Regeling van de Minister van Algemene Zaken, van 25 november 2019, nr. 4100268, inzake vertrouwenspersonen integriteit en ongewenste omgangsvormen en Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen Ministerie van Algemene Zaken

Type Ministeriële regeling
Publication 2020-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 9:14 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 3, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet en de artikelen 4 en 6 van de Klachtenregeling seksuele intimidatie burgerlijk rijkspersoneel;

Gehoord de Ondernemingsraad van het Ministerie van Algemene Zaken;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Bedrijfsvoering Rijk van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

§ 2. Werkingsgebied

Artikel 2
1.

De medewerker die een schending van de integriteit of een misstand vermoedt kan zich wenden tot een vertrouwenspersoon.

2.

De medewerker die wordt of is geconfronteerd met ongewenste omgangsvormen kan zich wenden tot een vertrouwenspersoon of tot de commissie.

3.

Een klacht bij de commissie wordt gericht aan de Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen AZ, UBR | Personeel i.o, Postbus 20011, 2500 EA Den Haag.

4.

Betrokkene kan zich eveneens tot een vertrouwenspersoon wenden.

§ 3. Vertrouwenspersoon integriteit en ongewenste omgangsvormen

Artikel 3
1.

Er zijn ten minste twee vertrouwenspersonen integriteit en ongewenste omgangsvormen.

2.

De vertrouwenspersoon ressorteert als zodanig rechtstreeks onder de secretaris-generaal.

Artikel 4
1.

De vertrouwenspersoon wordt aangewezen en van zijn taak ontheven door de secretaris-generaal.

2.

Aanwijzing vindt, behoudens tussentijdse taakontheffing, plaats voor de duur van 4 jaar en kan twee maal met 4 jaar worden verlengd.

Artikel 5
1.

De vertrouwenspersoon heeft op het gebied van de integriteit in ieder geval de volgende taken:

2.

De vertrouwenspersoon heeft op het gebied van het melden van het vermoeden van een misstand de taak die is omschreven in Hoofdstuk 13 van de CAO Rijk 2020.

Artikel 6

De vertrouwenspersoon heeft op het gebied van ongewenste omgangsvormen in ieder geval de volgende taken:

Artikel 7

Ingeval zich zowel de in artikel 2, eerste en tweede lid, bedoelde medewerker als de betrokkene zich tot een vertrouwenspersoon wenden, vindt de taakvervulling plaats door twee verschillende vertrouwenspersonen.

Artikel 8
1.

De vertrouwenspersonen brengen jaarlijks voor 1 mei een gezamenlijk verslag uit aan de secretaris-generaal.

2.

Het verslag bevat een geanonimiseerd overzicht van hun werkzaamheden in het voorgaande kalenderjaar.

§ 4. Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen AZ

Artikel 9

Er is een Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen AZ.

Artikel 10
1.

De commissie wordt telkens na het indienen van een klacht samengesteld.

2.

De commissie bestaat uit:

3.

De leden van de commissie hebben zo nodig plaatsvervangers.

4.

Bij afwezigheid van de voorzitter treedt een van de andere leden of een plaatsvervangend lid op als voorzitter.

5.

De Manager Arbeidsjuridisch Advies van UBR | Personeel i.o. benoemt de leden en de plaatsvervangend leden van de commissie, waarbij de Manager Unit P&O/I een bij het ministerie werkzame persoon als lid kan voordragen.

Artikel 11

De commissie wordt bijgestaan door een secretaris die wordt aangewezen door de Manager Arbeidsjuridisch Advies van UBR | Personeel i.o.

Artikel 12
1.

De commissie heeft tot taak het verrichten van onderzoek naar elke bij haar ingediende klacht en het uitbrengen van een rapport van bevindingen, vergezeld van een advies en eventuele aanbevelingen. Deze taak heeft mede betrekking op klachten over gedragingen die gerelateerd zijn aan de ongewenste omgangsvormen waarop de ingediende klacht betrekking heeft.

2.

De commissie brengt het in het eerste lid bedoelde rapport en advies uit aan de secretaris-generaal, die de klacht schriftelijk afdoet. Als de klacht de secretaris-generaal betreft brengt de commissie het rapport en het advies uit aan de minister, die de klacht schriftelijk afdoet.

4.

Als tijdens het onderzoek naar de klacht zowel klager als betrokkene bereid blijken tot bemiddeling of mediation schort de commissie de behandeling van de klacht op.

Artikel 13
1.

De bij de behandeling van een klacht betrokken leden van de commissie stellen het rapport en het advies bij meerderheid van stemmen vast.

2.

De bij de behandeling van een klacht betrokken fungerend voorzitter en leden ondertekenen het rapport, het advies en de eventuele aanbevelingen.

3.

De secretaris draagt zorg voor de verzending van het rapport, het advies en de eventuele aanbevelingen aan de secretaris-generaal, respectievelijk de minister als de klacht de secretaris-generaal betreft.

Artikel 14

De commissie is bevoegd:

Artikel 15
1.

De secretaris van de commissie registreert alle schriftelijk ingediende klachten.

2.

De commissie brengt jaarlijks voor 1 mei een verslag uit aan de secretaris-generaal.

3.

Het verslag bevat een geanonimiseerd overzicht van het aantal en de aard van de klachten in het voorgaande kalenderjaar en de strekking van de adviezen die daarover zijn uitgebracht. Het verslag kan aanbevelingen van algemene aard bevatten.

Artikel 16
1.

De commissie draagt zorg dat de op klachten betrekking hebbende dossiers die door de commissie zijn aangelegd worden overgedragen aan de Manager Unit P&O/I. De dossiers zijn alleen toegankelijk voor de voorzitter van de commissie, de secretaris-generaal, de Manager Unit P&O/I en de door dezen daartoe aangewezen medewerkers.

2.

De Manager Unit P&O/I ziet toe op de zorgvuldige bewaring van de overgedragen dossiers en draagt zorg voor de vernietiging hiervan overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke termijnen.

§ 5. Rechtspositie

Artikel 17
1.

Een lid of gewezen lid van de commissie respectievelijk een vertrouwenspersoon of gewezen vertrouwenspersoon ondervindt in zijn positie als medewerker geen nadeel van zijn activiteiten in het kader van de uitvoering van deze regeling.

2.

Een medewerker die te goeder trouw ongewenste omgangsvormen aan de orde heeft gesteld of een klacht heeft ingediend respectievelijk een vermoedelijke integriteitschending, anders dan het vermoeden van een misstand, heeft gemeld ondervindt in zijn positie als medewerker geen nadeel van zijn handelwijze.

§ 6. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 18

Voor de eerste maal worden als vertrouwenspersonen aangewezen de personen die reeds als zodanig waren aangewezen. Deze aanwijzing geldt voor de resterende duur van hun eerdere aanwijzing.

Artikel 19

Het Besluit klachtencommissie AZ wordt ingetrokken.

Artikel 20

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020.

Artikel 21

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vertrouwenspersonen integriteit en ongewenste omgangsvormen en Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen AZ.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.