Wet van 8 juli 2020 tot wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten in verband met de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet (Aanvullingswet natuur Omgevingswet)
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de in de Wet natuurbescherming gestelde regels te integreren in het stelsel van de Omgevingswet;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Wijzigingen in de Omgevingswet
Artikel 1.1. (Omgevingswet)
Wijzigt de Omgevingswet.
Hoofdstuk 2. Overgangsrecht
Artikel 2.1. (aanwijzingsbesluiten natuurgebieden)
Besluiten tot aanwijzing van gebieden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn, gelden als besluiten als bedoeld in artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet.
Besluiten tot aanwijzing van gebieden als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn, gelden als besluiten als bedoeld in artikel 2.44, tweede lid, van de Omgevingswet.
Besluiten tot aanwijzing van gebieden als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn, gelden als besluiten als bedoeld in artikel 2.44, derde lid, van de Omgevingswet.
Besluiten tot aanwijzing van gebieden als bedoeld in artikel 1.12, tweede lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn, gelden als besluiten als bedoeld in artikel 2.44, vierde lid, van de Omgevingswet.
Besluiten tot aanwijzing van gebieden als bedoeld in artikel 1.12, derde lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn, gelden als besluiten als bedoeld in artikel 2.44, vijfde lid, van de Omgevingswet.
Artikel 2.2. (beheerplannen Natura 2000-gebieden en programma aanpak stikstof)
Beheerplannen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn, gelden als beheerplannen als bedoeld in artikel 3.8, derde lid, van de Omgevingswet.
In afwijking van het eerste lid gelden beheerplannen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, in samenhang met artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn, als beheerplannen als bedoeld in artikel 3.9, derde lid, van de Omgevingswet.
Het eerste beheerplan voor een Natura 2000-gebied na aanwijzing van dat gebied op grond van artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 of artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, wordt uiterlijk drie jaar na dat besluit tot aanwijzing vastgesteld.
Het programma aanpak stikstof, zoals dat is vastgesteld en gewijzigd op grond van artikel 2.1 van het Besluit natuurbescherming, geldt als programma aanpak stikstof als bedoeld in artikel 3.9, vierde lid, van de Omgevingswet.
Artikel 2.3. (maatregelen ter bescherming Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden)
Besluiten tot het opleggen van verplichtingen als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn, gelden als besluiten tot het stellen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet.
Besluiten tot het opleggen van verboden of beperkingen als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn, gelden als besluiten tot het opleggen van verboden of beperkingen als bedoeld in artikel 2.45, eerste lid, van de Omgevingswet.
Besluiten tot het opleggen van verboden of beperkingen als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, in samenhang met 2.10, eerste lid, onder b, van de Wet natuurbescherming, die onherroepelijk zijn, gelden als besluiten tot het opleggen van verboden of beperkingen als bedoeld in artikel 2.45, tweede lid, van de Omgevingswet.
Besluiten tot het opleggen van verboden of beperkingen als bedoeld in artikel 2.11, derde lid, in samenhang met 2.5 van de Wet natuurbescherming, die onherroepelijk zijn, vastgesteld door:
- a. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gelden als besluiten tot het opleggen van verboden of beperkingen als bedoeld in artikel 2.45, derde lid, van de Omgevingswet,
- b. provinciale staten of gedeputeerde staten, gelden als besluiten tot het opleggen van verboden of beperkingen als bedoeld in artikel 2.45, vierde lid, van de Omgevingswet.
Feitelijke handelingen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de Wet natuurbescherming die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn voltooid, en de plaatsing van kentekenen als bedoeld in artikel 2.6, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, wel dan niet in samenhang met artikel 2.10, eerste lid, onder a, of 2.11, derde lid, van de Wet natuurbescherming, gelden als maatregelen als bedoeld in artikel 10.10a van de Omgevingswet.
Artikel 2.4. (natura 2000-vergunningen)
Vergunningen als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn, gelden als omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de Omgevingswet.
Voorschriften, verbonden aan vergunningen als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn, gelden als voorschriften als bedoeld in artikel 5.34, eerste lid, van de Omgevingswet.
Onderdelen van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die onherroepelijk is, die betrekking hebben op het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, gelden als onderdelen van een omgevingsvergunning voor meer activiteiten als bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, van de Omgevingswet, die betrekking hebben op een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de Omgevingswet.
Verklaringen van geen bedenkingen als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die zijn gegeven voor aanvragen van een omgevingsvergunning die ook betrekking hebben op het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, gelden als instemmingen als bedoeld in artikel 16.16 van de Omgevingswet.
Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet is niet van toepassing op besluiten als bedoeld in artikel 9.4, achtste of negende lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn. De paragrafen 5.1.3, 5.1.4 en 5.1.5 van de Omgevingswet zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.5. (populatiebeheer en jacht)
Besluiten tot goedkeuring van faunabeheerplannen als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn, gelden als besluiten tot goedkeuring als bedoeld in de regels, gesteld op grond van artikel 8.1, tweede lid, van de Omgevingswet.
Jachtakten als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onder a, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn, gelden als omgevingsvergunningen voor een jachtgeweeractiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder f, van de Omgevingswet.
Valkeniersakten als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn, gelden als omgevingsvergunningen voor een valkeniersactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder g, van de Omgevingswet.
Erkenningen van jachtexamens als bedoeld in artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming, examens voor het gebruik van jachtvogels als bedoeld in artikel 3.30, tweede lid, van de Wet natuurbescherming en examens voor het gebruik van eendenkooien als bedoeld in artikel 3.30, derde lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn, gelden als erkenningen als bedoeld in de regels, gesteld op grond van artikel 4.3, in samenhang met artikel 4.32, van de Omgevingswet.
Vergunningen en ontheffingen, verleend krachtens de Vogelwet 1936, de Jachtwet, artikel 25 van de Natuurbeschermingswet of de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten blijven van kracht voor de tijd dat zij zijn verleend. De artikelen 5.39 en 5.40 van de Omgevingswet zijn van overeenkomstige toepassing.
Een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt niet geweigerd als de aanvrager niet met gunstig gevolg een jachtexamen heeft afgelegd, als hem in de periode van 1 januari 1977 tot en met 31 maart 2002 een jachtakte als bedoeld in de Jachtwet is uitgereikt of als hem in de periode van 1 april 2002 tot en met 30 september 2004 een jachtakte als bedoeld in de Flora- en faunawet is uitgereikt onder het met gunstig gevolg behalen van een krachtens de Jachtwet erkend jachtexamen.
Artikel 2.6. (ontheffingen soortenbeschermingsverboden)
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.