Wet van 18 december 2019 tot invoering van een bronbelasting op renten en royalty’s (Wet bronbelasting 2021)
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een bronbelasting op renten en royalty’s naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties te introduceren en enkele antimisbruikbepalingen in de dividendbelasting en vennootschapsbelasting te wijzigen om de aanpak van belastingontwijking voortvarend voort te zetten;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2. Belastingplicht
Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag
Hoofdstuk 4. Tarief
Hoofdstuk 2. Belastingplicht
Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen
Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag
Artikel 7.1. Wijzigingen Wet bronbelasting 2021
Wijzigt deze wet.
Artikel 7.2. Wijzigingen Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Artikel 7.3. Wijzigingen Wet op de dividendbelasting 1965
Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965.
Artikel 7.4. Wijzigingen Algemene wet inzake rijksbelastingen
Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 7.5. Wijzigingen Invorderingswet 1990
Wijzigt de Invorderingswet 1990.
Hoofdstuk 4. Tarief
Artikel 8.1. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2021.
In afwijking van het eerste lid treden artikel 7.2, onderdelen B en C, en artikel 7.3 in werking met ingang van 1 januari 2020, met dien verstande dat artikel 7.2, onderdeel B, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2020.
In afwijking van het eerste lid treedt artikel 7.1 in werking met ingang van 1 januari 2022.
Artikel 8.2. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet bronbelasting 2021.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 1.1. Bronbelasting
Onder de naam bronbelasting wordt een belasting geheven van het lichaam, bedoeld in artikel 2.1.
Artikel 1.2. Definities
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. voordeelgerechtigde: een lichaam dat gerechtigd is tot voordelen als bedoeld in artikel 3.1, met dien verstande dat een lichaam als bedoeld in artikel 2, elfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt aangemerkt als voordeelgerechtigde met betrekking tot voordelen als bedoeld in artikel 3.1 waartoe de houders van stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten in dat lichaam door tussenkomst van dat lichaam zijn gerechtigd;
- b. inhoudingsplichtige:
- 1°. naamloze vennootschappen;
- 2°. besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid;
- 3°. coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag;
- 4°. onderlinge waarborgmaatschappijen;
- 5°. verenigingen;
- 6°. stichtingen;
- 7°. andere Nederlandse rechtspersonen;
- 8°. fondsen voor gemene rekening;
- 9°. naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen als bedoeld in het tweede lid;
- 10°. lichamen als bedoeld in artikel 2, elfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, behalve voor zover de voordeelgerechtigde stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten houdt in dat lichaam en is gevestigd in een staat die dat lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt;
- c. aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige: een inhoudingsplichtige:
- 1°. waarin de voordeelgerechtigde onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft;
- 2°. die onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft in de voordeelgerechtigde;
- 3°. waarin een derde onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft, terwijl die derde tevens onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft in de voordeelgerechtigde;
- 4°. waarin de voordeelgerechtigde onmiddellijk of middellijk een belang heeft en waarin hij samen met een of meer andere lichamen die met hem een kwalificerende eenheid vormen onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft;
- 5°. die onmiddellijk of middellijk een belang heeft in de voordeelgerechtigde en die samen met een of meer andere lichamen die met die inhoudingsplichtige een kwalificerende eenheid vormen onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft in de voordeelgerechtigde; of
- 6°. waarin lichamen die deel uitmaken van een kwalificerende eenheid gezamenlijk onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang hebben en die lichamen tevens gezamenlijk onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang hebben in de voordeelgerechtigde;
- d. kwalificerend belang: een belang waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een lichaam kan worden uitgeoefend dat de activiteiten van het lichaam kunnen worden bepaald;
- e. laagbelastende jurisdictie: een bij ministeriële regeling aangewezen staat die:
- 1°. op 1 oktober van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het tijdvak, bedoeld in artikel 5.1, derde lid, lichamen niet of naar een tarief van minder dan 9% onderwerpt aan een belasting naar de winst; of
- 2°. is opgenomen in een in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het tijdvak, bedoeld in artikel 5.1, derde lid, geldende EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden;
- f. vaste inrichting: een vaste inrichting als bedoeld in artikel 3, vierde tot en met twaalfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
- g. kwalificerende eenheid: lichamen die gezamenlijk handelen met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een van die lichamen te ontgaan.
Onder de naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 9°, worden verstaan naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen:
- a. waarvan de rechtsvorm vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
- b. waarvan de rechtsvorm niet vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, noch met die van een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of een transparant fonds als bedoeld in artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, en die lichamen:
- 1°. in Nederland zijn gevestigd; of
- 2°. niet in Nederland zijn gevestigd en de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en kosten van een dergelijk lichaam volgens de fiscale regelgeving van een staat die dat lichaam als inwoner behandelt worden toegerekend aan dat lichaam.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, worden voor de heffing over de voordelen in de vorm van dividenden als bedoeld in artikel 3.1, onderdeel c, uitsluitend als inhoudingsplichtige aangemerkt de lichamen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 3°, 8° en 10°, de lichamen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1°, en naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen waarvan de rechtsvorm vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 3° of 8°.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden gelijkgesteld met aandelen in vennootschappen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° en 2°:
- a. bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening;
- b. lidmaatschapsrechten in een in Nederland gevestigde coöperatie en daarmee op één lijn te stellen bewijzen van deelgerechtigdheid tot het vermogen van een in Nederland gevestigde coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag;
- c. belangen in een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam waarvan de rechtsvorm vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 3° of 8°;
- d. belangen in een lichaam als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1°.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de fondsen voor gemene rekening, coöperaties, verenigingen op coöperatieve grondslag en lichamen, bedoeld in het vierde lid, gelijkgesteld met vennootschappen.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een fonds voor gemene rekening verstaan: een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam ook aangemerkt als voordeelgerechtigde, mits:
- a. de rechtsvorm van dat lichaam vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
- b. de rechtsvorm van dat lichaam niet vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van die wet, noch met die van een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of een transparant fonds als bedoeld in artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, en dat lichaam:
- 1°. in Nederland is gevestigd; of
- 2°. niet in Nederland is gevestigd en de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en kosten van dat lichaam volgens de fiscale wetgeving van een staat die dat lichaam als inwoner behandelt worden toegerekend aan dat lichaam.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, wordt een staat die voor het eerst bij ministeriële regeling wordt aangewezen als staat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, en in relatie waarmee op het moment van die eerste aanwijzing reeds een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van kracht is voor de toepassing van deze wet niet eerder als laagbelastende jurisdictie aangemerkt dan nadat sinds dat moment drie kalenderjaren zijn verstreken.
Indien voordelen als bedoeld in artikel 3.1 op grond van artikel 2.14bis, eerste of tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden toegerekend aan een participant in een lichaam als bedoeld in artikel 2.14bis, eerste of tweede lid, van die wet, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen die participant aangemerkt als de gerechtigde tot de voordelen, bedoeld in artikel 3.1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de beoordeling of voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam een met de rechtsvorm van een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 of een met die van een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of een transparant fonds als bedoeld in artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 vergelijkbare rechtsvorm heeft. Daarbij kunnen ook regels worden gesteld voor de beoordeling of een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam naast de rechtsvorm ook voor het overige met een lichaam vergelijkbaar is als bedoeld in de eerste zin.
Artikel 1.3. Fictieve vestigingsplaats
Indien de oprichting van een inhoudingsplichtige heeft plaatsgevonden naar Nederlands recht, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen die inhoudingsplichtige geacht in Nederland te zijn gevestigd. Een Europese naamloze vennootschap die bij haar oprichting werd beheerst door Nederlands recht, wordt voor de toepassing van de eerste zin geacht te zijn opgericht naar Nederlands recht.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden op de BES eilanden gevestigde inhoudingsplichtigen die door de toepassing van artikel 5.2 van de Belastingwet BES geacht worden niet op de BES eilanden te zijn gevestigd, geacht in Nederland te zijn gevestigd.
Artikel 2.1. Belastingplichtigen
Belastingplichtig voor de belasting is een lichaam dat gerechtigd is tot voordelen als bedoeld in artikel 3.1 en dat:
- a. naar de omstandigheden beoordeeld in een laagbelastende jurisdictie is gevestigd of volgens de fiscale of andere regelgeving van die jurisdictie aldaar is gevestigd;
- b. niet in een laagbelastende jurisdictie is gevestigd, waarbij die voordelen worden toegerekend aan een vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie;
- c. volgens de fiscale regelgeving van een staat, niet zijnde Nederland of een laagbelastende jurisdictie, in die staat is gevestigd en gerechtigd is tot die voordelen met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties waarbij:
- 1°. een constructie of transactie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan;
- 2°. een constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij, onderscheidenlijk het, niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen;
- d. volgens de fiscale regelgeving van de staat waarin de voordeelgerechtigde is gevestigd, niet zijnde een laagbelastende jurisdictie, aldaar niet wordt behandeld als de gerechtigde tot die voordelen omdat die staat een lichaam waarin die voordeelgerechtigde een belang heeft als gerechtigde tot die voordelen beschouwt; of
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.