Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 1 januari 2020, nr. 4091295, houdende mandaat, volmacht en machtiging voor het Ministerie van Algemene Zaken

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-04-29
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 10:3, 10:9, eerste lid, en 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht;

Gelet op artikel 4.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

§ 2. Mandaat, volmacht en machtiging

Artikel 2. Volmacht en machtiging
1.

Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van:

§ 3. Absolute uitzonderingen mandaat, volmacht en machtiging

Artikel 3. Uitzonderingen
1.

Aangelegenheden waarvan de aard zich tegen verlening van mandaat verzet zijn in ieder geval:

Artikel 4. Voorbehouden aan de Minister
1.

Mandaat in de zin van dit besluit heeft voorts geen betrekking op het afdoen en ondertekenen van stukken bestemd voor:

2.

De secretaris-generaal kan de stukken bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met h, afdoen en ondertekenen indien daarover afspraken zijn gemaakt tussen de Minister en de secretaris-generaal. In dat geval ondertekent de secretaris-generaal de stukken op de in artikel 16, vierde lid, voorgeschreven wijze.

Artikel 5. Mandaat secretaris-generaal
1.

Aan de secretaris-generaal wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor aangelegenheden op het gebied van de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft, zoals nader omschreven in de toelichting bij het koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499).

2.

Aangelegenheden op het gebied van:

3.

De secretaris-generaal heeft:

4.

De secretaris-generaal heeft bij uitsluiting van anderen mandaat ten aanzien van de volgende bevoegdheden, er wordt geen ondermandaat verleend met betrekking tot:

Artikel 6. Plaatsvervangend secretaris-generaal
1.

De plaatsvervangend secretaris-generaal vervangt de secretaris-generaal bij diens afwezigheid of verhindering en in de gevallen daartoe door de secretaris-generaal aangewezen. Hij treedt alsdan in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de secretaris-generaal.

2.

Aan de plaatsvervangend secretaris-generaal wordt mandaat verleend voor:

Artikel 7. Plaatsvervanging
1.

Bij gelijktijdige tijdelijke afwezigheid of verhindering van de secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal wordt het mandaat van de secretaris-generaal uitgeoefend door de secretaris ministerraad.

2.

De bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend uitgeoefend voor zover het aangelegenheden betreffen die behoren tot het werkterrein van de secretaris-generaal met inachtneming van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020, departementale procedures, richtlijnen en aanwijzingen van de secretaris-generaal.

§ 4. Ondermandaat secretaris-generaal

Artikel 8. Ondermandaat
1.

De secretaris-generaal is, voor zover niet anders is bepaald, bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan diensthoofden respectievelijk tot het beperken of het intrekken daarvan.

2.

De secretaris-generaal is bevoegd om in bijzondere gevallen, naast of in plaats van deze paragraaf, ondermandaat te verlenen aan een medewerker voor een bepaald geval, met inachtneming van artikel 1, derde lid, van het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996.

3.

De secretaris-generaal verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit (besluit van 1 januari 2020, nr. 4091305).

§ 4.1. Instructies over verlening van ondermandaat aan diensthoofden

Artikel 9. Algemene instructie over de verlening van ondermandaat aan diensthoofden

De secretaris-generaal maakt gebruik van de hem in artikel 8, eerste lid, van de in dit Mandaatbesluit bedoelde bevoegdheid tot het verlenen van ondermandaat en neemt daarbij het bepaalde in de hierna volgende artikelen 10 tot en met 14 in acht.

Artikel 10. Diensthoofden
1.

Aan het diensthoofd wordt mandaat verleend ten aanzien van de aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein en conform hun goedgekeurde prestatieplan (jaarplan en budget).

2.

Onverminderd het bepaalde in dit besluit, heeft het mandaat van het diensthoofd in ieder geval betrekking op:

Artikel 11. Financiële verplichtingen
1.

Het mandaat van het diensthoofd met betrekking tot het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven is beperkt tot het budget dat aan het diensthoofd ter beschikking is gesteld op basis van een door de secretaris-generaal en de directeur Financieel-Economische Zaken goedgekeurde prestatieplan. Het diensthoofd legt over het door hem gevoerde financiële beheer verantwoording af aan de secretaris-generaal.

2.

Het diensthoofd is bevoegd om in afwijking van het eerste lid financiële verplichtingen aan te gaan en uitgaven te doen, voor zover aan hem daartoe uitdrukkelijk schriftelijk mandaat is verleend door de Minister of de secretaris-generaal, met instemming van de directeur Financieel-Economische Zaken.

Artikel 12. Bijzonder mandaat diensthoofden
1.

Het mandaat van de directeur Bedrijfsvoering omvat tevens:

2.

De directeur Financieel-Economische Zaken fungeert tevens als Coördinerend Directeur Inkoop (afgekort CDI) en:

Artikel 13. Advies Hoofd Afdeling Personeel & Organisatie

Op grond van het krachtens artikel 10 verleende mandaat, neemt een diensthoofd, plaatsvervangend diensthoofd of medewerker eerst een besluit na daartoe verkregen advies van het Hoofd Afdeling Personeel & Organisatie ten aanzien van de volgende aangelegenheden:

Artikel 14. Ondermandaat diensthoofden
1.

Het diensthoofd is, voor zover niet anders is bepaald, bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende medewerkers ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van deze medewerkers, respectievelijk tot het beperken of het intrekken daarvan.

2.

Het diensthoofd kan, voor zover niet anders is bepaald, bij het verlenen van ondermandaat tevens de bevoegdheid toekennen tot het verlenen van ondermandaat aan een rechtstreeks onder de gemandateerde ressorterende medewerker of in bijzondere gevallen aan een andere medewerker.

3.

Het verlenen van ondermandaat door het diensthoofd voor het aangaan van financiële materiële verplichtingen en het doen van uitgaven is enkel mogelijk aan de in bijlage 1 van dit besluit genoemde, onder hem ressorterende medewerkers, met inachtneming van het aldaar genoemde maximumgrensbedrag per financiële materiële verplichting.

§ 5. Beheer van dit besluit

Artikel 15. Beheer en wijziging van het besluit
1.

De directeur Financieel-Economische Zaken is belast met het beheer van dit besluit.

2.

De secretaris-generaal, de diensthoofden en ieder voor zover het hen aangaat, zijn verantwoordelijk voor een juiste, volledige en tijdige aanlevering aan de directeur Financieel-Economische Zaken van gegevens die een goed beheer van dit besluit mogelijk maken.

3.

Alle op grond van dit besluit verleende volmachten worden opgenomen in het register dat de directeur Financieel-Economische Zaken bijhoudt.

4.

Wijziging van dit besluit geschiedt op initiatief van de directeur Financieel-Economische Zaken na inwinning juridisch advies.

5.

De directeur Financieel-Economische Zaken rapporteert aan de secretaris-generaal over het beheer van dit besluit.

§ 6. Regels, procedures en instructies mandaat

Artikel 16. Wijze van ondertekening/ ondertekening bij afwezigheid minister
1.

Ondertekening door de secretaris-generaal van een document krachtens mandaat luidt als volgt:

DE MINISTER-PRESIDENT,

Minister van Algemene Zaken,

namens deze,

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.