Besluit van 18 december 2019, houdende regels over de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen)

Type AMvB
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 16 oktober 2019, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2725937;

Gelet op de artikelen 493, zesde lid, 6:1:15, 6:2:9, 6:2:14, 6:2:21, 6:3:6, 6:3:13, 6:4:8, 6:4:19, 6:5:3, 6:6:18 en 6:7:8 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 74, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 december 2019, nr. W16.19.0327/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 13 december 2019, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2770068;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 1:2
1.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de volgorde waarin straffen en maatregelen ten uitvoer worden gelegd.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

Hoofdstuk 2. Vrijheidsbenemende sancties

Titel 2.1. Voorwaardelijke invrijheidstelling

Artikel 2:1
1.

Het openbaar ministerie beslist of aan de voorwaardelijke invrijheidstelling bijzondere voorwaarden worden verbonden. Tevens beslist het openbaar ministerie of aan de voorwaarden elektronisch toezicht wordt verbonden.

2.

Indien bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling worden verbonden, geeft het openbaar ministerie of Onze Minister opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving en om de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Indien het openbaar ministerie de opdracht geeft, wordt Onze Minister hierover geïnformeerd.

3.

Het openbaar ministerie houdt rekening met de adviezen ontvangen van de reclassering en de directeur van de inrichting waar de veroordeelde staat ingeschreven.

4.

De adviezen van de reclassering en de directeur van de inrichting vermelden welke voorwaarden worden voorgesteld en de redenen waarom deze voorwaarden worden voorgesteld. De adviezen kunnen vermelden of het aangewezen is aan enige voorwaarde elektronisch toezicht te verbinden.

5.

De adviezen vermelden voorts het standpunt van de veroordeelde over de voorgestelde voorwaarden.

6.

Bij de beslissing houdt het openbaar ministerie rekening met voorwaarden die de veroordeelde eventueel in een ander kader zijn opgelegd en waarvan de proeftijd aanvangt of wordt voorgezet op het moment van voorwaardelijke invrijheidstelling. In het advies van de reclassering wordt hieraan aandacht besteed.

7.

Het openbaar ministerie betrekt bij zijn beslissing over de verlening van voorwaardelijke invrijheidstelling de beschikbaarheid van een aanvaardbaar verblijfadres.

Artikel 2:2
1.

De beslissing om bijzondere voorwaarden te stellen wordt gemotiveerd.

2.

De veroordeelde wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk door het openbaar ministerie op de hoogte gesteld van de beslissing. Een afschrift van de beslissing wordt aan Onze Minister verzonden.

Artikel 2:3
1.

Het openbaar ministerie vult de bijzondere voorwaarden aan, wijzigt ze of heft ze op indien de naleving door de veroordeelde of overige omstandigheden daartoe aanleiding geven.

2.

Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van een aanvulling, wijziging of opheffing van de bijzondere voorwaarden. Een afschrift van de beslissing wordt aan Onze Minister verzonden.

Artikel 2:4

Indien de directeur van de inrichting van oordeel is dat een jeugdige aan wie jeugddetentie is opgelegd voorwaardelijk in vrijheid behoort te worden gesteld, doet hij daaromtrent een gemotiveerd voorstel aan het openbaar ministerie.

Artikel 2:5
1.

Het openbaar ministerie brengt een beslissing van de rechter tot voorwaardelijke invrijheidstelling van een jeugdige aan wie jeugddetentie is opgelegd, onverwijld ter kennis van Onze Minister ten behoeve van de tenuitvoerlegging, onder mededeling van de aan de jeugdige opgelegde voorwaarden en het begin en het einde van de proeftijd.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het mededelen van beslissingen krachtens de artikelen 6:6:19, eerste lid, onder a en b, 6:6:21, eerste en tweede lid, en 6:6:32 van de wet.

Titel 2.1a. Strafonderbreking

Artikel 2:6
1.

Bij schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis bij jeugdigen kan de rechter één of meer van de volgende bijzondere voorwaarden aan de schorsing verbinden:

2.

Een behandeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, of de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onder i, kunnen geheel of gedeeltelijk bestaan uit een vorm van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, indien het college van burgemeester en wethouders een besluit heeft genomen tot het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet.

3.

De rechter kan de werking van de voorwaarden beperken tot een bij de beslissing tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis te bepalen tijdsduur, met dien verstande dat een behandeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, de begeleiding als bedoeld in het eerste lid, onder b, en een voorwaarde als bedoeld in het eerste lid, onder i, ten hoogste zes maanden kunnen duren. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht worden verbonden.

4.

De in artikel 493, zesde lid, van de wet bedoelde instemming moet blijken uit een door de jeugdige ondertekende verklaring, waarin de aard en inhoud van de voorwaarden zijn omschreven. De instemming van de jeugdige kan eveneens blijken uit het proces-verbaal van de terechtzitting.

Titel 2.3. Het netwerk- en het trajectberaad voor jeugdigen

Artikel 2:7
1.

Er wordt voorzien in nazorg bij jeugdigen middels begeleiding en ondersteuning tijdens en na verblijf in een inrichting.

2.

De nazorg heeft tot doel de voorbereiding van de terugkeer in de samenleving en het bevorderen van de geleidelijke overgang bij deze terugkeer.

3.

Indien de nazorg wordt vormgegeven via het trajectberaad, nemen daaraan deel:

Titel 2.4. Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 2:8
1.

Omtrent de jeugdige aan wie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, worden door of vanwege de directeur van de inrichting aantekeningen gehouden.

2.

De aantekeningen bevatten in elk geval:

Artikel 2:9

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.