Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 oktober 2019, nr. WJZ/ 19237719 , tot vaststelling van een regeling voor de verstrekking van subsidie voor het saneren van varkenshouderijlocaties in verband met geurhinder (Subsidieregeling sanering varkenshouderijen)
Gelet op de artikelen 2a, eerste lid, onderdeel c, en 3, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;
Besluit:
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- –. concentratiegebied: concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost zoals aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet;
- –. dierenverblijf: een overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden;
- –. geurgevoelig object: een in de Basisregistratie adressen en gebouwen opgenomen verblijfsobject met een woonfunctie, dat niet een bedrijfswoning is van een landbouwondernemingvoor het houden van landbouwhuisdieren en dat op grond van het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van die wet daaronder mede begrepen, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van die wet, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet, mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf;
- –. geurscore: een maat voor de omvang van de geurbelasting van een varkenshouderijlocatie op geurgevoelige objecten in de omgeving van de varkenshouderijlocatie, zoals bepaald op grond van artikel 2;
- –. intensieve veehouderij: een landbouwonderneming voor het houden van varkens, pluimvee, konijnen, vleeskalveren, vleesstieren, geiten of nertsen;
- –. landbouwonderneming: onderneming waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt;
- –. minister: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
- –. omgevingsvergunning beperkte milieutoets: vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
- –. omgevingsvergunning milieu: vergunning verleend krachtens artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
- –. productiecapaciteit: dierenverblijven, mest- en voersilo’s en mestkelders;
- –. varkenshouder: een ondernemer of onderneming die een varkenshouderij in stand houdt;
- –. varkenshouderij: een landbouwonderneming voor het houden van varkens die voldoet aan de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 702/2014 vastgestelde criteria;
- –. varkenshouderijlocatie: een plaats waar een varkenshouderij is gevestigd;
- –. varkensrecht: het varkensrecht, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel y, van de Meststoffenwet.
Artikel 2. Geurscore
De geurscore van een varkenshouderijlocatie wordt bepaald met behulp van de volgende methode:
- a. de geurbelasting, uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht, van de varkenshouderij op geurgevoelige objecten binnen een straal van 1.000 meter vanaf het geometrisch gemiddelde van de emissiepunten van de varkenshouderijlocatie wordt berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks gebied en met overeenkomstige toepassing van artikel 2, tweede tot en met zesde lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij;
- b. de voor deze geurgevoelige objecten berekende geurbelasting, voor zover deze ten minste 2,0 odour units per kubieke meter lucht bedraagt, wordt met toepassing van bijlage 1 omgezet in een weegfactor per geurgevoelig object;
- c. de in onderdeel b bedoelde weegfactoren worden opgeteld tot de geurscore.
Artikel 3. Kaderbesluit nationale EZ-subsidies
De artikelen 6, 8, 22, 23, 26, 28, 36, 36a, 41, 43, 52 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Criteria voor subsidieverstrekking
Artikel 4. Grondslag
De minister kan een varkenshouder op aanvraag subsidie verstrekken voor de onomkeerbare sluiting van een varkenshouderijlocatie indien de geurscore van die locatie meer bedraagt dan 0,4 en voor zover die locatie is gelegen binnen een concentratiegebied.
Voor subsidieverstrekking op grond van het eerste lid komt niet in aanmerking een varkenshouder die artikel 19, eerste lid, van de Meststoffenwet heeft overtreden.
Artikel 5. Vereisten
Er is sprake van een onomkeerbare sluiting van een varkenshouderijlocatie zoals bedoeld in artikel 4 indien:
- a. niet langer varkens op de varkenshouderijlocatie worden gehouden;
- b. de meststoffen van varkens zijn verwijderd van de varkenshouderijlocatie;
- c. overeenkomstig artikel 31, eerste lid, Meststoffenwet de varkenshouder een kennisgeving van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn varkensrecht heeft gedaan, waarbij ten minste het gedeelte van het varkensrecht vervalt dat vereist is voor het houden van 80% van het aantal varkens, uitgedrukt in varkenseenheden, dat gemiddeld in de periode vanaf 1 januari 2018 tot 1 januari 2019 op de varkenshouderijlocatie is gehouden;
- d. al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer:
- 1°. de varkenshouder, indien hij meldingsplichtig is voor de varkenshouderijlocatie op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, bij het bevoegd gezag melding heeft gedaan dat hij op de varkenshouderijlocatie niet langer varkens houdt en evenmin andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden en, indien de varkenshouder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tevens dient te beschikken over een omgevingsvergunning beperkte milieutoets, het bevoegd gezag de omgevingsvergunning beperkte milieutoets heeft ingetrokken; of
- 2°. het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de varkenshouderijlocatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de varkenshouderijlocatie varkens te houden en evenmin andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden;
- e. in het geval de varkenshouder voor de varkenshouderijlocatie beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming gedeputeerde staten deze vergunning heeft ingetrokken, of, in het geval de varkenshouder andere activiteiten op de veehouderijlocatie gaat verrichten, door een wijziging van de vergunning of anderszins naar het oordeel van de minister voldoende zeker is gesteld dat de andere activiteiten geen substantiële stikstofemissie opleveren;
- f. het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente binnen de grenzen waarvan de varkenshouderijlocatie zich bevindt, een verzoek van de varkenshouder in behandeling heeft genomen om het bestemmingsplan zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een intensieve veehouderij kan worden gevestigd;
- g. de varkenshouder zich met gebruikmaking van de in bijlage 2 opgenomen modelovereenkomst met de Staat der Nederlanden heeft verbonden om:
- 1°. niet langer op de varkenshouderijlocatie varkens te houden en ook geen andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
- 2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de varkenshouderijlocatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie varkens worden gehouden of andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden;
- 3°. geen varkens te gaan houden op een andere locatie dan waar hij ten tijde van de aanvraag reeds een varkenshouderijlocatie heeft; en
- h. de voor het houden van varkens op de varkenshouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit is afgebroken en verwijderd.
Artikel 6. Afwijzingsgronden
De aanvraag van de varkenshouder wordt afgewezen indien:
- a. de varkenshouder niet daadwerkelijk varkens voor productie heeft gehouden op de varkenshouderijlocatie of de daarvoor gebruikte productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is;
- b. de omgevingsvergunning milieu of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, of de op de varkenshouderijlocatie gebruikte huisvestingssystemen niet voldoet respectievelijk niet voldoen aan de vereisten van het Besluit emissiearme huisvesting die gelden tot 1 januari 2020.
De aanvraag kan worden afgewezen indien de varkenshouder niet voldoet of niet heeft voldaan aan de wettelijke vereisten voor het houden van varkens.
§ 3. Subsidiebedrag
Artikel 7. Subsidiecomponenten
De subsidie omvat:
- a. een bijdrage in verband met het geheel of gedeeltelijk vervallen van het varkensrecht; en
- b. een bijdrage in verband met het verlies van de waarde van de voor het houden van varkens op de varkenshouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit als gevolg van de onomkeerbare sluiting van de varkenshouderijlocatie.
Artikel 8. Bijdrage vervallen varkenseenheden
De in artikel 7, onderdeel a, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de waarde van het geheel of gedeeltelijk vervallen varkensrecht, voor zover dat vervallen varkensrecht niet meer bedraagt dan het varkensrecht dat vereist is voor het houden van 100% van het aantal varkens, uitgedrukt in varkenseenheden, dat gemiddeld in de periode vanaf 1 januari 2018 tot 1 januari 2019 op de varkenshouderijlocatie is gehouden.
De in het eerste lid bedoelde waarde wordt bepaald op basis van:
- a. de actuele waarde van het varkensrecht benodigd voor een varkenseenheid in het concentratiegebied waar de varkenshouderijlocatie is gelegen; en
- b. het gedeelte van het varkensrecht dat vervalt.
De minister stelt met het oog op de toepassing van dit artikel voor elk van de concentratiegebieden de actuele waarde van het varkensrecht benodigd voor een varkenseenheid vast aan de hand van de actuele marktprijs en maakt deze bedragen uiterlijk bekend op de dag voor de aanvang van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 10, eerste lid.
Artikel 9. Bijdrage waardeverlies
De in artikel 7, onderdeel b, bedoelde bijdrage bedraagt 65% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de voor het houden van varkens op de varkenshouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit.
De gecorrigeerde vervangingswaarde, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door per dierenverblijf het aantal m2 van het dierenverblijf te vermenigvuldigen met het bedrag dat in bijlage 3 is vermeld, uitgaand van de levensduur, uitgedrukt in jaren en maanden, van de romp van het dierenverblijf op het tijdstip dat is voldaan aan de vereisten, vermeld in artikel 5, onder a, b, c, d, e en f.
§ 4. Aanvraag tot subsidieverlening
Artikel 10. Openstellingsperiode en subsidieplafond
Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 25 november 2019 tot en met 15 januari 2020.
Het subsidieplafond voor de verstrekking van subsidies op aanvragen die zijn ingediend in de in het eerste lid bedoelde periode, bedraagt € 450.000.000,–.
Artikel 11. Aanvraag subsidieverlening
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4 wordt ingediend bij de minister met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.
De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder zijn onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;
- b. de varkenshouderijlocatie van de aanvrager waarop de aanvraag betrekking heeft;
- c. gegevens over de emissieparameters van het verspreidingsmodel V-Stacks gebied;
- d. het gemiddelde aantal varkens, uitgedrukt in varkenseenheden overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet, dat op de varkenshouderijlocatie is gehouden in de periode van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019;
- e. het gedeelte van het varkensrecht, uitgedrukt in varkenseenheden, dat zal vervallen;
- f. een opgave of de aanvrager voor de varkenshouderijlocatie beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming;
- g. een opgave van de voor het houden van varkens op de varkenshouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, met vermelding, voor zover het een dierenverblijf betreft, van:
- 1°. de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden, en
- 2°. het aantal m2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf.
Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden gevoegd:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.