← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 17 april 2020, houdende tijdelijke regels omtrent bijstandsverlening aan zelfstandigen die financieel getroffen zijn door de gevolgen van de crisis in verband met COVID-19 (Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers)

Geldende tekst a fecha 2021-01-01

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 april 2020, nr. 2020-0000051085;

Gelet op artikel 78f van de Participatiewet en artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord 14 april 2020, No.W12.20.0110/III;

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 april 2020, nr. 2020-0000052742;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definitiebepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2. Kring van rechthebbenden
1.

Algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van dit besluit kan worden verleend aan de zelfstandige die op 17 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2, van de Handelsregisterwet 2007 en schriftelijk verklaart dat diens bedrijf of zelfstandig beroep financieel is geraakt als gevolg van de crisis in verband met COVID-19.

2.

Algemene bijstand op grond van dit besluit wordt niet verleend aan de zelfstandige die algemene bijstand ontvangt op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.

Artikel 3. De aanvraag
1.

In afwijking van artikel 41 van de wet wordt de aanvraag ingediend bij het college.

2.

Voor de toepassing van artikel 44, eerste lid, derde zinsdeel van de wet wordt de aanvraag die is ingediend:

3.

Voor de ondernemer in de binnenvaart, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, die geen woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet, bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de ondernemer in de binnenvaart op het moment van de aanvraag zijn feitelijke ligplaats heeft.

Artikel 4. Aanvraagformulier
1.

De aanvraag kan worden ingediend door middel van een door Onze Minister beschikbaar gesteld formulier. De hiervoor benodigde gegevens worden niet verkregen van de zelfstandige voor zover zij door Onze Minister verkregen kunnen worden uit het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, alsmede van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

2.

De voor de aanvraag benodigde gegevens worden door Onze Minister niet verkregen van de zelfstandige voor zover zij door het college verkregen kunnen worden uit de basisregistratie personen.

3.

In afwijking van artikel 5.24, eerste lid, van het Besluit SUWI is het Inlichtingenbureau verwerker voor Onze Minister voor het verwerken van de gegevens die door tussenkomst van het Inlichtingenbureau door Onze Minister worden verkregen ten behoeve van de taak, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 2. Algemene bijstand

Artikel 5. Verklaring bij de aanvraag
1.

In de verklaring wordt door de aanvrager van algemene bijstand het volgende verklaard en de volgende informatie verstrekt:

2.

De gehuwde zelfstandige betrekt bij de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, het inkomen van beide echtgenoten.

Artikel 6. Het inkomen
1.

In afwijking van artikel 32, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt niet als inkomen in aanmerking genomen een teruggave inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.

2.

De verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over inkomen waarover geen loonbelasting is geheven wordt gesteld op 18 procent van dat inkomen.

3.

Ten aanzien van de zelfstandige die het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent in de vorm van een besloten vennootschap of een coöperatieve vereniging met wettelijke aansprakelijkheid wordt onder inkomen mede verstaan de naar evenredigheid van het aantal zelfstandigen omgerekende nettowinst van deze rechtspersoon verminderd met de hierover verschuldigde vennootschapsbelasting.

Artikel 7. Het vermogen
1.

In afwijking van artikel 34 van de wet wordt onder vermogen verstaan de financiële middelen, bedoeld in het tweede lid, waarover de alleenstaande of het gezin bij aanvang van de algemene bijstand beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

2.

Onder financiële middelen wordt uitsluitend verstaan:

3.

Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van dit artikel.

Artikel 8. Vorm van de bijstand

Algemene bijstand wordt naar de regels van dit besluit verleend in de vorm van een bedrag om niet.

Artikel 9. Duur en periode van de bijstand

De algemene bijstand wordt naar de regels van dit besluit verleend voor ten hoogste zestien kalendermaanden en ziet uitsluitend op de kalendermaanden maart 2020 tot en met juni 2021.

Hoofdstuk 3. Bijstand voor bedrijfskapitaal

Artikel 10. Liquiditeitsprobleem
1.

Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan worden verleend aan de zelfstandige die schriftelijk verklaart en aannemelijk maakt dat hij als gevolg van de crisis in verband met COVID-19 over onvoldoende direct beschikbare geldmiddelen beschikt om aan de financiële verplichtingen verbonden aan diens bedrijf of zelfstandig beroep te kunnen voldoen.

2.

Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt niet verleend:

Artikel 11. Zelfstandigen in een samenwerkingsverband
1.

Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal aan de zelfstandige die het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent in de vorm van een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een besloten vennootschap of een coöperatieve vereniging met wettelijke aansprakelijkheid, wordt slechts verleend indien hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uit de bijstandsverlening voortvloeiende verplichtingen wordt aanvaard door:

2.

De eis van aanvaarding van hoofdelijke aansprakelijkheid geldt niet voor de commanditaire vennoot wiens inbreng uitsluitend uit kapitaal bestaat.

3.

Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt niet verleend aan de vennoot in een maatschap die daar alleen arbeid inbrengt. Deze vennoot behoeft geen hoofdelijke aansprakelijkheid te aanvaarden voor de aan de andere vennoten verleende bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

Artikel 12. Verklaring bij de aanvraag

In de verklaring wordt door de aanvrager van bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal het volgende verklaard en de volgende informatie verstrekt:

Artikel 13. Vorm van de bijstand
1.

Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt naar de regels van dit besluit verleend in de vorm van een rentedragende lening.

2.

Een voorschot als bedoeld in artikel 52 van de wet kan geen betrekking hebben op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

Artikel 14. Rente en looptijd van de lening

Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt verleend met inachtneming van het volgende:

Artikel 15. Hoogte van de lening
1.

De bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal bedraagt ten hoogste € 10.157,00. Dit bedrag geldt per bedrijf of zelfstandig beroep.

2.

Als de bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt gevraagd door gehuwden die beide zelfstandige zijn, kan per echtgenoot voor diens bedrijf of zelfstandig beroep een lening worden verleend van ten hoogste € 10.157,00.

Artikel 16. Verplichtingen verbonden aan de lening
1.

Onverminderd artikel 4:86 van de Algemene wet bestuursrecht legt het college in de beschikking waarmee de bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt toegekend in ieder geval vast:

2.

De verplichting tot betaling van rente en aflossing vangt aan op 1 januari 2021. Voor leningen verstrekt op of na 1 januari 2021 vangt de verplichting tot betaling van rente en aflossing direct aan na het moment waarop de lening is verstrekt.

3.

Het college kan aan het verlenen van de bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal verplichtingen verbinden die zijn gericht op het verkrijgen van meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen.

Hoofdstuk 4. Ministeriële regeling tot uitbreiding en verlenging

Artikel 17. Uitbreiding kring van rechthebbenden

Bij ministeriële regeling kunnen personen worden aangewezen aan wie mede algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van dit besluit kan worden verleend. Daarbij kan worden afgeweken van het begrip zelfstandige en kunnen van dit besluit afwijkende regels worden gesteld als dat nodig is voor een goede uitvoering.

Artikel 18. Delegatie met betrekking tot het recht op bijstand

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het recht op bijstand waarbij ten gunste van de zelfstandige kan worden afgeweken van dit besluit.

Hoofdstuk 5. Financiering en verantwoording

Artikel 19. Vergoeding
1.

Onze Minister vergoedt ten laste van ’s Rijks kas aan het college:

2.

Onder kosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt verstaan de lasten in een kalenderjaar verminderd met de baten in dat jaar in verband met de door het college verleende algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

Artikel 20. Voorschot op de vergoeding
1.

Onze Minister verleent voorschotten op de vergoeding, bedoeld in artikel 19.

2.

De voorschotten worden afgestemd op de landelijk te verwachte kosten, waarbij deze worden verdeeld over gemeenten op basis van het aantal zelfstandigen per gemeente.

3.

Op basis van het beeld van de uitvoering, bedoeld in artikel 77, tweede lid, van de wet vindt een voorlopige verrekening plaats met de verleende voorschotten, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 21. Vaststelling van de vergoeding
1.

Onze Minister stelt de vergoeding, bedoeld in artikel 19, vast binnen een jaar na ontvangst door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet.

2.

De kosten van algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden bij de vaststelling buiten aanmerking gelaten indien deze kosten blijkens het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 213, vierde lid, van de Gemeentewet, dat deel uit maakt van de informatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, als fout of onzeker worden aangemerkt.

3.

Indien de toepassing van het tweede lid naar het oordeel van Onze Minister leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard kan hij de kosten die als fout of onzeker worden aangemerkt, in afwijking van het tweede lid, geheel of gedeeltelijk in aanmerking nemen bij de vaststelling.

4.

Indien de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, niet binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop het betrekking heeft is ontvangen door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt de vergoeding, bedoeld in artikel 19, ambtshalve door Onze Minister vastgesteld.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 22. Inwerkingtreding
1.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 maart 2020.

2.

Dit besluit vervalt op 1 juli 2025 met dien verstande dat het besluit zoals dat luidde op 30 juni 2025 van toepassing blijft op de zelfstandige die op grond van dit besluit bijstand ontvangt of heeft ontvangen en op de financiële afwikkeling van het besluit.

Artikel 23. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 19a. Vergoeding voor onverschuldigd verleende voorschotten
1.

Onze Minister vergoedt ten laste van ’s Rijks kas aan het college 30% van het totaalbedrag van de vorderingen als gevolg van onverschuldigd verleende voorschotten op aanvragen tot bijstand voor levensonderhoud als bedoeld in hoofdstuk 2, welke feitelijk zijn ingediend vóór 22 april 2020.

2.

Van een onverschuldigd verleend voorschot als bedoeld in het eerste lid is sprake indien het als gevolg van de beslissing op de aanvraag geheel of gedeeltelijk niet verrekend kan worden omdat:

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 21a. Overgangsrecht in verband met de verlenging van de bijstandsverlening tot 1 oktober 2020.

Het in of krachtens dit besluit, zoals dit luidde op 30 september 2020, gestelde blijft van toepassing op tot 1 oktober 2020 aangevraagde bijstand.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.