Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 7 oktober 2019, WJZ/19222275, houdende vaststelling van de rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het voormalig Productschap Vis
Gelet op artikel XLVI van de Wet opheffing bedrijfslichamen;
Besluit:
Artikel 1
De rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het voormalig Productschap Vis wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum na die waarop het is bekendgemaakt.
Bijlage
Rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het Productschap Vis
Met de inwerkingtreding van de Wet opheffing bedrijfslichamen (Wob) op 1 januari 2015 zijn de zeventien Product- en bedrijfschappen opgeheven. In artikel XXXIX, derde lid, werd de Minister van EZ bevoegd alle rechtshandelingen te verrichten met het oog op de vereffening van het vermogens van de schappen. Op 1 januari 2019 is de Wob aangepast en werd de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Minister) verantwoordelijk voor de laatste fase van de vereffening van de vermogens van de schappen.
Voor u ligt de Rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het Productschap Vis (PVis). Het schriftelijk verslag, opgenomen in Deel I, gaat vergezeld van een slotbalans op 31 december 2017 en een rekening van baten en lasten over de periode 2015–2017 die zijn opgenomen in Deel II, en een bijlage waarin het stappenplan van de vereffening wordt toegelicht.
Het Ontwerp van de Rekening en verantwoording heeft conform artikel XLVI, vierde lid, van de Wob 8 weken ter inzage gelegen op het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Hiervan is op 19 april 2019 mededeling gedaan in de Staatscourant nr. 23196. In deze periode hebben zich geen nieuwe schuldeisers gemeld. Het voorliggende document is de definitief vastgestelde Rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het Productschap Vis (PVis).
Na vereffening resteert voor PVis een batig saldo van € 950.483.
Conform artikel XLVII van de Wob draagt de Minister er zorg voor dat het saldo een bestemming krijgt die ten nutte komt van het deel van het bedrijfsleven dat betrokken was bij PVis.
Conform artikel XLVI, achtste lid, van de Wob zendt de Minister de vastgestelde Rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van PVis aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
Verslag van de vereffening van het vermogen van het Productschap Vis
Deel I, Schriftelijk verslag
1. Achtergrond
1.1. De publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
Product- en bedrijfschappen, ook wel schappen genoemd, waren publiekrechtelijke samenwerkingsverbanden van representatieve ondernemers- en werknemersorganisaties die activiteiten ontplooiden ten behoeve van een branche of sector van het bedrijfsleven. Een schap verrichtte taken die individuele ondernemers of verenigingen van ondernemers en werknemers ieder voor zich niet konden verrichten, maar die met het oog op het algemeen belang of het belang van de branche of sector noodzakelijk werden geacht. Deze taken werden gefinancierd door, op basis van verordeningen, heffingen op te leggen aan alle ondernemingen in de betreffende sector. Schappen voerden ook taken in medebewind uit, die voortvloeiden uit overheidswet- en regelgeving en die ten goede kwamen aan de hele samenleving. Deze taken werden door de betreffende minister opgedragen aan een schap en gefinancierd door het departement en/of de Europese Unie (EU). Het merendeel van de medebewindstaken diende ter uitvoering van Europese regelgeving op het gebied van de landbouw, waaronder marktordeningsmaatregelen in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de EU. Maar het betrof ook taken op het gebied van plant- en diergezondheid, dierenwelzijn en voedselveiligheid en gezondheid. Schappen waren er in uiteenlopende branches en sectoren zoals onder meer de tuinbouw, de akkerbouw, de detailhandel en de horeca. Representatieve organisaties van ondernemers en werknemers in een bedrijfstak bepaalden zelf of zij een schap wilden laten instellen. Daarom hadden sommige sectoren van het bedrijfsleven wel een schap en andere niet.
Het stelsel van schappen werd ook wel de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (hierna: PBO) genoemd. Voor de schappen vormde de Wet op de bedrijfsorganisatie (1950) (hierna: Wbo) de juridische basis. Vanaf de oprichting van het eerste schap in 1954, het inmiddels opgeheven Landbouwschap, zijn tot de jaren ’60 van de vorige eeuw uiteindelijk 56 schappen ontstaan. Dit aantal is in de loop der jaren teruggelopen naar 37. Met een hergroeperingsoperatie in 1997 is het aantal schappen vervolgens via opheffing en samenvoeging verder teruggebracht tot het uiteindelijke aantal van 17; 11 productschappen en 6 bedrijfschappen.
Een schap (in de Wbo: bedrijfslichaam) werd, volgens de laatstelijk daarvoor geldende bepalingen in de Wbo, ingesteld bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) op voordracht van de betrokken Minister(s). In eerdere versies van de Wbo heeft instelling ook plaatsgevonden bij wet respectievelijk bij verordening van de Sociaal-Economische Raad (SER). De betrokken Minister(s) wonnen over het voornemen een schap in te stellen, eerst advies in van de SER. De SER hoorde, voordat hij advies uitbracht, de representatieve ondernemers- en werknemersorganisaties uit de betreffende marktsector. De leden van het bestuur van een schap werden benoemd door de representatieve ondernemers- en werknemersorganisaties.
De SER had wettelijk de taak om toezicht op de schappen uit te oefenen. De Bestuurskamer van de SER had onder meer taken op het terrein van de samenstelling en representativiteit van de besturen van de schappen. De Toezichtkamer van de SER hield onder meer toezicht op de verordeningen en besluiten, de financiën (heffingsverordeningen, begrotingen en jaarrekeningen) en de bevoegdheden (inclusief de principes van goed bestuur) van de schappen.
1.2. Politieke ontwikkelingen
Al jarenlang waren er in het Parlement langlopende discussies over het bestaansrecht van de schappen. Destijds zijn door het Kabinet, mede gelet op de door de Tweede Kamer aangenomen motie Aptroot van 16 februari 2011, meerdere alternatieven tot omvorming respectievelijk voortzetting van de schappen onderzocht. Op 20 december 2011 werd door een meerderheid van de Tweede Kamer de motie van Aptroot aangenomen waarin het Kabinet werd opgeroepen om de schappen af te schaffen. In het regeerakkoord ‘Bruggen slaan’ van oktober 2012 werd vastgelegd dat de schappen zouden worden opgeheven. Hieraan is gevolg gegeven met het ontwerp van de Wet opheffing bedrijfslichamen (Wob), het daarop volgende parlementaire traject en de inwerkingtreding van de Wob per 1 januari 2015.
Als gevolg van het opheffen van de schappen is hoofdstuk 2 van de Wbo komen te vervallen. De publieke taken van de schappen, onder meer op het gebied van plant-, dier- en volksgezondheid, zijn met een deel van de betrokken medewerkers van de desbetreffende schappen overgegaan naar het (toenmalige) Ministerie van Economische Zaken (EZ) en naar het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS); in samenhang met deze overgang van taken is de daarop van toepassing zijnde regelgeving gewijzigd. De overige taken van de schappen die niet als publiek werden beschouwd, zijn beëindigd, dan wel in de vorm van private initiatieven voortgezet.
1.3. Wet opheffing bedrijfslichamen
Met de inwerkingtreding van de Wob per 1 januari 2015 zijn de zeventien schappen opgeheven. Conform de Wob, artikel XXXIX, derde lid, werd de Minister van EZ (thans: Economische Zaken en Klimaat; hierna de Minister) bevoegd alle rechtshandelingen te verrichten met het oog op de vereffening van het vermogen van een schap, waaronder het vervreemden van onroerende en roerende zaken en het voldoen en innen van vorderingen. Onder verantwoordelijkheid van de plaatsvervangend secretaris-generaal is de uitvoering van deze taak belegd bij de Vereffeningsorganisatie PBO (VOPBO). In artikel XL is bepaald dat de kosten van de vereffening van het vermogen van een schap ten laste komen van het vermogen van het desbetreffende schap.
In juli 2017 heeft de Minister schriftelijk gerapporteerd aan beide Kamers over de stand van de vereffening over de periode 2015–2016 (vergaderjaar 2016-2017, 33 910, nr. 27).
Op 1 januari 2019 is de Wob aangepast en werd de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV) verantwoordelijk voor de laatste fase van de vereffening van de vermogens van de schappen.
Zodra de vereffening van het vermogen van een schap is afgerond, brengt de VOPBO daarover verslag uit aan de Minister van LNV in de vorm van een Ontwerp Rekening en verantwoording. Nadat de in de Wob vastgelegde hoor- en wederhoor procedure is doorlopen, stelt de Minister van LNV de Rekening en verantwoording van een schap vast en stuurt deze naar de Eerste en Tweede Kamer. Op grond van artikel XLVII, vierde lid, van de Wob draagt de Minister van LNV er zorg voor dat een batig saldo een bestemming krijgt die ten nutte komt van het deel van het bedrijfsleven dat betrokken was bij het desbetreffende schap. In geval van een nadelig saldo geeft de Minister van LNV op basis van artikel XLI, vierde lid, van de Wob aan hoe hier mee om te zullen gaan.
2. Het Productschap Vis
Op grond van de Wbo werd in 2003 het Productschap Vis (hierna: PVis) opnieuw ingesteld als opvolger van het Productschap Vis dat in 1992 was ingesteld na de samenvoeging van het Productschap voor Vis en Visproducten (1956), het Bedrijfschap voor de visserij (het Visserijschap uit 1955) en het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven (1956). Deze waren op hun beurt taakopvolgers van het Bedrijfschap voor Visscherijproducten dat in 1942 was ingesteld.
Net als de andere schappen had PVis de taak om een algemeen belang dienende bedrijfsuitoefening te bevorderen bij de ondernemingen waarvoor het was ingesteld. Hierbij hoorde ook het behartigen van het gemeenschappelijk belang van die ondernemingen en van de daarbij betrokken personen. Meer specifiek lagen de activiteiten op het gebied van arbeidsmarkt, maatschappelijk verantwoord ondernemen, ketenbenadering, kwaliteit, onderwijs en kennisontwikkeling, innovatie en onderzoek, voorlichting en promotie, dierenwelzijn en voedselveiligheid.
Taken in medebewind waren er op het gebied van het vaststellen van verordeningen op grond van de Regeling medebewind Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Ook werden verordeningen vastgesteld op het gebied van het tegengaan van ziekten (in water en producten).
3. Verplichtingen jegens oud-werknemers
De medewerkers van de voormalige PBO hadden een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Met de inwerkingtreding van de Wob per 1 januari 2015 zijn conform artikel XXXVII, vierde lid, de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomsten van de voormalige medewerkers van de PBO ongewijzigd overgegaan op de Staat (lees: de Minister van EZK) als rechtsverhouding naar burgerlijk recht, dus niet naar ambtelijk recht. Op deze arbeidsovereenkomsten zijn de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) voor de PBO van toepassing en de in het kader van de opheffing van de PBO afgesloten Sociale Plannen.
3.1. Verloop uitkeringen in het kader van het Sociaal Plan Productschappen
Op 1 januari 2015 ontvingen 15 oud-medewerkers van PVis een uitkering in het kader van het Sociaal Plan Productschappen. In de jaren daarna zijn 8 oud-medewerkers met pensioen gegaan of maken om andere redenen geen gebruik meer van de regelingen. Vanaf 2018 maken 7 oud-medewerkers van PVis nog aanspraak op een uitkering. Naar verwachting zal het Sociaal Plan voor PVis doorlopen tot in 2029.
3.2. Pensioen
De pensioenaanspraken van de voormalige werknemers van PVis waren ondergebracht bij het Pensioenfonds Productschappen (PfP). Vanaf 2015 zijn de pensioenaanspraken verzekerd bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) in een collectief pensioencontract met levenslange uitkeringsgarantie. Voor de oud-werknemers met recht op een wachtgelduitkering is de pensioenopbouw voortgezet voor de duur van de voor hen resterende wachtgeldperiode.
4. Vorderingen van het schap
Op 1 januari 2015 heeft de VOPBO de rechten en plichten van PVis overgenomen tot zowel het opleggen als het innen van (achterstallige) heffingen.
4.1. Opleggen van achterstallige heffingen
In de bestuursvergadering van 30 december 2014 had het bestuur van PVis een wijziging van de heffingsverordening en een besluit van de voorzitter tot ontheffing van heffingsgrondslagen vastgesteld. De wijziging van de heffing betrof een verlaging van tarieven met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014 waardoor een grondslag werd gecreëerd voor restitutie van al betaalde heffingen. Dit had tot gevolg dat de VOPBO in 2015 op basis van herberekeningen ca. 2000 heffingsnota’s en restitutienota’s heeft opgelegd. Voor meer informatie wordt verwezen naar Deel II, paragraaf 2.1. van dit verslag.
4.2. Innen van (achterstallige) vorderingen
Nagenoeg alle nog openstaande vorderingen uit hoofde van heffingen zijn in de periode 2015–2017 geïncasseerd. Voor meer informatie wordt verwezen naar Deel II, paragraaf 2.1 van dit verslag.
4.3. Overige vorderingen
In de periode 2015–2017 kwamen twee vorderingen aan de orde die waren aan te merken als een niet-reguliere vordering van PVis. Hieronder worden deze dossiers toegelicht.
4.3.1. Vordering van PVis op de Visveiling Urk (en vice versa)
Op 1 januari 2015 had PVis een vordering uitstaan op de Visveiling Urk van € 53.826. Volgens PVis betrof dit nog te ontvangen heffingen over de jaren 2010–2014 die door de Visveiling waren ingehouden en ontvangen maar niet afgedragen aan PVis. De Visveiling stelde dat dit betrekking had op in te houden heffingen aan buitenlandse vissers en dat PVis geen grondslag had om dit te doen. Ondanks vele pogingen lukte het de VOPBO niet om het dossier te complementeren met de benodigde informatie en stukken. Ook bleek de Visveiling Urk nog een vordering te hebben op PVis met betrekking tot nog openstaande facturen tot een bedrag van totaal € 30.404. Uiteindelijk kwamen de VOPBO en de Visveiling Urk overeen beide vorderingen tegen finale kwijting in den minne te willen schikken, wat in januari 2018 werd vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 e.v. uit het Burgerlijk Wetboek. Voor een toelichting wordt verwezen naar Deel II, paragraaf 2.6 van dit verslag.
4.3.2. Vordering van PVis op de Stichting De Noordzee
Op 31 december 2014 had PVis een vordering op de Stichting De Noordzee (SDN) van € 24.558. Dit betrof een subsidieafrekening van het project ‘Een maatschappelijk verantwoorde visserij’ uit de categorie collectieve acties in de visketen uit 2014. Basis van het geschil was dat EZK in 2013 de som van de loonkosten naar beneden had bijgesteld waardoor na herberekening van de totale projectkosten de SDN in 2010 teveel subsidie had ontvangen. De SDN ging hiertegen in bezwaar bij EZK en stelde PVis hiervoor mede aansprakelijk. Nadat het bezwaar was afgewezen ging SDN in beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Medio 2014 stelde het CBb de SDN voor een deel in het gelijk. Dit leidde tot een herziening van de beslissing op bezwaar waarbij de vordering van PVis naar beneden werd bijgesteld. In 2017 heeft de SDN de vordering betaald en kon de VOPBO het dossier afronden. Voor meer informatie wordt verwezen naar Deel II, paragraaf 2.6 van dit verslag.
5. Vorderingen op het schap
Ter uitvoering van artikel XLV, eerste lid, van de Wob is de datum van de aanvang van de vereffening per 1 oktober 2015 bekend gemaakt in de Staatscourant nr. 31964 van 29 september 2015. Hierbij zijn degenen die een (nog niet bekende) vordering op een schap hadden, opgeroepen deze vordering binnen negen maanden (derhalve voor 1 juli 2016) schriftelijk in te dienen bij de VOPBO onder vermelding van de grondslag van de vordering.
Voor PVis heeft bovengenoemde bekendmaking geen reacties opgeleverd.
Los van bovenstaande stond er nog een vordering open van de ‘Buitenlandse Vissers’ op PVis, die hieronder wordt toegelicht.
Eind 2011 had een groep ondernemers die met kotters onder buitenlandse vlag voeren, beroep ingediend bij het CBb tegen onverschuldigd voorlopig doorberekende heffingen via afslagadministraties. Bij uitspraak van 24 november 2014 stelde het CBb deze groep ondernemers in het gelijk. Het schap ging in overleg met de betrokken groep ondernemers na of en zo ja op welke wijze deze zaak kon worden afgewikkeld. De partijen kwamen er niet direct uit. In maart 2015 heeft de VOPBO onder algehele en finale kwijting de zaak geschikt met de betrokken ondernemers, wat werd vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 e.v. van het Burgerlijk Wetboek. Voor meer informatie wordt verwezen naar Deel II, paragraaf 6.5 van dit verslag.
6. Projectsubsidies
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.