Circulaire wapens en munitie 2019
A. Algemeen deel
1. Hoofdlijnen van de wapenwetgeving
De nationale regelgeving met betrekking tot wapens en munitie wordt gevormd door:
Voor de thans geldende teksten van deze regelgeving wordt verwezen naar: www.overheid.nl
Naast dit formele kader is voor de uitvoering van de wapenwetgeving van belang de Circulaire wapens en munitie. De circulaire heeft een tweetal functies:
In onderdeel ‘C’ is een aantal bijlagen opgenomen.
1.1. Inleiding
De wapenwet- en regelgeving houdt het volgende in:
Genoemde aspecten van de regelgeving met betrekking tot wapens en munitie worden hieronder bij de aangegeven paragrafen nader uitgewerkt.
1.2. Categorieën wapens en munitie
De WWM heeft ten doel de openbare orde en veiligheid te waarborgen door het illegale bezit van wapens en munitie te bestrijden en legaal bezit zoveel mogelijk te beheersen. In de wapenwetgeving is omschreven welke voorwerpen als wapen worden aangemerkt en wat onder munitie moet worden verstaan.
Wapens en munitie zijn ingedeeld in verschillende categorieën. Voor elke categorie is in de WWM aangegeven welke handelingen met betrekking tot de wapens en munitie uit die categorie verboden zijn en op wie en wanneer dit van toepassing is. Ook is vastgelegd wanneer daarop een uitzondering van toepassing is. De bepalingen van de WWM zijn niet alleen van toepassing op wapens en munitie, maar tevens op bepaalde (essentiële) onderdelen van wapens en munitie.
1.2.1. Wapens
In artikel 2, eerste lid, van de WWM is de categoriale indeling voor wapens te vinden. In artikel 2 van de RWM is een aantal wapens nader gedefinieerd. In het onderstaande overzicht is in het kort aangegeven welke wapens onder de verschillende categorieën vallen en welke soorten vergunningen daarvoor kunnen worden onderscheiden.
1 Een vergunning voor wapens van categorie III en/of IV dient de aanvrager aan te vragen bij de Korpschef. Hiertoe kan de aanvrager zich in principe wenden tot de regionale eenheid van de politie van zijn woon- of verblijfplaats. Bij wijze van uitzondering verleent de Minister van Justitie en Veiligheid uit praktisch oogpunt ook ontheffingen voor categorie III en/of IV wapens indien de aanvraag bijvoorbeeld betrekking heeft op een evenement waarbij zowel wapens van categorie II als wapens van categorie III voorhanden worden gehouden.
1.2.2. Munitie
De indeling van munitie volgt in grote lijnen de categorie-indeling voor vuurwapens. Categorie II heeft betrekking op munitie die specifiek bestemd is voor wapens van categorie II en zogenoemde ‘oorlogsmunitie’. Categorie III omvat alle overige munitie. Omdat de categorieën I en IV geen vuurwapens bevatten bestaat er geen categorie I noch categorie IV munitie. Munitie voor lucht-, gas of veerdrukwapens is geen munitie in de zin van artikel 1, onder 4, van de WWM omdat het projectiel niet door middel van een vuurwapen wordt afgeschoten.
1.2.3. Onderdelen en hulpstukken van wapens
Artikel 3, eerste lid, van de WWM stelt dat de bepalingen betreffende wapens mede van toepassing zijn op onderdelen en hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn.
Uitgaande van deze bepaling kunnen met betrekking tot vuurwapens de hierna genoemde onderdelen worden aangemerkt als onderdelen waarop de WWM van toepassing is, omdat deze onontbeerlijk zijn voor het functioneren als vuurwapen, in sterke mate de werking van het vuurwapen mede bepalen, de werking van het vuurwapen kunnen wijzigen, dan wel het vuurwapen identificeren, hetzij door ingeslagen nummers hetzij door bij het afvuren sporen achter te laten op de patroonhuls of de kogel.
Onderdelen die onder de werking van de WWM vallen zijn:
De loop en de onderdelen die bestemd zijn om een vuurwapen (vol)automatisch te doen schieten en daarnaast de hieronder – niet limitatief – opgesomde onderdelen:
Specifiek voor de revolvers: de kast (frame), de loop en de cilinder.
Specifiek voor geweren: de kast (het frame), het magazijn, de bascule, het staartstuk, de loop en de grendel of afsluiter.
Specifiek voor pistolen de kast (het frame), het magazijn, de loop en de slede.
Voor een goed begrip wordt opgemerkt dat géén onderdeel van een wapen zijn: patroonschakels, patroonbanden, patroonhouders en laadstrips. Hieronder volgt een uitleg van deze begrippen.
Patroonschakel: Met ‘patroonschakel’ wordt gedoeld op een voorwerp geschikt om één patroon te omvatten en te worden gekoppeld aan een andere schakel, ofwel een patroon voorzien van een schakel zodanig dat een patroonband kan worden gevormd.
Patroonband: Met ‘patroonband’ op een (meestal) metalen voorwerp geschikt om meerdere patronen zijdelings te bundelen en bedoeld om de toe- of aanvoer van munitie in automatische wapens mogelijk te maken. Het bevat geen eigen aanbreng- of toevoermechanisme, maar beïnvloedt het functioneren van het wapen wel degelijk.
Patroonhouder: Met ‘patroonhouder’ wordt gedoeld op een voorwerp (bijvoorbeeld de Garand clip)bedoeld om meerdere patronen te bundelen teneinde het vervoer en/of het laden te vergemakkelijken en waarbij het invloed uitoefent op het functioneren van het wapen doordat het in het wapen wordt gebracht en daar ook de functie van patroon ‘houder’ vervult. Een patroonhouder bevat slechts patronen en is in tegenstelling tot een patroonmagazijn niet voorzien van enig aanbreng- of toevoermechanisme.
Laadstrip: Met ‘laadstrip’ wordt gedoeld op een voorwerp bedoeld om meerdere patronen te bundelen met als enig doel om het vervoer en/of het laden te vergemakkelijken, terwijl het geen invloed heeft op het technisch functioneren van het wapen. Het heeft nadat het wapen is geladen geen enkel nut meer.
1.2.4. Onderdelen van munitie
Artikel 3, tweede lid, van de WWM stelt dat de bepalingen betreffende munitie mede van toepassing zijn op onderdelen van munitie, voor zover die geschikt zijn om daarvan munitie te maken. Voor wat betreft munitie voor geweren, pistolen en revolvers worden daarvoor geschikt geacht: kogels, hulzen en slaghoedjes voor gebruik in hulzen. Percussiekapjes maken geen deel uit van een patroon of van een ander voorwerp dat bestemd of geschikt is om een projectiel door middel van een vuurwapen af te schieten en worden dan ook niet aangemerkt als onderdelen van munitie. Percussiekapjes mogen dan ook vrij voorhanden worden gehouden.
Los kruit is geen onderdeel van munitie en het voorhanden hebben van los zwart buskruit of rookzwak buskruit valt dan ook niet onder de werking van de WWM.
1.2.5. Beperkingen bevoegdheid munitie
De bevoegdheid om munitie voorhanden te mogen hebben, vindt zijn grondslag in artikel 26, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de WWM, alwaar is bepaald dat het voorhanden hebben uitsluitend is toegestaan voor houders van een verlof of jachtakte, voor zover dat verlof of jachtakte reikt.
Voor wat betreft hulzen dient nog opgemerkt te worden dat op grond van artikel 18, eerste lid, onder f, van de RWM het doen binnenkomen of uitgaan, vervoeren, voorhanden hebben en overdragen van kennelijk gebruikte lege patroon- en kardoeshulzen bestemd voor dan wel deel uitmakend van een verzameling, is vrijgesteld.
1.2.6. Samenhang tussen Wwm en Wecg
Artikel 17, aanhef en onder a, van de Rwm stelt verlofhouders en jachtaktehouders die munitie (met los kruit) herladen voor eigen gebruik, vrij van de verplichting om een erkenning als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wwm aan te vragen.
Op het bezit van los zwart buskruit of rookzwak buskruit is de Wet explosieven civiel gebruik (Wecg) van toepassing. In artikel 17 van de Wecg staat dat het verboden is om zonder erkenning explosieven – i.c. los kruit – te vervaardigen, op te slaan, te gebruiken, over te brengen of te verhandelen.
Houders van een verlof tot het voorhanden hebben van (wapens en) munitie of jachtaktehouders die vallen onder de vrijstelling van artikel 17 van de Rwm dienen er derhalve rekening mee te houden dat krachtens de Wet explosieven civiel gebruik (Wecg) los kruit niet zonder erkenning in de zin van de Wecg voorhanden mag worden gehouden.
1.3. Verboden, vrijstellingen en uitzonderingen
1.3.1. Verboden
In de wapenwetgeving zijn de diverse vormen van omgang met wapens en munitie in beginsel verboden. Zie bijvoorbeeld de artikelen 9, eerste lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste en vijfde lid, 27, eerste lid, en 31, eerste en vierde lid, WWM. De verboden hebben betrekking op de specifiek in de betreffende artikelen genoemde categorieën van wapens en munitie.
De volgende soorten handelingen kunnen worden onderscheiden:
Opgemerkt wordt dat sprake is van transformeren van vuurwapens indien een handeling wordt uitgevoerd waarbij de werking of de uitwerking van het wapen of de munitie wordt gewijzigd of de omvang van de onderdelen van wezenlijke aard worden gewijzigd. Daarbij kan het om zowel machinale als niet-machinale bewerking gaan. Het wisselen van onderdelen of het aanbrengen van optische hulpmiddelen valt niet onder het begrip transformeren.
1.3.2. Vrijstellingen
Van sommige van de genoemde verboden handelingen is door de Minister van Justitie en Veiligheid vrijstelling verleend. Een vrijstelling is een algemene uitzondering op een wettelijk verbod. Een vrijstelling hoeft niet te worden aangevraagd (in tegenstelling tot een vergunning; zie onderdeel A 1.4) en geldt voor bepaalde groepen van personen of wapens en munitie. Deze vrijstellingen zijn te vinden in de paragrafen 9 tot en met 15 en 17 van de RWM. Een vrijstelling kan alleen worden verleend indien de WWM daarvoor een wettelijke basis biedt. In de vrijstellingsbepalingen is omschreven in welke gevallen en onder welke voorwaarden een bepaald verbod niet geldt.
Voorbeelden van vrijstellingen zijn:
1.3.3. Uitzonderingen
In de wet zijn uitzonderingen opgenomen met betrekking tot een aantal van de genoemde verboden handelingen. Sommige uitzonderingen betreffen (nagenoeg) alle verboden handelingen, andere hebben slechts betrekking op een enkele nader aangegeven handeling. In het artikel van de WWM waarin de uitzondering is opgenomen, is bepaald op welke verboden handeling de uitzondering betrekking heeft. Genoemd worden:
Een belangrijke uitzondering heeft de wetgever daarnaast gemaakt voor de krijgsmacht, de politie, de buitengewone opsporingsambtenaren en de ‘overige openbare dienst’. Deze uitzonderingen zijn neergelegd in artikel 3a van de WWM, en worden hieronder nader toegelicht in onderdeel A 1.3.4.
1.3.4. Overheidsfunctionarissen
In artikel 3a van de WWM is bepaald welke verbodsbepalingen uit de WWM niet van toepassing zijn op de krijgsmacht, de politie, de buitengewoon opsporingsambtenaren en ander openbare diensten. In alle gevallen geldt dat de uitzonderingsbepaling alleen van toepassing is voor zover de desbetreffende minister(s) dit bij regeling heeft/hebben bepaald. Op grond van het vierde lid van artikel 3a van de WWM kan in een dergelijke regeling worden bepaald dat de uitzonderingsbepaling ook van toepassing is op niet-Nederlandse krijgsmacht, politie of openbare dienst. In de hieronder volgende onderdelen zal per groep een korte toelichting worden gegeven.
1.3.4.1. Krijgsmacht
Krachtens artikel 3a, eerste lid, van de WWM zijn de artikelen 9, eerste lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26 eerste lid, en 27 eerste lid, niet van toepassing op de krijgsmacht. Zij zijn evenmin van toepassing op personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, voor zover Onze Minister van Defensie dit bij regeling heeft bepaald.
In de ‘Regeling wapens en munitie krijgsmacht personeel’ (Stcrt. 1996, 250) heeft de Minister van Defensie deze uitzonderingsbepaling nader uitgewerkt. Naast Nederlands en niet-Nederlands krijgsmacht personeel in werkelijke dienst ziet deze regeling ook toe op burgerambtenaren in dienst van de Minister van Defensie die belast zijn met de uitoefening van een beveiligings- of bewakingstaak, werkzaam zijn bij een materieel beproevings- of onderhoudsafdeling dan wel werkzaam zijn bij een schietinrichting of vervoersdienst van wapens en munitie.
Ook civiele contractspartijen, voor zover deze door de Minister van Defensie zijn belast met het
vervoer van wapens en munitie, vallen onder de werking van deze regeling. Zo mogen transportbedrijven wapens en munitie van de categorie II en III vervoeren, voorhanden hebben, doen binnenkomen of uitgaan voor zover de opdracht daartoe, door de Minister van Defensie, blijkt uit door hen mee te voeren documenten.
1.3.4.2. Politie
Krachtens artikel 3a, tweede lid, van de WWM zijn de artikelen 9, eerste lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, 20a, tweede lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, 27, eerste lid, 32a, eerste lid, en 32b, eerste lid, zijn niet van toepassing op de politie. Zij zijn evenmin van toepassing op personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, voor zover Onze Minister dit bij regeling heeft bepaald.
1.3.4.3. Buitengewoon opsporingsambtenaren
Krachtens artikel 3a, derde lid, WWM, zijn de verboden van de artikelen 13, eerste lid, 14, eerste lid, 20a, tweede lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, 27, eerste lid, 32a, eerste lid, en 32b, eerste lid niet van toepassing op de overige openbare dienst en personen die
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.