Wet van 2 juli 2019, houdende een kader voor het ontwikkelen van beleid gericht op onomkeerbaar en stapsgewijs terugdringen van de Nederlandse emissies van broeikasgassen teneinde wereldwijde opwarming van de aarde en de verandering van het klimaat te beperken (Klimaatwet)

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is doelstellingen voor Nederland te formuleren voor het terugdringen van de Nederlandse emissies van broeikasgassen en een wettelijk kader te scheppen voor het ontwikkelen van beleid hiervoor ter invulling van de eigenstandige verantwoordelijkheid die Nederland heeft om de mondiale stijging van temperatuur en de verandering van het klimaat te beperken, en dat het wenselijk is de bindende verplichtingen die Nederland met de op 12 december 2015 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst van Parijs is aangegaan in te vullen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

Deze wet biedt een kader voor de ontwikkeling van beleid gericht op het onomkeerbaar en stapsgewijs terugdringen van de emissies van broeikasgassen in Nederland teneinde wereldwijde opwarming van de aarde en de verandering van het klimaat te beperken, waarbij Nederland overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Europese klimaatwet:

2.

Teneinde deze doelstelling voor 2050 te bereiken streven Onze Ministers die het aangaat naar een reductie van de emissies van broeikasgassen van 55% ten opzichte van 1990 in 2030 en een volledige CO2-neutrale elektriciteitsproductie in 2050. Zij treffen daarnaast passende maatregelen opdat Nederland voldoet aan de reductieverplichtingen op grond van artikel 4, eerste lid, van de Europese klimaatwet en de ter uitwerking daarvan vastgestelde bindende EU-rechtshandelingen.

3.

Voor de toepassing van deze wet geldt als de emissies van broeikasgassen de emissies binnen Nederland van broeikasgassen afkomstig van sectoren en bronnen en de verwijdering per put die in de nationale broeikasgasinventarissen overeenkomstig artikel 4, eerste lid, onder a, van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering (Trb. 1992, 189) zijn opgenomen.

Hoofdstuk 2. Klimaatplan

Artikel 3
1.

Het klimaatplan bevat de hoofdzaken van het door Onze Ministers die het aangaat te voeren klimaatbeleid gericht op het realiseren van de doelstellingen, bedoeld in artikel 2, voor de eerstvolgende tien jaren.

2.

Het klimaatplan bevat tevens:

Artikel 4
1.

Het klimaatplan wordt voor de eerste maal vastgesteld in 2019 en ten minste eens in de vijf jaren opnieuw vastgesteld.

2.

Het eerste klimaatplan heeft betrekking op de periode van 2021 tot en met 2030.

Artikel 5
1.

Onze Minister stelt in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad en nadat het is overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal, het klimaatplan vast.

2.

Op de voorbereiding van het klimaatplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.

3.

De Afdeling advisering van de Raad van State wordt over het klimaatplan gehoord.

4.

Onze Minister kan, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad en gehoord beide kamers der Staten-Generaal, het klimaatplan wijzigen indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is om de doelstellingen, bedoeld in artikel 2, te realiseren. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3. Verantwoording

Artikel 6
1.

Het Planbureau voor de Leefomgeving brengt eenmaal per jaar aan Onze Minister een klimaat- en energieverkenning uit.

2.

De klimaat- en energieverkenning is een wetenschappelijke rapport over de gevolgen van het gevoerde klimaatbeleid in het voorafgaande kalenderjaar.

3.

De klimaat- en energieverkenning bevat in ieder geval voor het voorafgaande kalenderjaar:

Artikel 7
1.

Onze Minister zendt de klimaat- en energieverkenning op de derde dinsdag van september aan beide kamers der Staten-Generaal.

2.

Onze Minister zendt gelijktijdig met de verzending van de klimaat- en energieverkenning de klimaatnota aan beide kamers der Staten-Generaal.

3.

De klimaatnota bevat:

4.

De Afdeling advisering van de Raad van State wordt over de klimaatnota gehoord.

Hoofdstuk 4. Advisering en overleg

Artikel 8
1.

Er is een Wetenschappelijke Klimaatraad.

2.

De Wetenschappelijke Klimaatraad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste negen andere leden.

3.

De Wetenschappelijke Klimaatraad heeft tot taak de regering en beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over het te voeren klimaatbeleid. De Wetenschappelijke Klimaatraad brengt daarbij ten minste een advies uit ter voorbereiding van het klimaatplan, bedoeld in artikel 3.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 9
1.

Ten behoeve van de uitvoering van deze wet en het behalen van de doelstellingen, bedoeld in artikel 2, voert Onze Minister overleg met bestuursorganen van provincies, waterschappen, gemeenten en overige relevante partijen.

2.

In het overleg worden in ieder geval de voortgang van de uitvoering van het vigerende klimaatplan en voorstellen voor maatregelen voor het in voorbereiding zijnde klimaatplan besproken.

3.

Onze Minister bevordert door middel van het overleg het sluiten van overeenkomsten met partijen, gericht op het bereiken van de doelstellingen, bedoeld in artikel 2.

Artikel 10

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 11

Deze wet wordt aangehaald als: Klimaatwet.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.