Wet van 14 maart 2020 tot wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten vanwege opname in de Omgevingswet van regels over het vestigen van een voorkeursrecht, regels over onteigening, bijzondere regels voor het inrichten van gebieden en, met het oog op verschillende typen gebiedsontwikkelingen, een verdere aanpassing van de regels over kostenverhaal (Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet)

Type Wet
Publication 2024-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om, mede gelet op internationaalrechtelijke verplichtingen en de artikelen 14 en 21 van de Grondwet, de Omgevingswet aan te vullen met regels over regulering en ontneming van eigendom, regels voor het inrichten van gebieden en regels over kostenverhaal;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Aanvulling en wijziging van de Omgevingswet

Artikel 1.1. (Omgevingswet)

Wijzigt de Omgevingswet.

Hoofdstuk 2. Wijziging van andere wetten

Artikel 2.0. (Aanvullingswet geluid Omgevingswet)

Wijzigt de Aanvullingswet geluid Omgevingswet.

Artikel 2.0a. (Aanvullingswet bodem Omgevingswet)

Wijzigt de Aanvullingswet bodem Omgevingswet.

Artikel 2.0b. (Aanvullingswet natuur Omgevingswet)

Wijzigt de Aanvullingswet natuur Omgevingswet.

Artikel 2.1. (Algemene wet bestuursrecht)

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2.2. (Burgerlijk Wetboek)

Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6 en Boek 7.

Artikel 2.3. (Financiële-verhoudingswet)

Wijzigt de Financiële-verhoudingswet.

Artikel 2.4. (Gemeentewet)

Wijzigt de Gemeentewet.

Artikel 2.4a. (Invoeringswet Omgevingswet)

Wijzigt de Invoeringswet Omgevingswet.

Artikel 2.5. (Kadasterwet)

Wijzigt de Kadasterwet.

Artikel 2.6. (onteigeningswet)

Wijzigt de Onteigeningswet.

Artikel 2.6a. (Spoorwegwet)

Wijzigt de Spoorwegwet.

Artikel 2.7. (Vorderingswet)

Wijzigt de Vorderingswet.

Artikel 2.8. (Wet algemene regels herindeling)

Wijzigt de Wet algemene regels herindeling.

Artikel 2.9. (Wet op belastingen van rechtsverkeer)

Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer.

Artikel 2.10. (Wet op de economische delicten)

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Artikel 2.11. (Wet op het financieel toezicht)

Wijzigt de Wet op het financieel toezicht.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Hoofdstuk 3. Intrekking van wetten

Artikel 3.1. (Wet agrarisch grondverkeer)

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 3.2. (Wet inrichting landelijk gebied)

De Wet inrichting landelijk gebied wordt ingetrokken.

Artikel 3.3. (Wet voorkeursrecht gemeenten)

De Wet voorkeursrecht gemeenten wordt ingetrokken.

Hoofdstuk 4. Overgangsrecht

Artikel 4.1. (besluiten tot aanwijzing van gronden, rechtsgedingen en schadevergoeding Wet voorkeursrecht gemeenten)
1.

Als voor de inwerkingtreding van deze wet op basis van de Wet voorkeursrecht gemeenten een besluit tot voorlopige aanwijzing van gronden of een besluit tot aanwijzing van gronden is genomen, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.

2.

Als voor de inwerkingtreding van deze wet een besluit als bedoeld in artikel 10, zesde lid, of 12, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten is genomen, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.

3.

Als voor de inwerkingtreding van deze wet een rechtsgeding met betrekking tot een op basis van de Wet voorkeursrecht gemeenten onherroepelijk gevestigd voorkeursrecht aanhangig is, blijft het oude recht van toepassing tot het rechtsgeding onherroepelijk is afgerond.

4.

Als voor de inwerkingtreding van deze wet een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 25 van de Wet voorkeursrecht gemeenten bij de gemeente, de provincie of de Staat is ingediend, blijft het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop een vonnis over die vordering in kracht van gewijsde is gegaan en, bij toewijzing van die vordering, de schade volledig is vergoed.

Artikel 4.2. (gelijkstelling voorkeursrechten Wvg)
1.

Een onherroepelijk voorkeursrecht, gevestigd op grond van artikel 2 in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten geldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.

2.

Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 2 in samenhang met artikel 4, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten geldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet of als een voorkeursrecht op grond van een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening zolang nog geen gemeentelijke omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswet is vastgesteld.

3.

Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 2 in samenhang met artikel 5, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten geldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, onder c, van de Omgevingswet.

4.

Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 6 van de Wet voorkeursrecht gemeenten geldt als een voorkeursrecht op basis van artikel 9.1, tweede lid, van de Omgevingswet.

5.

Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 9a, eerste lid, eerste zin, van de Wet voorkeursrecht gemeenten geldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

6.

Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 9a, eerste lid, derde zin, van de Wet voorkeursrecht gemeenten geldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, tweede lid, van de Omgevingswet.

7.

Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 9a, tweede lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten geldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

Artikel 4.3. (registratie voorkeursrechten)

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/376.

Vervallen.

Artikel 4.4. (procedures onteigeningswet)
1.

Als voor de inwerkingtreding van deze wet een verzoek tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 62, eerste lid, 72a, eerste lid, 72b, eerste lid, 72c, tweede lid, 78, eerste lid, en 122, tweede lid, van de onteigeningswet is ingediend, blijft het oude recht van toepassing.

2.

Als voor de inwerkingtreding van deze wet een rechtsgeding met betrekking tot een voltooide onteigening op grond van de onteigeningswet aanhangig is, blijft het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop het vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen en ten uitvoer is gebracht.

3.

In een geval als bedoeld in artikel 4.64, eerste lid, of 4.65, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft, voor zover het gaat om onteigening als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid, van de Waterwet, het oude recht van toepassing tot de activiteit, genoemd in de omgevingsvergunning, ten uitvoer is gelegd.

Artikel 4.4a. (overgangsrecht onteigening tijdelijk deel omgevingsplan)

Als onteigening plaatsvindt vanwege een besluit dat op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k of l, van de Invoeringswet Omgevingswet geldt als deel van het omgevingsplan, is van onteigening als bedoeld in artikel 11.6, onder a, van de Omgevingswet ook sprake als de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer niet is uitgesloten.

Artikel 4.5. (overgangsrecht inrichting gebieden)
1.

Als een ontwerp van een besluit:

voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.

2.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een besluit als bedoeld in artikel 44 van de Wet inrichting landelijk gebied toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.

Artikel 4.6. (overgangsrecht inrichting gebieden)
1.

Een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied geldt voor de onderdelen waartegen beroep openstaat als inrichtingsbesluit als bedoeld in artikel 12.7 van de Omgevingswet en voor de overige onderdelen als een inrichtingsprogramma als bedoeld in artikel 3.14a van de Omgevingswet.

2.

Een ruilplan als bedoeld in artikel 47 van de Wet inrichting landelijk gebied geldt als ruilbesluit als bedoeld in artikel 12.22 van de Omgevingswet.

3.

In afwijking van het eerste lid vervalt een inrichtingsplan voor zover dat voorziet in de toewijzing en regeling van het beheer en onderhoud van waterlopen, dijken of kaden met de daartoe behorende kunstwerken, bedoeld in artikel 28, onder b, van de Wet inrichting landelijk gebied, op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt.

Artikel 4.7. (overgangsrecht inrichting gebieden)

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.