschrift van de Staatssecretaris, bepaald dat deze rechten in fiscale zin lijfrenten zijn gebleven. Dit brengt mee dat op deze lijfrenten alle relevante fiscale bepalingen van toepassing blijven en dat over de uitkeringen of afkoopsommen heffing van inkomstenbelasting en in voorkomende gevallen revisierente is verschuldigd. Voor lijfrenten waarop het regime van de Wet IB 2001 van toepassing is, brengt dit bovendien mee dat heffing bij leven aan de orde komt uiterlijk op het tijdstip waarop de verzekeringnemer de leeftijd die 5 jaar hoger is dan de AOW-leeftijd heeft bereikt.
De voorwaarden waaraan een lijfrentebeleggingsrecht en de aanbieders daarvan moeten voldoen, zijn opgenomen in artikel 3.126a, eerste en tweede lid, Wet IB 2001. Over de toepassing van twee voorwaarden voor een lijfrentebeleggingsrecht blijkt in de praktijk onduidelijkheid te bestaan hetgeen belemmerend kan werken bij het aanbieden van zodanige rechten.
Eén van de andere wettelijke voorwaarden is dat de belastingplichtige geblokkeerde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling verkrijgt. Het moet hierbij gaan om rechten van deelneming in de beleggingsinstelling die door de beheerder zelf wordt beheerd. Met andere woorden, de rechten van deelneming kunnen geen betrekking hebben op beleggingsinstellingen die door een andere instelling worden beheerd. Het is overigens mogelijk dat de wel zelf beheerde beleggingsinstelling subfondsen heeft die ieder beleggen in specifieke waarden, waaronder rechten in andere beleggingsinstellingen.
4.8. Omzetting lijfrenteverzekering in lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht en omgekeerd
Waar in de sfeer van de lijfrenteverzekering de wetgever een levenslange lijfrente eist, moet dit in de sfeer van de lijfrenterekening of het lijfrentebeleggingsrecht een aanspraak zijn met uitkeringen gedurende ten minste 20 jaar. Het voorgaande houdt ook in dat als een ingegane levenslange oudedagslijfrenteverzekering wordt omgezet in bijvoorbeeld een 20-jarige lijfrenterekening, de al volgemaakte hele uitkeringsjaren na het bereiken van de AOW- gerechtigde leeftijd meetellen voor het minimum aantal van 20 jaren van de lijfrenterekening. Wel geldt daarbij dat de ingaande lijfrenterekening altijd nog gedurende ten minste 5 jaren moet lopen. Wordt een ingegane tijdelijke lijfrenteverzekering omgezet in bijvoorbeeld een ingaande tijdelijke lijfrenterekening, dan moet de resterende looptijd ten minste 5 jaren zijn of de op het omzettingstijdstip resterende looptijd van de omgezette lijfrente als die korter is.
Als een immigrant na het moment van immigratie een lijfrenteovereenkomst sluit, ontbreken voor hem in het eerste jaar van binnenlandse belastingplicht de binnenlandse inkomensbestanddelen in het voorafgaande jaar. Per saldo heeft hij in het jaar van immigratie dan geen jaarruimte.
5. Lijfrenten gesloten vóór 2001 (hoofdstuk 2, artikel I, onderdelen O en T Invoeringswet Wet IB 2001)
5.1. Vóór 2001 gesloten lijfrenten; wanneer is aanpassing nodig voor premieaftrek
5.1.1. Inleiding
Hierna ga ik in op situaties waarin lijfrenten zijn gesloten vóór 2001 onder de Wet IB 1964 terwijl de verzekeringnemer de met ingang van 2001 betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek wil brengen. Ik onderscheid hierbij Brede Herwaarderingslijfrenten en Pre-Brede Herwaarderingslijfrenten.
5.1.2. Brede Herwaarderingslijfrenten
5.1.3. Pre-Brede Herwaarderingslijfrenten
De vormgeving van Pre-Brede Herwaarderingslijfrenten wijkt sterk af van de vormgeving van lijfrenten van het regime van de Wet IB 2001. Voor aftrek van premies van Pre-Brede Herwaarderingslijfrenten moet de polis op het tijdstip van premiebetaling daarom volledig zijn aangepast aan het regime Wet IB 2001.
5.2. Omzetting in lijfrente Wet IB 2001
5.3. Ingaan nabestaandenlijfrente bij Pre-Brede Herwaarderingspolis die is aangepast aan IB 2001
Op grond van het Pre-Brede Herwaarderingsregime hoefde een lijfrente ten gevolge van overlijden niet onmiddellijk in te gaan. Voor lijfrenten waarop met ingang van 2001 dat regime nog van toepassing is (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, Invoeringswet Wet IB 2001), is in de praktijk niet duidelijk of uitstel van het ingaan van de nabestaandenlijfrente geheel of gedeeltelijk is toegestaan. Dit geldt ook als het overlijden plaats vindt nadat de polis was aangepast aan de Wet IB 2001 en een of meer premies zijn afgetrokken als uitgaven voor inkomensvoorzieningen.
Bij vervreemding om niet van een Pre-Brede Herwaarderingslijfrente aan een niet-inwoner moet de vervreemder in beginsel afrekenen over de waarde van de lijfrente (artikel 75, eerste lid, Wet IB 1964, tekst 2000 juncto artikel 25, tiende lid, Wet IB 1964, tekst 2000). De vervreemder hoeft niet af te rekenen als de lijfrentetermijnen bij de begunstigde/koper van de lijfrente tot diens binnenlands onzuiver inkomen behoren (artikel 49, eerste lid, onderdeel c, onder 5, Wet IB 1964, tekst 2000).
Na de invoering van de Wet IB 2001 en de Invoeringswet Wet IB 2001 is het standpunt ingenomen dat er buitenlandse belastingplicht is ontstaan voor termijnen uit Pre-Brede Herwaarderingslijfrenten. Het gevolg hiervan was dat een dergelijke lijfrente met ingang van 2001 zonder afrekening voor de inkomstenbelasting om niet kon worden vervreemd aan een niet-inwoner. Het ging daarbij in de praktijk vaak om de schenking van een lijfrente aan een in het buitenland wonend meerderjarig kind.2Dit standpunt was opgenomen in vraag C 39 van het toenmalige besluit van 13 februari 2001, CPP2000/3210M. Vanwege het voorlichtende karakter is dit standpunt niet opnieuw gepubliceerd in een beleidsbesluit.
5.5. Toepassing van artikel 69 Wet IB 1964 op naar nieuw regime omgezette lijfrenten
Om te voorkomen dat de lijfrentetermijnen zouden worden belast bij de minstverdienende echtgenoot was een voorziening opgenomen in artikel 69 Wet IB 1964, tekst 1991. Hiermee werd voor Pre-Brede Herwaarderingslijfrenten de mogelijkheid van onwenselijke inkomensoverheveling voorkomen. Om te voorkomen dat die inkomensoverheveling mogelijk zou zijn na omzetting van een Pre-Brede Herwaarderingslijfrente in een Brede Herwaarderingslijfrente werd bovendien in de Wet IB 1964 voor de jaren 1992 tot en met 2000 een nieuw artikel 69 opgenomen.
Als de belastingplichtige deze lijfrente daarna regulier tot uitkering laat komen of afkoopt, zijn de termijnen of is de afkoopsom opnieuw belast (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid en vierde lid, Invoeringswet Wet IB 2001). Daarbij wordt aangesloten bij de belastingheffing zoals deze vóór 1992 plaatsvond. In deze wetgeving is echter geen rekening gehouden met een eerdere belastingheffing bij een overschrijding van de wettelijke termijn. Dit kan leiden tot dubbele heffing over hetzelfde inkomensbestanddeel. Ik keur daarom op grond van artikel 63 AWR (de hardheidsclausule) het volgende goed.
6. Hoogte van de aftrek van lijfrentepremie of inleg (artikel 3.127 Wet IB 2001)
6.1. Jaar- en reserveringsruimte, pensioenaangroei (factor A)
De hoogte van de aftrek van premie van een lijfrente of inleg op een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht hangt mede af van de pensioenaangroei. Daartoe moeten verzekeraars van pensioenvoorzieningen ieder jaar de hoogte van de pensioenaangroei in het voorafgaande kalenderjaar aan hun deelnemers opgeven (opgaveplicht). In de praktijk komen situaties voor waarbij onduidelijkheid bestaat over de berekening van de pensioenaangroei. Hierna ga ik op die situaties in.
6.1.1. Rangorde toepassing artikel 15, tweede lid, onderdelen a en b, van het UBIB
De pensioenaangroei die aan een kalenderjaar wordt toegerekend, kan op twee manieren worden bepaald (artikel 15, tweede lid, onderdelen a en b, UBIB). Dit hangt af van de soort pensioenregeling. Onderdeel a vermeldt de aan een beschikbare premie gerelateerde levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom. In onderdeel b staan de overige aan het inkomen gerelateerde levenslange inkomensvoorzieningen bij ouderdom.
Een inkomensvoorziening gebaseerd op het beschikbare-premiestelsel is een ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 18a, derde lid, Wet LB 1964.
6.1.2. Wijzigingen na afloop van het kalenderjaar
Een wijziging in de pensioenrechten na het verstrijken van het kalenderjaar heeft invloed op de opgaveplicht. De pensioenverzekeraar moet de opgave van de pensioenaangroei over een kalenderjaar vóór 1 november van het daarop volgende jaar aan de verzekerde werknemer doen. De pensioenverzekeraar baseert deze opgave op de bij hem bekende grondslagen ten tijde van het opmaken daarvan. Als achteraf blijkt dat bij de (primaire) opgave is uitgegaan van onjuiste grondslagen, moet de verzekeraar de verzekerde werknemer een gecorrigeerde opgave verstrekken.
6.1.3. Benutten van de reserveringsruimte na pensioenverbetering
6.1.7. Voortgezette pensioenopbouw over perioden waarin premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is verleend
De pensioenverzekeraar moet bij de jaarlijkse opgave van de pensioenaangroei rekening houden met de aangroei van de jaarlijkse uitkeringen van het aan de deelnemer toekomend levenslang ouderdomspensioen. In de opgave moet de verzekeraar de pensioenaangroei opnemen die het gevolg is van de toename van de diensttijd in dat jaar. Onder diensttijd wordt verstaan alle perioden die meetellen voor de opbouw van de pensioenrechten, de zogenoemde pensioenjaren, zodat het voor de vaststelling van de pensioenjaren geen verschil maakt of een deelnemer in een of meer van die perioden recht heeft op premievrijstelling. Dit kan bijvoorbeeld zijn omdat een deelnemer in die periode arbeidsongeschikt is. Het is alleen van belang dat de desbetreffende periode meetelt als diensttijd in de zin van de pensioenregeling.
6.1.8. Gevolgen van uitruil van pensioenrechten
Het is met ingang van 2005 niet meer mogelijk tijdelijke pensioenrechten (bijvoorbeeld overbruggingspensioenen/prepensioenen) toe te kennen, behalve als het overgangsrecht van de artikelen 38d, e en f, van de Wet LB 1964 van toepassing is. Tijdelijke pensioenrechten kunnen worden omgezet in levenslange pensioenrechten. Deze uitruil heeft gevolgen voor de berekening van de pensioenaangroei en de hoogte van de lijfrentepremieaftrek. Hierna neem ik een standpunt in over de gevolgen van een dergelijke uitruil.
Voor zover tijdelijke pensioenrechten zijn opgebouwd in jaren voorafgaande aan het kalenderjaar van omzetting, heeft de omzetting geen invloed op de hoogte van de pensioenaangroei in het kalenderjaar van omzetting.
6.1.9. Toerekenen van premiebetalingen aan pensioensoort
Voor de pensioenaangroei moet worden uitgegaan van de aangroei van het levenslang ouderdomspensioen. Het is met ingang van 2005 overigens niet meer mogelijk tijdelijke pensioenrechten (bijvoorbeeld overbruggingspensioenen/prepensioenen) toe te kennen, behalve als het overgangsrecht van de artikelen 38d, e en f, Wet LB 1964 van toepassing is. Hierna geef ik aan in welke situaties de pensioenuitvoerder premies die zijn betaald voor tijdelijke rechten, buiten de opgave van de aan het desbetreffende kalenderjaar toe te rekenen aangroei van het levenslange ouderdomspensioen mag houden.
6.1.10. Vastebedragenregeling
Onder de term vastebedragenregeling wordt een regeling verstaan waarin een bepaald vast bedrag aan pensioen wordt opgebouwd. Dat vaste bedrag kan afhankelijk zijn van het aantal dienstjaren. Een vastebedragenregeling is geen loongerelateerde oudedagsvoorziening in formele zin. Er is echter wel een zodanige toezegging van een pensioenbedrag op de pensioengerechtigde leeftijd dat die regeling voor de bepaling van de pensioenaangroei (als bedoeld in artikel 3.127, eerste en vierde lid, Wet IB 2001) op dezelfde wijze behandeld moet worden. Op toezeggingen op grond van een vastebedragenregeling is artikel 15, tweede lid, onderdeel b, UBIB van toepassing. De jaarlijkse aangroei wordt daarbij gelijkgesteld aan het bedrag van het ouderdomspensioen dat aan de werknemer in het desbetreffende kalenderjaar is toegezegd.
6.1.11. Hybride pensioenregeling
In dergelijke regelingen is het te verzekeren pensioenkapitaal duurzaam gebaseerd op pensioenaanspraken zoals deze in eind- of middelloonregelingen worden verkregen (streefpensioen). De premie voor de pensioenverzekering vormt niet het uitgangspunt van de regeling. De jaarlijkse pensioenaangroei moet bepaald worden overeenkomstig artikel 15, tweede lid, onderdeel b, UBIB.
6.1.12. Beschikbare premie; totale premie voor het ouderdoms- en partnerpensioen meerekenen
De pensioenaangroei is gedefinieerd als de aangroei van de levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom (artikel 15, tweede lid, UBIB). Toch moet voor de berekening van de pensioenaangroei de totale premie worden meegerekend. Het is niet voldoende om uitsluitend het gedeelte van de premie dat betrekking heeft op het ouderdomspensioen in aanmerking te nemen. Door de toepassing van de tabel van artikel 15, tweede lid, onderdeel a, UBIB, wordt namelijk op grond van de totale premie de stijging van het levenslange ouderdomspensioen forfaitair berekend. In de tabel wordt al rekening gehouden met het feit dat een deel van de (totale) premie betrekking heeft op het partnerpensioen en op premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid.
6.2. Opgave in verband met pensioenverbetering
6.2.1. Toerekenen vrijwillige premiebetalingen aan kalenderjaar of oude dienstjaren
6.2.2. Inkoop van dienstjaren
Bij inkoop van dienstjaren (artikel 10a, eerste lid, onderdelen b en f, en het derde lid, UBLB) neemt de hoogte van de levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom toe. Deze toename kan van invloed zijn op de vaststelling van de pensioenaangroei (artikel 3.127, eerste en vierde lid, Wet IB 2001).
Voor zover de inkoop betrekking heeft op dienstjaren met ingang van het jaar 2001, kan de inkoop leiden tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. De inkoop kan ook gevolgen hebben voor de hoogte van de reserveringsruimte.
6.2.3. Naheffing door beroepspensioenfonds
Als een deelnemer in een beroepspensioenfonds in enig jaar een te lage schatting maakt van het beroepsinkomen wordt daardoor over dat jaar een te lage pensioenpremie in rekening gebracht. Een beroepspensioenfonds kan in een later jaar een naheffing beroepspensioenpremies opleggen.
6.2.4. Wachttijd in collectieve pensioenregelingen
De basis voor de berekening van de jaarruimte voor de aftrek van lijfrentepremies is een jaarlijks te bepalen percentage van de premiegrondslag. Bij de bepaling van de hoogte van de premiegrondslag wordt al rekening gehouden met het feit dat in reguliere gevallen recht zal bestaan op een AOW-uitkering. Op de uitkomst van die berekening komt vervolgens een bedrag in verband met de opbouw van pensioenrechten in mindering. Als daarbij de volledige aangroei van het Belgisch rustpensioen in aanmerking zou worden genomen, leidt dit tot een feitelijk te lage jaarruimte van de lijfrentepremieaftrek. Er wordt in dat geval opnieuw rekening gehouden met de gerechtigheid tot een publiekrechtelijke (Belgische) oudedagsuitkering.
Ik keur goed dat personen die in een jaar aanspraken voor een Belgisch rustpensioen opbouwen, bij de berekening van de aangroei in dat jaar op het bedrag van de aangroei van jaarlijkse uitkeringen volgens een pensioenregeling een forfaitair bedrag in mindering mogen brengen. Het gaat om de aangroei als bedoeld in artikel 3.127, vierde lid, onderdeel a, Wet IB 2001, ook wel de factor A. Deze goedkeuring geldt uitsluitend als in dat jaar geen Nederlandse AOW- aanspraken zijn opgebouwd.
Bij de berekening van de aangroei van het bedrag van de jaarlijkse uitkeringen van de aanspraken voor een Belgisch rustpensioen kunnen de volgende bedragen op deze aangroei in mindering worden gebracht:
7. Tijdstip van betalen lijfrentepremie of inleg en van totstandkomen van de levensverzekering of lijfrenteovereenkomst (artikel 3.130 Wet IB 2001)
7.1.1. Betaling lijfrentepremie of inleg in afwijking van de contractuele betaaldatum
In de eerste plaats kan een lijfrentepremie voor aftrek in aanmerking komen als die premie is betaald omstreeks de daarvoor in de lijfrentepolis voorziene betaaldatum. Voor een (nog) te sluiten lijfrente geldt uiteraard dat er sprake is van betaling van een lijfrentepremie als de lijfrenteovereenkomst in civielrechtelijke zin al vóór de fiscaal relevante (betaal)datum tot stand is gekomen. Daarnaast komen lijfrentepremies al voor aftrek in aanmerking als op de fiscaal relevante datum voldoende duidelijk is dat de betaling betrekking heeft op een kwalificerende lijfrenteovereenkomst (artikel 3.124 Wet IB 2001).
Het vorenstaande geldt mutatis mutandis ook voor inleg op een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht.
7.1.2. Geen toepassing hardheidsclausule voor te laat betaalde premie of inleg
Ik wijs verzoeken af om met toepassing van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) premie of inleg op een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht die is betaald na het einde van de termijnen genoemd in artikel 3.130 Wet IB 2001 alsnog aan te merken als premies die zijn betaald binnen die termijn. Doordat de berekening van de jaarruimte is gebaseerd op de relevante gegevens van het voorafgaande kalenderjaar (artikel 3.127, derde lid, Wet IB 2001), is er voldoende tijd voor de bepaling van de hoogte van een eventueel pensioentekort. Daarnaast brengt de regeling van de reserveringsruimte mee dat de in een kalenderjaar niet gebruikte jaarruimte (deels) alsnog in aanmerking kan worden genomen in het jaar van betaling (artikel 3.127, tweede lid, Wet IB 2001).
7.1.3. Schuldig gebleven premies of inleg
7.2. Tijdstip van totstandkomen van levensverzekeringen
7.2.1. Medische acceptatie
7.2.2. Premiebetaling zonder offerte
7.2.3. Aanbod en acceptatie, al dan niet onder opschortende voorwaarden
Voor het vaststellen van het tijdstip van tot stand komen van de verzekering zijn de elementen aanbod en acceptatie maatgevend. De partij die het aanbod heeft gedaan, moet van de andere partij, die betrokken is bij de overeenkomst, begrepen hebben dat zijn aanbod op alle wezenlijke punten is geaccepteerd. Als de verzekeraar een offerte voor een levensverzekering heeft gedaan (een aanbod tot het sluiten van de overeenkomst) en de verzekeringnemer de offerte heeft ondertekend en geretourneerd (de acceptatie van het aanbod), is sprake van een perfecte overeenkomst. Hierbij moet de verzekeraar ervan kennis hebben genomen dat de verzekeringnemer de offerte heeft geaccepteerd. Op welk moment een dergelijke acceptatie heeft plaatsgevonden en wanneer de verzekeraar daarvan kennis heeft genomen, is een bewijsrechtelijk vraagstuk.
Als aan de offerte een opschortende voorwaarde is verbonden, kan de overeenkomst niet eerder tot stand komen dan nadat die voorwaarde is vervuld. Er is sprake van een opschortende voorwaarde als bijvoorbeeld in de offerte van de verzekeraar is opgenomen dat de overeenkomst pas tot stand komt na ontvangst van de eerste premie.
8.1. Verzuimde aftrek; herstelmogelijkheid
In de praktijk doen zich de volgende situaties voor waarin een belastingplichtige heeft verzuimd de tijdig betaalde premie of inleg in aftrek te brengen:
Ad b. De bijzondere regels voor ambtshalve vermindering gelden niet als een belastingplichtige heeft verzuimd om bij de aangifte de keuze te maken om na het kalenderjaar betaalde premies of inleg terug te wentelen naar het kalenderjaar.
Ik keur goed dat artikel 9.6 Wet IB 2001 ook van toepassing is op een verzoek om premie of inleg alsnog als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking te nemen in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van betaling.
9.1. Handelingen in strijd met voorwaarden
9.1.1. Inleiding
Voor lijfrentevoorzieningen die nog niet in de uitkeringsfase zijn, wordt de waarde in het economische verkeer van de lijfrente ten minste gesteld op de betaalde premie of inleg, behalve als er sprake is van afkoop. Dit is de zogenoemde minimumwaarderingsregel (artikel 3.137, eerste lid, tweede volzin, Wet IB 2001). Daarnaast is de belastingplichtige revisierente verschuldigd over de waarde in het economische verkeer van het recht of tegoed (artikel 30i AWR).
9.1.2. Afkoop lijfrente of periodieke uitkeringen vóór 2016
Met ingang van 1 januari 2016 vindt de minimumwaarderingsregel voor de inkomstenbelasting (artikel 3.137, eerste lid, tweede volzin, Wet IB 2001) geen toepassing meer in gevallen van afkoop van een lijfrente of andere aanspraak op periodieke uitkeringen (artikel 3.137, eerste lid, derde volzin, Wet IB 2001). Hiermee is tegemoetgekomen aan gevallen waarin de toepassing van de minimumwaarderingsregel tot beleidsmatig niet-gewenste gevolgen voor belastingplichtigen leidt. Ook vóór 2016 was het mogelijk dat deze niet-gewenste gevolgen zich voordeden. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2016 is toegezegd dat ook voor bepaalde situaties waar de termijn voor ambtshalve verminderingen nog niet is verlopen een tegemoetkoming kan worden verleend voor afkopen die zijn gedaan vóór 1 januari 20165Kamerstukken II 2015/16, nr. 34 305, nr. 3, pag. 4..
9.1.4. Onttrekken premie voor periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid aan lijfrentekapitaal
Deze goedkeuring is van toepassing mits de verzekeraar de onttrokken premie voor het recht op periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid niet als aftrekbare premie renseigneert. De periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid zijn daarmee integraal belast.
9.1.5. Toepassing regeling voor afkoop kleine lijfrenten bij nabestaandenlijfrenten
9.1.7. Toedeling bloot eigendom aan vruchtgebruiker
9.2.1. Inleiding
9.2.2. Gevolgen verbetering pensioenvoorziening
9.2.3. Negatieve uitgaven bij verbetering pensioen
Er worden wel negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen in de volgende situatie. Met ingang van 2001 zijn premies afgetrokken met toepassing van de regeling van de reserveringsruimte, gebaseerd op een pensioentekort uit de jaren vóór 2001. Er vindt een pensioenverbetering plaats die betrekking heeft op dat pensioentekort uit de jaren vóór 2001.
9.3. Echtscheiding
9.3.1. Toerekening lijfrente bij echtscheiding; geen gemeenschap van goederen
Ik keur goed dat in dergelijke situaties de verdeling geacht kan worden te hebben plaatsgevonden alsof er sprake is van het bestaan van een gemeenschap. Artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001 is van toepassing.
9.3.4. Afkoop van alimentatieverplichting in de vorm van een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht
In de uitvoeringspraktijk bestaat de wens om in deze situatie de fiscale faciliteit ook van toepassing te laten zijn als de belastingplichtige de lijfrente in de vorm van een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht bij een bank, een beleggingsonderneming, een beheerder van een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten afsluit. Hoewel de regeling zich er naar mijn mening voor leent om het product ook in de vorm van een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht af te sluiten, biedt de wet hiervoor geen mogelijkheid. Daarom keur ik vooruitlopend op een mogelijke wetswijziging het volgende goed. Daarbij maak ik wel het voorbehoud dat wanneer het parlement niet akkoord zou gaan met een desbetreffende wetswijziging, deze goedkeuring weer komt te vervallen, onder eerbiediging van de tussentijds afgesloten contracten.
In afwijking van artikel 6.6 Wet IB 2001 stel ik hierbij de volgende voorwaarden.
9.4. Tijdstip beoordelen hoogte overbruggingslijfrente en tijdelijke oudedagslijfrente
Op grond van artikel 3.134 Wet IB 2001 kan een verzekerde oudedagslijfrente fiscaal geruisloos worden omgezet in een ander type lijfrente. In de praktijk wordt een oudedagslijfrente vaak omgezet in een overbruggingslijfrente of een tijdelijke oudedagslijfrente. Dit gebeurt meestal omstreeks de contractuele berekeningsdatum van de oorspronkelijk verzekerde oudedagslijfrente. Het is niet duidelijk op welke wijze de toets aan het wettelijk jaarmaximum voor de overbruggingslijfrente en de tijdelijke oudedagslijfrente in die situatie moet plaatsvinden.
9.4.2. Toets hoogte lijfrente op omzettingstijdstip
Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de hoogte van de termijnen van de overbruggingslijfrente en van de tijdelijke oudedagslijfrente aan het wettelijk jaarmaximum wordt getoetst op het tijdstip waarop deze lijfrenten door de omzetting (als bedoeld in artikel 3.134 Wet IB 2001) voor het eerst als zodanig worden verzekerd. Het is dus niet vereist om alsnog op basis van het meestal ver in het verleden liggende tijdstip van premiebetaling een complexe berekening te maken als was destijds al een overbruggingslijfrente of tijdelijke oudedagslijfrente verzekerd.
Een overbruggingslijfrente6Overbruggingslijfrenten kunnen met ingang van 1 januari 2006 niet meer worden afgesloten die ontstaat als gevolg van de omzetting van een andere aanspraak mag geen hogere uitkeringen hebben dan € 63.288 per jaar (het in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001 tekst per 31 december 2005 opgenomen bedrag). Een tijdelijke oudedagslijfrente die ontstaat als gevolg van de omzetting van een andere aanspraak mag geen hogere uitkeringen hebben dan het bedrag, genoemd in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001 op het tijdstip van omzetting. Als de vastgestelde uitkeringen hoger zijn, worden voor dit hogere deel negatieve uitgaven in aanmerking genomen.
Bij de omzetting in een overbruggingslijfrente is ook van belang of de omgezette aanspraak voortvloeit uit premies die vóór 1 januari 2006 zijn afgetrokken (artikel 10a.1, eerste lid, Wet IB 2001). Als er na 31 december 2005 nog premies zijn betaald die niet naar 2005 zijn teruggewenteld, kan slechts een overbruggingslijfrente worden bedongen tot het bedrag van de waarde in het economische verkeer van de aanspraak op 31 december 2005 (artikel 10a.1, derde lid, Wet IB 2001) (zie onderdeel 4.5.3).
9.5. Uiterste ingangsdatum (tijdelijke) oudedagslijfrente onder Brede Herwaardering gesloten
Onder het regime van de Brede Herwaardering bestond de mogelijkheid een oudedagslijfrente en een tijdelijke oudedagslijfrente te bedingen zonder dat daarbij een uiterste ingangsdatum van toepassing was. Met de inwerkingtreding Wet IB 2001 geldt er wel een uiterste ingangsdatum voor dergelijke lijfrenten. Beide lijfrentevormen mogen niet later ingaan dan in het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd bereikt die 5 jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd. Voor premieaftrek was het niet nodig de Brede Herwaardingspolis aan te laten passen als in de polis een (tijdelijke) oudedagslijfrente is verzekerd die ingaat in een kalenderjaar na het bereiken van deze leeftijd van de belastingplichtige (onderdeel 5.1.2). Als in een Brede Herwaarderingslijfrentepolis vóór 1 januari 2001 al een ingangsdatum was opgenomen waaruit blijkt – door een feitelijk opgenomen ingangsdatum – dat de lijfrentetermijnen een aanvang zullen nemen na het jaar waarin de verzekeringnemer de leeftijd heeft bereikt die 5 jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd, keur ik op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed.
Ik keur goed dat de polis wordt uitgevoerd zoals civielrechtelijk is overeengekomen. Er worden dan geen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen en er wordt geen revisierente berekend (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001 en artikel 30i AWR). Dit geldt ook als de polis wordt overgedragen aan een andere verzekeraar onder voorwaarde dat de tekst in de polis ongewijzigd blijft.
Een dergelijke lijfrenteverzekering mag op de overeengekomen ingangsdatum ook fiscaal geruisloos worden omgezet in een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht. Voorwaarde hierbij is ook dat de termijnen direct na de omzetting ingaan.
Deze laatste voorwaarde geldt ook voor een Pre-Brede Herwaarderingsverzekering die wordt omgezet in een lijfrente waarop het regime van de Wet IB 2001 van toepassing is.
10. Leefvervoer verstrekt vanuit het UWV
Leefvervoer is een voorziening gericht op vervoer van personen met een aandoening die nodig is voor persoonlijke activiteiten en deelname aan de maatschappij, zoals op bezoek gaan, winkelen, uitgaan en sporten. Hierbij kan worden gedacht aan vervoer per regio- of rolstoeltaxi, een aanpassing van de auto, een scootmobiel of zelfs een auto in bruikleen. Leefvervoer vormt voor de gerechtigde tot leefvervoer3Artikel 3.101, eerste lid, sub 1, Wet IB 2001 een belastbare publiekrechtelijke periodieke uitkering en verstrekking. De Wet IB 2001 voorziet echter in een vrijstelling van deze publiekrechtelijke periodieke uitkering en verstrekking4Artikel 3.104, onderdeel l, Wet IB 2001 indien de aanvraag via de gemeente verloopt5Het leefvervoer wordt op grond van de Wmo 2015 onder voorwaarden toegekend door de gemeente.
Genoemde vrijstelling ziet niet op de situatie waarin het leefvervoer vanuit het UWV wordt verstrekt. Het UWV kan op grond van socialezekerheidswetgeving met door de gemeente verstrekt leefvervoer toekennen. Deze privé-vervoerbehoefte wordt doorgaans door het UWV meegenomen bij een aanvraag voor de vervoersvoorziening die ziet op verkeer van en naar werk of onderwijs. Hiermee wordt beoogd dat een gerechtigde niet alsnog naar het Wmo-loket van de gemeente hoeft voor een separate indiening van een aanvraag voor leefvervoer. In tegenstelling tot leefvervoer dat is toegekend door de gemeente, is in de Wet IB 2001 geen vrijstelling opgenomen voor leefvervoer dat is toegekend door het UWV.
Het geschetste verschil in behandeling acht ik ongewenst. Een gerechtigde tot de vervoersvoorziening vanuit het UWV, gericht op vervoer van en naar werk of opleiding, wordt op deze wijze alsnog verplicht om langs twee instanties te gaan. Daarom keur ik vooruitlopend op een mogelijke wetswijziging het volgende goed. Daarbij maak ik wel het voorbehoud dat wanneer het parlement niet akkoord zou gaan met een desbetreffende wetswijziging, deze goedkeuring weer komt te vervallen, onder eerbiediging van tussentijds toegepaste vrijstellingen van periodieke uitkeringen en verstrekkingen inzake leefvervoer vanuit het UWV.
Ik keur goed dat een gerechtigde tot door het UWV toegekend leefvervoer aanspraak kan maken op een vrijstelling voor publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen van dat leefvervoer zoals is opgenomen in artikel 3.104 Wet IB 2001.
11. Ingetrokken regeling
De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:
12. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dagtekening van het besluit.
13. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als Verzamelbesluit Lijfrenten.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)