Wet van 15 mei 2019, houdende regels voor de inzet van gewapende particuliere maritieme beveiligers aan boord van Nederlandse koopvaardijschepen (Wet ter Bescherming Koopvaardij)

Type Wet
Publication 2022-02-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke regeling te treffen op grond waarvan Nederlandse koopvaardijschepen bij de doorgang van gevaarlijke zeegebieden gebruik kunnen maken van gewapende particuliere maritieme beveiligers indien niet in militaire bescherming kan worden voorzien;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2

Deze wet is van toepassing op gewapende maritieme beveiligingswerkzaamheden die buiten de territoriale zee van een staat worden verricht aan boord van schepen die op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren, voor zover zij varen in of door de zeegebieden, aangewezen door Onze Minister bij algemene maatregel van bestuur.

Artikel 3
1.

Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister gewapende maritieme beveiligingswerkzaamheden aan te bieden of te verrichten.

2.

Het is verboden zonder toestemming van Onze Minister gewapende maritieme beveiligingswerkzaamheden aan boord van een schip te verrichten, toe te staan of mogelijk te maken.

3.

Met een vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld een vergunning of vergelijkbare beschikking afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in een andere staat die een niveau van waarborgen biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt nagestreefd. Onze Minister kan beleidsregels vaststellen omtrent de gelijkwaardigheid van buitenlandse vergunningen.

Hoofdstuk 2. De toestemming voor de inzet van particulier maritiem beveiligingspersoneel

Artikel 4
1.

Onze Minister beslist op een verzoek van de scheepsbeheerder om toestemming als bedoeld in artikel 3, tweede lid.

2.

De toestemming kan slechts worden verleend indien een transport voor militaire bescherming in aanmerking komt maar deze niet of niet binnen redelijke termijn kan worden geboden door Onze Minister van Defensie, of indien naar het oordeel van Onze Minister:

3.

De toestemming wordt per transport verleend aan de scheepsbeheerder.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld betreffende het verzoek om toestemming, bedoeld in het eerste lid, en de weigeringsgronden.

5.

De voordracht voor een krachtens dit artikel vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 5

Onze Minister van Defensie verstrekt Onze Minister alle gegevens die door de scheepsbeheerder bij een verzoek om beveiliging van een transport zijn verstrekt voor zover deze nodig zijn voor het verlenen van de toestemming, bedoeld in artikel 3, tweede lid.

Artikel 6
1.

De kapitein en de scheepsbeheerder passen voorafgaand aan en tijdens een transport waarop particulier maritiem beveiligingspersoneel wordt ingezet alle redelijkerwijs mogelijke, bij ministeriële regeling aan te wijzen beschermingsmaatregelen toe.

2.

De kapitein en de teamleider vergewissen zich voorafgaand aan de inzet van particulier maritiem beveiligingspersoneel op een transport ervan dat de toestemming, bedoeld in artikel 3, tweede lid, is verleend en dat aan de bij of krachtens deze wet gestelde regels met betrekking tot de beschermingsmaatregelen, de identiteit en de nationaliteit van het particulier maritiem beveiligingspersoneel, de geweldsmiddelen, camera’s en microfoons, is voldaan.

3.

De scheepsbeheerder en de vergunninghouder voorzien de kapitein onderscheidenlijk de teamleider van juiste en volledige informatie ten behoeve van hun vergewisplicht. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de informatie en de verstrekking ervan.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verantwoordelijkheid van de kapitein voor de veiligheid van het schip en de opvarenden in verband met de maritieme beveiligingswerkzaamheden en de naleving van de in het tweede lid bedoelde regels.

Hoofdstuk 3. De inzet van particulier maritiem beveiligingspersoneel

Artikel 7

Het particulier maritiem beveiligingspersoneel dat op een transport wordt ingezet wordt niet als zeevarend aangemerkt.

Artikel 8

Het particulier maritiem beveiligingspersoneel maakt bij de uitvoering van maritieme beveiligingswerkzaamheden geen gebruik van andere dan de door Onze Minister bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geweldsmiddelen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden tevens regels gesteld over de wijze van opslag van de aangewezen geweldsmiddelen op het schip.

Artikel 9
1.

Het particulier maritiem beveiligingspersoneel is bevoegd bij dreigend gevaar van piraterij de aangewezen geweldsmiddelen ter hand te nemen, op te stellen en dreigend te tonen.

2.

Het particulier maritiem beveiligingspersoneel is bevoegd geweld aan te wenden en daarbij gebruik te maken van de aangewezen geweldsmiddelen, voor zover dat noodzakelijk is ter afwending van dreigend gevaar van piraterij en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt.

3.

Het particulier maritiem beveiligingspersoneel onthoudt zich van geweld gericht op het toebrengen van dodelijk letsel.

4.

Het gebruik van geweld dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.

5.

Aan het gebruik van geweld gaat een waarschuwing vooraf, tenzij de omstandigheden een waarschuwing niet toelaten.

6.

Het particulier maritiem beveiligingspersoneel gebruikt geen geweld dan na opdracht van de teamleider, tenzij deze opdracht redelijkerwijs niet kan worden afgewacht.

7.

De teamleider geeft geen opdracht tot het gebruik van geweld dan nadat hij in overleg met de kapitein heeft vastgesteld dat de beschermingsmaatregelen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, niet tot afwending van het gevaar van piraterij hebben geleid, tenzij dit overleg of de uitkomst daarvan redelijkerwijs niet kan worden afgewacht.

8.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt een geweldsinstructie voor particulier maritiem beveiligingspersoneel vastgesteld.

9.

De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 10
1.

Het particulier maritiem beveiligingspersoneel is bevoegd tot het dragen van handboeien.

2.

Het particulier maritiem beveiligingspersoneel is bevoegd tot het aanleggen van handboeien bij personen die niet tot de opvarenden van het schip behoren en die zijn aangehouden in geval van ontdekking op heterdaad, indien de aangehouden personen zich trachten te onttrekken aan hun aanhouding of indien zij een gevaar vormen voor hun eigen leven of veiligheid of het leven of de veiligheid van anderen en die onttrekking onderscheidenlijk dat gevaar niet op een andere wijze kan worden voorkomen.

3.

Aangehouden personen worden door het particulier maritiem beveiligingspersoneel onverwijld overgeleverd aan de kapitein. Het bepaalde in titel VIB van het vierde boek van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11
1.

Het particulier maritiem beveiligingspersoneel maakt bij de uitvoering van maritieme beveiligingswerkzaamheden gebruik van camera’s en microfoons.

2.

Er worden beeld- of geluidsopnamen gemaakt vanaf het moment van dreigend gevaar van piraterij tot het moment dat de dreiging is geweken of afgewend. Deze opnamen worden vastgelegd in bestanden.

3.

De teamleider instrueert zijn teamleden wanneer zij de camera’s of microfoons aanzetten voor het maken van beeld- of geluidsopnamen.

4.

De teamleider verstrekt de bestanden met de beeld- of geluidsopnamen aan de kapitein ten behoeve van diens rapportage of melding, bedoeld in artikel 12.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

6.

De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 12
1.

Van ieder transport waarop particulier maritiem beveiligingspersoneel is ingezet wordt na afloop van het transport volgens door Onze Minister te geven regels een rapportage in de Nederlandse of Engelse taal opgesteld door de kapitein en door de teamleider van het particulier maritiem beveiligingspersoneel afzonderlijk.

2.

De rapportages vermelden in elk geval of en zo ja welk gebruik is gemaakt van de bevoegdheden genoemd in de artikelen 9 en 10. Indien gebruik is gemaakt van deze bevoegdheden, worden de bestanden met beeld- of geluidsopnamen, bedoeld in artikel 11, tweede of vijfde lid, bij de rapportages gevoegd. De rapportages worden aan Onze Minister gezonden.

3.

Van iedere aanwending van geweld en van ieder gebruik van handboeien door het particulier maritiem beveiligingspersoneel wordt na ommekomst van het gevaar van piraterij onverwijld door de kapitein melding gemaakt aan het openbaar ministerie, volgens door Onze Minister te geven regels. De bestanden met beeld- of geluidsopnamen, bedoeld in artikel 11, tweede of vijfde lid, worden bij de melding gevoegd.

Hoofdstuk 4. De vergunning

Artikel 13

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.