Besluit van 21 november 2019, houdende vaststelling van het tijdstip tot wanneer de verzekerde met verblijf zonder behandeling geen recht heeft op mobiliteitshulpmiddelen op grond van de Wlz
Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 november 2019, kenmerk 1572784-194503-WJZ;
Gelet op de artikelen 11.1.6, derde lid, van de Wet langdurige zorg en artikel 8.6a, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
Hebben goedgevonden en verstaan:
artikel Enig
De verzekerde die op grond van de Wet langdurige zorg zonder behandeling in een instelling verblijft heeft tot 1 januari 2020 geen recht op individueel gebruik van mobiliteitshulpmiddelen als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet langdurige zorg.
Artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 geldt tot 1 januari 2020 niet voor de daar bedoelde cliënten die zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd.
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, is belast met de uitvoering van dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting dat in het staatsblad zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.