Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 23 september 2019, houdende regels met betrekking tot de implementatie en invoering van specifieke bepalingen en opties en discreties uit de richtlijn en verordening kapitaalvereisten (Regeling specifieke bepalingen CRD en CRR 2019)

Type ZBO-regeling
Publication 2026-03-06
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Na overleg met de representatieve organisaties en consultatie;

Gelet op de Wet op het financieel toezicht, in het bijzonder artikel 3:62a;

Gelet op het Besluit prudentiële regels Wft, in het bijzonder de artikelen 105, 105a en 105e;

Gelet op artikel 2 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten;

Gelet op Richtlijn nr. 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG; in het bijzonder de artikelen 128 en 141;

Gelet op Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012, in het bijzonder de artikelen 89 lid 3, 178 lid 1, 282 lid 6, 380, 400 lid 2, 471 lid 1, 473 lid 1, 478 lid 3 en 486 lid 6;

Gelet op Richtsnoer (EU) nr. 2017/697 van de Europese Centrale Bank van 4 april 2017 betreffende de wijze waarop nationale bevoegde autoriteiten met betrekking tot minder belangrijke instellingen gebruikmaken van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt (ECB/2017/9);

Besluit:

Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1:1. - Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 1:2. - Toepassingsbereik van deze regeling
1.

Voor de toepassing van Hoofdstuk 2 van deze regeling wordt onder instelling verstaan:

2.

Voor de toepassing van Hoofdstuk 3 van deze regeling wordt onder instelling verstaan:

3.

Hoofstuk 3 van deze regeling is van overeenkomstige toepassing op clearinginstellingen met zetel in Nederland en op clearinginstellingen met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren, tenzij de aard van de bepaling of de systematiek van deze regeling deze overeenkomstige toepassing uitsluit.

Artikel 1:3. - Aanwijzing gemeenschappelijke regelingen met openbaar lichaam

Gemeenschappelijke regelingen als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waarvoor een openbaar lichaam is ingesteld worden aangemerkt als regionale en lokale overheden als bedoeld in artikel 115, lid 2 van de CRR.

Hoofdstuk 2. - Macroprudentiële opties en discreties

Artikel 2:1. - Systeemrisicobuffer
1.

Een instelling beschikt over een systeemrisicobuffer, als bedoeld in artikel 105, eerste lid 1, onderdeel d van het Bpr, wanneer dat naar het oordeel van DNB nodig is ter voorkoming of beperking van macroprudentiële of systeemrisico’s als bedoeld in artikel 133, eerste lid van de CRD.

2.

Met inachtneming van artikel 133, vierde tot en met achtste lid van de CRD, besluit DNB op welke instellingen het eerste lid van toepassing is, op welk niveau en voor welke blootstellingen de systeemrisicobuffer geldt en wat de hoogte van de aan te houden buffer is.

Hoofdstuk 3. Microprudentiële opties en discreties

Artikel 3:1. - Risicoweging van en verbod op in aanmerking komende deelnemingen buiten de financiële sector

Gelet op artikel 89, lid 3 van de CRR en onverminderd artikel 90 van de CRR passen instellingen ter berekening van de kapitaalvereisten overeenkomstig deel drie van de CRR een risicogewicht van 1250% toe op het hoogste van het hiernavolgende:

Artikel 3:2. - Wanbetaling door debiteuren

Instellingen passen met betrekking tot de in artikel 178, lid 1, onderdeel b) van de CRR genoemde categorieën blootstellingen de ‘meer-dan-90-dagen-achterstallig’-norm toe.

Artikel 3:3. - Drempelwaarde voor de beoordeling van de materialiteit van een achterstallige kredietverplichting
1.

In de context van artikel 178, lid 2, onderdeel d) van de CRR beoordelen instellingen de materialiteit van een achterstallige kredietverplichting met gebruik van de volgende drempelwaarde, die twee componenten bevat:

2.

Voor instellingen die de definitie van wanbetaling vervat in artikel 178, lid 1, eerste alinea, onderdelen a) en b) van de CRR toepassen voor blootstellingen met betrekking tot particulieren op het niveau van een individuele kredietlijn, geldt de in lid 1 bedoelde drempelwaarde op het niveau van de individuele kredietlijn die aan de debiteur wordt verleend door de instelling, de moederonderneming van de instelling of een van haar dochterondernemingen.

3.

Wanbetaling wordt geacht zich te hebben voorgedaan wanneer beide in lid 1, onderdelen a) en b), uiteengezette grenzen gedurende negentig opeenvolgende dagen worden overschreden.

4.

Instellingen passen de drempelwaarde voor de beoordeling van de materialiteit van een achterstallige kredietverplichting ten laatste op 31 december 2020 toe. Zij stellen DNB uiterlijk op 1 maart 2020 in kennis van de exacte datum waarop zij beginnen met de toepassing van een dergelijke drempelwaarde.

Artikel 3:4. - Vrijstelling van limieten voor grote blootstellingen (grote posten)
1.

De volgende blootstellingen worden vrijgesteld van toepassing van de in artikel 395, lid 1 van de CRR genoemde limieten voor grote blootstellingen (grote posten), mits is voldaan aan de in artikel 400, lid 3 van de CRR gestelde voorwaarden:

2.

Instellingen beoordelen of is voldaan aan de in artikel 400, lid 3 van de CRR gestelde voorwaarden, alsook aan de bijlagen I en II, voor zover van toepassing op de specifieke blootstelling. DNB kan te allen tijde deze beoordeling verifiëren en daartoe van instellingen verlangen dat zij de in bijlage I of II bedoelde documentatie indienen.

Artikel 3:5. – Identificatie van de belangrijke beursindexen van een lidstaat of een derde land

De volgende indexen kwalificeren als belangrijke aandelenindexen voor het bepalen van de omvang van aandelen die overeenkomstig artikel 12, lid 1, punt c), van de LCR DR als activa van niveau 2B kunnen worden aangemerkt:

Artikel 3:6. – Niveau 2B-activa
1.

Instellingen die krachtens hun statuten om redenen van godsdienstige overtuiging niet in staat zijn om rentedragende activa aan te houden, kunnen bedrijfsschuldpapieren opnemen als activa van niveau 2B overeenkomstig alle in artikel 12, lid 1, onderdeel b) van de LCR DR vastgelegde voorwaarden.

2.

Voor de in lid 1 bedoelde instellingen kan DNB periodiek het in lid 1 vastgelegde vereiste herzien en vrijstelling van artikel 12, lid 1, onderdeel b), ii) en iii), van de LCR DR verlenen, indien aan de in artikel 12, lid 3, van de LCR DR is voldaan.

Artikel 3:7. – Factoren voor vereiste stabiele financiering voor blootstellingen buiten de balanstelling
1.

Tenzij DNB andere factoren voor vereiste stabiele financiering vaststelt, passen instellingen op blootstellingen buiten de balanstelling die niet in deel zes, titel IV, hoofdstuk 4, van de CRR worden genoemd en die binnen het toepassingsgebied van artikel 428 septdecies, lid 10, van de CRR vallen, factoren voor vereiste stabiele financiering toe die overeenstemmen met de uitstroompercentages die zij in het kader van artikel 23 van de LCR DR toepassen op gerelateerde producten en diensten in het liquiditeitsdekkingsvereiste.

2.

Instellingen die toestemming hebben ontvangen van DNB om het in deel zes, titel IV, hoofdstuk 5, van de CRR bedoelde vereenvoudigde nettostabielefinancieringsvereiste toe te passen, volgen de in het eerste lid gespecificeerde benadering bij de toepassing van artikel 428 quaterquadragies, lid 10 van de CRR.

Artikel 3:8. – Bepaling van de bezwaringsduur voor activa die zijn afgescheiden
1.

Indien activa overeenkomstig artikel 11, lid 3 van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad zijn afgescheiden en instellingen niet vrijelijk over dergelijke activa kunnen beschikken, beschouwen instellingen deze activa als bezwaard voor een periode die overeenkomt met de termijn van de verplichtingen jegens de cliënten van de instellingen waarop dat afscheidingsvereiste betrekking heeft.

2.

Instellingen die toestemming hebben ontvangen van DNB om het in deel zes, titel IV, hoofdstuk 5, van de CRR bedoelde vereenvoudigde nettostabielefinancieringsvereiste toe te passen, volgen de in het eerste lid gespecificeerde benadering bij de toepassing van artikel 428 quinquesquadragies, lid 2, van de CRR.

Artikel 3:9. – Toepassing toezichthouderdiscretie op grond van de CRR

Een bank als bedoeld in artikel 3:33a, eerste lid, van de Wft kan onroerend goed dat als zekerheid is gesteld voor gedekte obligaties waarderen tegen of onder de marktwaarde of tegen de hypotheekwaarde van dat onroerend goed, zonder dat de in artikel 229, eerste lid, onderdeel e, van de CRR vastgelegde plafonds hoeven te worden toegepast.

Hoofdstuk 4. - Slotbepalingen

Artikel 4:1. - Intrekking van toezichthouderregeling

De Regeling specifieke bepalingen CRD IV en CRR (Stcrt. 2013, 35423) wordt ingetrokken.

Artikel 4:2. - Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke bepalingen CRD en CRR.

Artikel 4:3. - Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2019.

Bijlage I. Bij de Regeling specifieke bepalingen CRD en CRR 2019

Voorwaarden voor de beoordeling van een vrijstelling van de limiet voor grote blootstellingen, zulks overeenkomstig artikel 400, lid 2, onderdeel c) van de CRR en artikel 3:5 van deze regeling.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.