Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Limburg 2020

Type Ministeriële regeling
Publication 2019-12-31
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de hoofdstukken I en VIII van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

Overwegende dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen heeft besloten toe te treden tot deze gemeenschappelijke regeling;

Besluiten:

De Gemeenschappelijke regeling Regionaal Historisch Centrum Limburg te vervangen door een nieuwe gemeenschappelijke regeling:

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk II. Historisch Centrum Limburg

Artikel 2
1.

De regeling wordt getroffen met het doel de belangen van de Minister en de colleges B&W bij alle aangelegenheden betreffende de archiefbescheiden, collecties, individuele documenten en dergelijke die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten, in gezamenlijkheid te behartigen.

2.

Het Historisch Centrum Limburg voert bij de behartiging van de belangen, bedoeld in het eerste lid, het archiefbeleid en het cultuurhistorisch beleid van de Minister en de gemeenten mede uit.

3.

De Minister en de gemeenten kunnen gezamenlijk algemene aanwijzingen geven omtrent de wijze waarop het Historisch Centrum Limburg de belangen, bedoeld in het eerste lid, behartigt.

Artikel 2a
1.

Er is een openbaar lichaam genaamd Historisch Centrum Limburg, dat gevestigd is in Maastricht.

2.

Het openbaar lichaam heeft rechtspersoonlijkheid.

3.

De bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg zijn:

4.

Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van het openbaar lichaam.

Hoofdstuk III. Doel en taken

Artikel 2b
1.

Aan het bestuur van het Historisch Centrum Limburg zijn de navolgende werkzaamheden, taken en bevoegdheden van de Minister en de colleges B&W overgedragen:

2.

Het Historisch Centrum Limburg stelt zich tevens ten doel het in de archiefbewaarplaatsen van de Minister en de gemeenten ondergebrachte cultuurhistorisch erfgoed toegankelijk te maken voor en onder de aandacht te brengen van een breed publiek.

Artikel 3

Het algemeen bestuur stelt de regels omtrent de kosten, bedoeld in artikel 19 Archiefwet 1995, vast bij unanimiteit en volgt daarbij zoveel mogelijk de regels die de Minister op grond van artikel 19 Archiefwet 1995 heeft vastgesteld voor de archiefbescheiden van het Rijk.

Hoofdstuk IV. Het algemeen bestuur

Artikel 4
1.

Het algemeen bestuur bestaat uit zes leden.

2.

De Minister wijst twee leden aan.

3.

De colleges B&W wijzen uit hun midden ieder twee leden aan.

4.

De Minister en de colleges B&W kunnen voor ieder lid tevens één plaatsvervangend lid, voor de colleges B&W uit hun midden, aanwijzen, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt.

5.

Het lidmaatschap van het algemeen bestuur van de leden, aangewezen door de Minister, eindigt op het moment dat de termijn waarvoor het lid benoemd is, afloopt. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur van de leden, aangewezen door de colleges B&W, eindigt op het moment dat de zittingsperiode van het college van burgemeester en wethouders van een van de gemeenten afloopt.

6.

Het lidmaatschap van de leden, aangewezen door de colleges B&W, eindigt tevens bij beëindiging van het lidmaatschap van die leden van het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente.

7.

Een persoon waarvan het lidmaatschap ingevolge het vijfde lid is geëindigd, kan opnieuw worden aangewezen.

8.

Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wijzen de Minister of de colleges B&W zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.

9.

Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw lid is aangewezen.

Artikel 5
1.

Ieder lid van het algemeen bestuur heeft één stem.

2.

Een lid van het algemeen bestuur neemt niet deel aan de stemming over een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger in een andere hoedanigheid eveneens betrokken is en waarbij belangenspanning speelt of de integriteitsvraag aan de orde zou kunnen zijn.

3.

Een aanwijzing gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt.

4.

Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.

5.

Het vierde lid is niet van toepassing:

6.

Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.

7.

Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.

Hoofdstuk V. De taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur

Artikel 6
1.

Aan het algemeen bestuur behoren ter uitvoering van de aan het Historisch Centrum Limburg toegekende taak alle bevoegdheden die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen.

2.

Het algemeen bestuur kan de directeur, bedoeld in artikel 29, tot rijksarchivaris in de provincie en tot gemeentearchivaris van de gemeenten aanwijzen.

3.

Aan de bevoegdheden van het algemeen bestuur worden geen beperkingen opgelegd ingevolge artikel 31 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, mits het totaal van de aangegane verplichtingen binnen de goedgekeurde begroting valt. Voor het aangaan van verplichtingen door het algemeen bestuur buiten de goedgekeurde begroting geldt de procedure van artikel 18, 18a en 19.

4.

Het algemeen bestuur besluit slechts tot oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de Minister en de raden van de gemeenten in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. Het besluit wordt genomen bij unanimiteit.

Artikel 7

Het algemeen bestuur verstrekt zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de Minister, de raden van de gemeenten en de colleges B&W de door hen gevraagde inlichtingen.

Artikel 8
1.

Een lid van het algemeen bestuur dat is aangewezen door de Minister verstrekt aan de Minister zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen 45 dagen de door de Minister gevraagde inlichtingen.

2.

Een lid van het algemeen bestuur dat is aangewezen door de colleges B&W verstrekt aan de colleges B&W en aan de raden van de gemeenten zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen 45 dagen de door een of meer leden van de colleges B&W of raden van de gemeenten gevraagde inlichtingen.

3.

De Minister, de colleges B&W en de raden van de gemeenten kunnen een lid van het algemeen bestuur dat door de Minister of de colleges B&W is aangewezen, nadat de inlichtingen in een vergadering of schriftelijk zijn verstrekt of dienden te zijn verstrekt, ter verantwoording roepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

Artikel 9

De Minister en de colleges B&W kunnen een door hen aangewezen lid van het algemeen bestuur, dat hun vertrouwen niet meer geniet, ontslag verlenen.

Hoofdstuk VI. Het dagelijks bestuur

Artikel 10
1.

Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en twee door het algemeen bestuur uit zijn midden aan te wijzen leden.

2.

Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur.

3.

Artikel 4, achtste lid is van overeenkomstige toepassing.

4.

Elk lid van het dagelijks bestuur heeft één stem. Besluitvorming vindt plaats bij volstrekte meerderheid van stemmen, voor zover niet anders bepaald in de regeling.

5.

In de vergadering van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd of besloten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

6.

Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering.

Artikel 11

Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als één of meer leden van het dagelijks bestuur dit nodig oordelen.

Artikel 12

Het dagelijks bestuur stelt regels voor zijn vergaderingen vast.

Hoofdstuk VII. De taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur

Artikel 13

Het dagelijks bestuur is in ieder geval belast met:

Hoofdstuk VIII. De voorzitter

Artikel 14

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.