Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 12 april 2020, nr. IENW/BSK-2019/250897, houdende vaststelling van regels betreffende het in de handel brengen, de indienststelling en het onderhoud van spoorvoertuigen op de hoofdspoorwegen (Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020)
Gelet op richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2016, L 138) en richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PbEU 2016, L 138) en de artikelen 26d, onderdelen a tot en met e, 26e, 26f, tweede lid, 26g, 26o, onderdelen a tot en met d, f, en g, 26q, zesde lid, 26t, onderdelen a tot en met c, 26cc, onderdelen a en b, en 38, eerste en derde lid, van de Spoorwegwet;
BESLUIT:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- ATB: automatische treinbeïnvloeding;
- ATBEG: automatische treinbeïnvloeding Eerste Generatie;
- ATBNG: automatische treinbeïnvloeding Nieuwe Generatie;
- CLC: Europese norm, opgesteld door het Europees Comité voor Elektrotechnische Standaardisatie CENELEC, in de versie, genoemd in bijlage 1;
- EN: Europese norm, opgesteld door de Europese normalisatie-instelling CEN, in de versie, genoemd in bijlage 1;
- ETCS: European Train Control System;
- minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- netbeheerder: netbeheerder als bedoeld in artikel 1, onder k, van de Elektriciteitswet 1998;
- RINF: de RINF-toepassing als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Verordening (EU) 2019/777 van de Commissie van 16 mei 2019 inzake de gemeenschappelijke specificaties voor het register van de spoorweginfrastructuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2014/880/EU (PbEU 2019 L 139/312);
- rijmodus: inzet in treindienst als zelfrijdend spoorvoertuig of als getrokken spoorvoertuig, bedoeld in EN 14033-1:2017 en EN 15746-3:2020;
- STM: specifieke transmissiemodule als bedoeld in TSI CCS;
- toezichthouder: op grond van artikel 69 van de wet door de minister aangewezen personen;
- treinsamenstelling: operationeel samenstel van één of meer spoorvoertuigen;
- UIC: voorschrift van de Internationale Spoorweg Unie;
- voertuigen voor weg en spoorweg: voertuigen die zowel op het spoor als op de weg kunnen rijden;
- wagen: spoorvoertuig zonder eigen voortbewegingsinrichting bestemd voor het vervoer van goederen;
- wet: Spoorwegwet.
In deze regeling wordt voorts verstaan onder:
- besluit 2010/713/EU: besluit nr. 2010/713/EU van de Commissie van 9 november 2010 inzake de modules voor de procedure voor de beoordeling van de conformiteit, de geschiktheid voor gebruik en de EG-keuring die moet worden toegepast in het kader van de overeenkomstig richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde technische specificaties inzake interoperabiliteit (PbEU 2010, L 319);
- TSI CCS: verordening (EU) 2023/1695 van de Commissie van 10 augustus 2023 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van de subsystemen besturing en seingeving van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2023 L 222);
- TSI LOC&PAS: verordening (EU) 1302/2014 van de Commissie als laatst gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2023/1694 van de Commissie van 10 augustus 2023 betreffende een technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem ‘rollend materieel – locomotieven en reizigerstreinen’ van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2023 L 222);
- TSI WAG: verordening (EU) 321/2013 van de Commissie als laatst gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2023/1694 van de Commissie van 10 augustus 2023 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem ‘rollend materieel – goederenwagens’ van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Beschikking 2006/861/EG (PbEU 2023 L 222);
- uitvoeringsverordening (EU) 402/2013: uitvoeringsverordening (EU) 402/2013 van de Commissie van 30 april 2013 betreffende de gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en -beoordeling en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 352/2009 (PbEU 2013, L 121/8).
Artikel 2. Reikwijdte
Vervallen
§ 2. Nationale technische voorschriften
Artikel 3. Besturing en seingeving
De boorduitrusting voor besturing en seingeving die in een locomotief, treinstel, stuurrijtuig of bijzonder voertuig is aangebracht voldoet:
- a. voor zover het ETCS betreft, aan de eisen, genoemd in bijlage 3, hoofdstuk 2;
- b. voor zover het ATBEG betreft, aan de eisen, genoemd in bijlage 2;
- c. voor zover het de STM waarin de functies van ATBEG zijn gerealiseerd betreft, aan de eisen, genoemd in bijlage 2 en aan de eisen die zijn genoemd in bijlage 3, hoofdstuk 1;
- d. voor zover het ATBNG betreft, aan de eisen, genoemd in bijlage 2, hoofdstuk 3;
- e. voor zover het de STM waarin de functies van ATBNG zijn gerealiseerd betreft, aan de eisen genoemd in bijlage 2, hoofdstuk 3.
De boorduitrusting, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c, d en e, voorziet in registratieapparatuur die in ieder geval de volgende gegevens registreert:
- a. ATB-cabineseinen, bij bijzondere voertuigen voor zover deze beschikbaar of aanwezig zijn;
- b. de gegevens, genoemd in bijlage 4.
Artikel 4. Aarding
Met betrekking tot de eisen die voor dit artikel zijn genoemd bij index 1.1 in bijlage 1 wordt bij de dimensionering van de retourstroom- en veiligheidsaardingscircuits van een spoorvoertuig onder 1.500V DC energievoorziening aangetoond dat het circuit ten minste bestand is tegen de railretourstromen die kunnen optreden volgens de onderstaande tabel:
| Tijdsduur [s] | 1 | 33 | 67 | 89 | 115 | 201 | 254 | 306 | 331 | 341 | 515 | 796 | 833 | 931 | 973 | 1000 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Railstromen Tijdgewogen I-RMS [A] | 3093 | 3037 | 2938 | 2574 | 2310 | 1878 | 1677 | 1543 | 1584 | 1576 | 1301 | 1063 | 1105 | 1063 | 1111 | 1113 |
Tussen de waarden van de tabel in het eerste lid is het verloop van de stroom tegen de tijd lineair.
Artikel 5. Magneetremmen
Treinstellen bestemd voor het vervoer van personen zijn voorzien van een antiblokkeerinstallatie en van:
- a. adhesie-onafhankelijke remmen; of
- b. adhesieverbeterende maatregelen,
die remwegverlenging bij slechte adhesie voor alle snelheden tot vrijwel stilstand maximaal beperken.
Aan het eerste lid kan in ieder geval worden voldaan door:
- a. bij treinstellen bestaande uit één of twee delen, tenminste twee draaistellen elk te voorzien van één paar magneetremmen; of
- b. bij treinstellen bestaande uit drie of meer delen, per twee delen tenminste één draaistel te voorzien van één paar magneetremmen.
In geval van een noodremming bij treinstellen met magneetremmen,
- a. ligt de treinsnelheid waarbij de magneetrem gedeactiveerd moet worden, zo laag mogelijk en in ieder geval lager dan 10 km/u; en
- b. ligt de treinsnelheid waarbij de magneetrem vrijgegeven moet worden voor activering zo dicht mogelijk bij de treinsnelheid, bedoeld onder a, en in ieder geval maximaal 3 km/u hoger dan de treinsnelheid, bedoeld onder a.
In geval spoorvoertuigen zijn uitgerust met een magneetreminrichting, werkt deze alleen in geval van noodremmingen of als parkeer- of halterem.
Artikel 6. Profiel
Spoorvoertuigen die gebruik maken van het traject Roosendaal–Belgische grens en Maastricht–Belgische grens, hebben aan de onderzijde een uitsparing voor het treinbeveiligingssysteem Crocodile/Memor, in overeenstemming met de eisen, voor dit artikel genoemd in bijlage 1, index 2.1.
Artikel 7. Loopeigenschappen
Indien spoorvoertuigen voorzien zijn van wielen met een diameter kleiner dan 730 mm, wordt de veilige berijdbaarheid van Engelse wissels en kruisingen met een hoekverhouding van 1:9 en 1:10 aangetoond in overeenstemming met de eisen, beschreven in bijlage 14.
Artikel 8. Wielflenssmeerinstallaties
Indien spoorvoertuigen voorzien zijn van wielflenssmeerinstallaties, voldoen de positie van de spuitmond en de locatie waar het smeermiddel op het wiel wordt aangebracht, aan de eisen, voor dit artikel genoemd in bijlage 1, index 3.1.
Artikel 9. Elektromagnetische compatibiliteit
Spoorvoertuigen voldoen ten aanzien van elektromagnetische compatibiliteit aan de eisen, die voor dit artikel zijn genoemd in bijlage 1, index 4.1.
Artikel 10. Compatibiliteit met treindetectie van de hoofdspoorweginfrastructuur
Indien de detectie wordt bewerkstelligd door middel van laagfrequente spoorstroomlopen 75 Hz, wordt voldaan aan de volgende eisen:
- a. ten aanzien van de stoorstroomcompatibiliteit: de eisen, genoemd in bijlage 5; en
- b. ten aanzien van de detectiekwaliteit, gebaseerd op het puntenmodel of de gemeten kortsluitwaarden: de eisen, genoemd in bijlage 6.
Indien de detectie wordt bewerkstelligd door middel van toonfrequente spoorstroomlopen, wordt voldaan aan de volgende eisen:
- a. ten aanzien van de AC-stoorstroomcomponent in de lijnstroom: de eisen, voor dit artikel genoemd in bijlage 1, index 5.1; en
- b. ten aanzien van de detectiekwaliteit, gebaseerd op het puntenmodel of de gemeten kortsluitwaarden: de eisen, genoemd in bijlage 6.
Indien de detectie wordt bewerkstelligd door middel van assentellers, voldoen magnetische velden veroorzaakt door het spoorvoertuig dan wel door eventuele retourstroom, aan de eisen, genoemd in bijlage 7.
Artikel 11. Stroomafname 1.500 V DC energievoorziening
De stroomafname van spoorvoertuigen die gebruik maken van 1.500 V DC energievoorziening, wordt automatisch beperkt in overeenstemming met de eisen, voor dit artikel genoemd in bijlage 1, index 6.1, waarbij:
- a. Imax (treinsamenstelling) = 4.000A; en
- b. de onderspanningsinrichting is afgesteld op 950V.
Artikel 12. Stroomafnemer 1.500 V DC energievoorziening
Als een stroomafnemer is geïnstalleerd op het spoorvoertuig dat gebruik maakt van 1.500 V DC energievoorziening, bedraagt de afstand van de kop van het spoorvoertuig tot de achterste stroomafnemer van de treinsamenstelling maximaal 400 m.
Artikel 13. Compatibiliteit met 25 kV AC energievoorziening
Voor spoorvoertuigen die gebruik maken van 25 kV AC energievoorziening, wordt, in afstemming met de beheerder, een compatibiliteitsstudie in overeenstemming met de eisen, voor dit artikel genoemd in bijlage 1, index 6.2, uitgevoerd, waarbij stap 1–10 worden doorlopen. Hiermee wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de eisen ten aanzien van overspanningen en harmonische emissielimieten van de netbeheerder.
In afwijking van het eerste lid, is uitvoering van deze compatibiliteitsstudie niet noodzakelijk indien de harmonische stroomemissie op treinniveau niet hoger is dan de waarde Ih in de onderstaande tabel, waarbij:
- a. f staat voor de frequentie van de harmonische stroom; en
- b. Ih staat voor het maximale 10-minuten gemiddelde van de harmonische stroom als percentage van het 10-minuten gemiddelde van de grondharmonische stroom.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.