Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 mei 2020, nr. 2020-0000027462, houdende nadere regels met betrekking tot verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van het versnellen van de bouw van betaalbare woningen in een kwalitatief goede leefomgeving (Regeling Woningbouwimpuls 2020)
Gelet op de artikelen 2, vierde lid, 3, eerste lid, 4, vijfde lid, 5, derde lid, 6, derde lid, 7, zesde lid, en artikel 10, derde lid, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020;
Besluit:
Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit woningbouwimpuls 2020 in werking treedt.
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. aantoonbare financiële tekort: aantoonbare financiële tekort als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het besluit;
- b. besluit: Besluit Woningbouwimpuls 2020;
- c. commissie: Toetsingscommissie Woningbouwimpuls als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het besluit;
- d. functioneel woningmarktgebied: een gebied dat zich van andere functionele woningmarktgebieden onderscheid in de mate waarin sprake is van een daadwerkelijk regionaal woningtekort, gelet op feitelijke verhuisstromen, zoals ingedeeld door ABF Research in haar Inventarisatie Plancapaciteit van november 2020;
- e. uitkering: specifieke uitkering als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit;
- f. uitkeringsbeschikking: beschikking als bedoeld in artikel 4, derde lid, van het besluit.
Artikel 2. Nadere regels inzake de activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt
Een project wordt overeenkomstig artikel 2, eerste lid, onder c, van het besluit binnen afzienbare tijd opgestart, indien de eerste bouwwerkzaamheden binnen het project uiterlijk binnen drie jaren na de datum van de uitkeringsbeschikking aanvangen en de overige bouwwerkzaamheden uiterlijk binnen tien jaren na die datum aanvangen.
Een financiële bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder e, van het besluit, is substantieel als deze ten minste 50% van het aantoonbare financiële tekort van het project bedraagt.
Het aandeel betaalbare woningen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, van het besluit, is substantieel als het ten minste 50% van de door het project toegevoegde woningen betreft.
Het aantal woningen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, van het besluit, is substantieel als dit:
- a. ten minste 500 woningen betreft, indien de aanvragende gemeente uit meer dan 50.000 inwoners bestaat op grond van de laatstelijk door het CBS vastgestelde definitieve cijfers bevolkingsaantallen per gemeente op het moment dat een aanvraagtijdvak wordt bekendgemaakt op grond van artikel 4, eerste lid, van het besluit; of
- b. ten minste 200 woningen betreft, indien de aanvragende gemeente uit ten hoogste 50.000 inwoners bestaat op grond van de laatstelijk door het CBS vastgestelde definitieve cijfers bevolkingsaantallen per gemeente op het moment dat een aanvraagtijdvak wordt bekendgemaakt op grond van artikel 4, eerste lid, van het besluit.
Artikel 3. Uitkeringsplafond
In totaal is ten hoogste € 2.250.000.000 beschikbaar voor specifieke uitkeringen.
Artikel 4. De aanvraag
Een omschrijving van een project als bedoeld in artikel 4, derde lid, onder a, van het besluit, bestaat in ieder geval uit:
- a. een toelichting op de geografische afbakening van het project;
- b. een toelichting op het project, waaronder in ieder geval een toelichting op de noodzaak, toerekenbaarheid en proportionaliteit van de activiteiten van de gemeente ten behoeve van de te realiseren woningen;
- c. een kwantitatief overzicht van de te realiseren woningen; en
- d. een toelichting op de kwaliteit van de te bouwen woningen en van de leefomgeving.
Een haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 4, derde lid, onder b, van het besluit, bevat:
- a. een begroting en prognose van publieke kosten en opbrengsten, waarmee het aantoonbare financiële tekort wordt onderbouwd;
- b. een toelichting op de kosten en opbrengsten zoals opgenomen in de begroting en prognose;
- c. een overzicht van de stand van zaken van het project op het moment waarop de aanvraag is ingediend, waarin wordt ingegaan op de fasering van de woningbouw, de organisatie van het project en de zekerheid van een tijdige realisatie;
- d. een toelichting op de noodzaak van een bijdrage en het regionaal belang van het project.
Een aanvraag wordt ingediend via een formulier dat beschikbaar wordt gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
In een aanvraagtijdvak kan een gemeente ten hoogste drie aanvragen indienen.
De uitkeringsbeschikking vermeldt in elk geval:
- a. aan welke activiteiten voor het versnellen of realiseren van de bouw van woningen met de uitkering wordt bijgedragen;
- b. het bedrag van de uitkering;
- c. de wijze van verantwoording over de besteding van de uitkering;
- d. de periode waarvoor de uitkering wordt verleend; en
- e. de wijze waarop kan worden aangetoond dat de activiteiten binnen het project zijn verricht.
De Minister betaalt in het geval van een toekennende uitkeringsbeschikking, de uitkering in één keer uit. De Minister verleent daarbij een voorschot van 100%.
Aan een uitkering kunnen in de uitkeringsbeschikking nadere verplichtingen worden verbonden.
Artikel 5. Scoring van aanvragen
De scores en de weging van de criteria, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder 1° tot en met 4°, van het besluit, worden bepaald conform bijlage I. De totaalscore van een aanvraag is het gewogen gemiddelde van de scores op die criteria.
Artikel 6. Rangschikking van aanvragen
Indien meerdere aanvragen gelijk scoren bij de weging op grond van artikel 5, tweede lid, van het besluit, en de toekenning van uitkeringen zou leiden tot overschrijding van het krachtens artikel 3, tweede of derde lid, van het besluit, vastgestelde bedrag, worden die aanvragen onderling gerangschikt op grond van de behaalde score bij het criterium effectiviteit.
Indien na toepassing van het eerste lid nog steeds meerdere aanvragen gelijk scoren worden die aanvragen onderling gerangschikt op grond van de hoogte van de gevraagde bijdrage per woning, waarbij de aanvraag met de laagste bijdrage per woning het hoogst eindigt.
Indien een aanvraag niet volledig kan worden toegekend in verband met de overschrijding van het krachtens artikel 3, tweede of derde lid, van het besluit, vastgestelde bedrag, kan de minister besluiten om de aanvraag toch toe te wijzen en het restant van de uitkering ten laste te brengen van het uitkeringsplafond van het eerstvolgende aanvraagtijdvak. De minister kan, in afwijking van artikel 4, vijfde lid, voor een geval als bedoeld in de eerste volzin besluiten om de uitkering in twee keer uit te betalen.
Artikel 7. Weigeringsgronden
Een project scoort onvoldoende als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, van het besluit, indien:
- a. het project gemiddeld lager dan een 5,5 scoort; of
- b. de score op een van de criteria, genoemd in artikel 5, tweede lid, onder 1°, 2° of 3°, van het besluit, lager is dan een 5,5.
Bij de beoordeling, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a, van het besluit worden de volgende regio’s onderscheiden:
- a. Noord: de provincies Drenthe, Friesland en Groningen;
- b. Oost: de provincies Gelderland en Overijssel;
- c. Noordwest: de provincies Flevoland, Noord-Holland en Utrecht;
- d. Zuidwest: de provincies Zeeland en Zuid-Holland; en
- e. Zuid: de provincies Noord-Brabant en Limburg.
Op grond van de woningbouwopgave van de regio’s, genoemd in het tweede lid, wordt beoordeeld of sprake is van een onevenwichtige spreiding van de beschikbare middelen over die regio’s. De woningbouwopgave wordt bepaald op basis van de door de Minister in het kader van de in de meest actuele staat van de woningmarkt gepubliceerde cijfers over het tekort aan woningen.
Artikel 8. Leden van de commissie
De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste drie en ten hoogste vier leden.
De leden worden door de minister benoemd voor de duur van vier jaar of tot uiterlijk zoveel eerder dat het uitkeringsplafond, genoemd in artikel 3, is uitgeput.
De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
De voorzitter en de leden worden op eigen aanvraag ontslagen. Zij kunnen voorts worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.
Artikel 9. Ondersteuning van de commissie
De commissie wordt ondersteund door een secretariaat.
In het secretariaat wordt voorzien door de minister.
Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de commissie.
Artikel 10. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit woningbouwimpuls 2020 in werking treedt. Indien aan het besluit terugwerkende kracht wordt verleend, werkt deze regeling terug tot het tijdstip waarop het besluit terugwerkt.
Artikel 11. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Woningbouwimpuls 2020.
Bijlage 1. behorende bij artikel 5 van de Regeling Woningbouwimpuls 2020
Beoordelingscriteria en weging
1. Noodzakelijkheid uitkering
In dit criterium wordt de noodzaak van de gevraagde uitkering gewogen. In de weging wordt naar drie subcriteria gekeken:
2. Effectiviteit project
Op basis van dit criterium wordt gewogen in welke mate een project voldoet aan de doelen van de woningbouwimpuls. In de weging wordt naar drie subcriteria gekeken:
3. Efficiëntie project
Op basis van dit hoofdcriterium wordt gewogen in welke mate er sprake is van een gerichte en optimale inzet van financiële middelen. In de weging wordt naar drie subcriteria gekeken:
4. Urgentie
Dit hoofdcriterium onderscheidt zich van de andere drie hoofdcriteria omdat de score op dit criterium vaststaat en niet afzonderlijk beoordeeld hoeft te worden door de commissie. De score wordt wel meegenomen bij het bepalen van de totaalscore door de toetsingscommissie.
Het hoofdcriterium urgentie betreft de omvang van de woningbouwopgave in de regio waar de aanvragende gemeente is gelegen. In artikel 7, derde lid, is beschreven hoe de woningbouwopgave wordt bepaald. Er worden drie klassen onderscheiden in urgentie:
Gemeenten met een woondeal krijgen 2 extra punten. De maximale score voor urgentie is 10 punten.
Schematische weergave beoordelingskader
De totaalscore van een aanvraag wordt als volgt bepaald: elk hoofdcriterium krijgt een deelscore op een schaal van 1 tot 10. De totaalscore van een aanvraag is: deelscore noodzaak0,25 + deelscore effectiviteit0,25 + deelscore efficiëntie0,25 + deelscore urgentie0,25.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De totaalscore van een aanvraag wordt als volgt bepaald: elk hoofdcriterium krijgt een deelscore op een schaal van 1 tot 10. De totaalscore van een aanvraag is: deelscore noodzaak0,25 + deelscore effectiviteit0,25 + deelscore efficiëntie0,25 + deelscore urgentie0,25.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.