Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 september 2020, nr. WJZ/ 20210006, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de productie van duurzame energie en klimaattransitie in 2020
Gelet op de artikelen 1, tweede lid, 2, tweede, derde, vierde en vijfde lid, zevende en achtste lid, 3, eerste lid, onderdelen a, c en d, tweede lid, onderdeel a en b, derde lid, onderdeel a, c en d, vierde en zesde lid, 6, derde lid, 7, 8, 10, eerste en derde lid, 11, eerste lid, 12, eerste lid, 14, vijfde lid, 15, derde, vierde, vijfde en zesde lid, 25, 27, eerste en derde lid, 28, eerste lid, 29, eerste lid, 31, vijfde lid, 32, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, 42, 43a, eerste en derde lid, 44, eerste lid, 45, eerste lid, 47, vijfde lid, 48, derde, vierde, vijfde en zevende lid, 55c, 55e, eerste en derde lid, 55f, eerste lid, 55g, eerste lid, 55i, derde lid, 55j, tweede derde, vierde, vijfde en zesde lid, 56, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, 59, tweede en vierde lid, 61, eerste en derde lid, en 62, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;
Besluit:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- algemene uitvoeringsregeling: Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;
- allesvergisting: biologische afbraakreacties van biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van de nummers 400, 410, 420, 500, 550 tot en met 559, waarvan de biogasopbrengst van de ingaande stroom ten minste 25 Nm3 aardgasequivalent per ton bedraagt;
- beschermingszone: beschermingszone als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;
- Besluit SDE: Besluit stimulering duurzame energieproductie, zoals dit luidde tot 1 november 2020;
- biosyngas: mengsel van gassen dat is geproduceerd door vergassing van biomassa en dat geen nadere bewerking tot methaan heeft ondergaan;
- COP-waarde: coëfficiënt van prestatie uitgedrukt in de hoeveelheid afgegeven warmte aan de condensorzijde per hoeveelheid opgenomen elektriciteit;
- doublet: combinatie van naast elkaar liggende diepboringen die ten minste bestaat uit één productieput en één injectieput;
- gebouw: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet niet zijnde een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012;
- hernieuwbare warmte: nuttig aangewende warmte als bedoeld in artikel 1 van de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong;
- ketel: installatie waarin brandstof wordt verstookt waarbij de verbrandingswarmte met behulp van een warmtewisselaar wordt overgedragen aan een vloeistof;
- koolstofdioxide-arme warmte: nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte als bedoeld in artikel 1 van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;
- monomestvergisting: biologische afbraakreacties van uitsluitend vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren;
- minister: Minister van Economische Zaken en Klimaat;
- netto P50-waarde vollasturen: aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;
- nominaal elektrisch rendement: quotiënt van het nominaal elektrisch vermogen en:
- a. de som van het nominaal elektrisch vermogen en nominaal warmtevermogen in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een verbrandingsmotor; en
- b. het nominaal warmtevermogen van de ketel in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een stoomturbine of een organische rankinecyclus;
- nominaal vermogen: maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte, koolstofdioxide-arme warmte of hernieuwbaar gas en dat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik, waarbij in het geval van geothermische productie-installaties het nominaal vermogen dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van ten minste 50%;
- NTA 8003: 2017: Nederlandse Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassing, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde op 31 december 2017;
- primaire waterkering: primaire waterkering als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;
- restwarmte: onvermijdelijke thermische energie die als bijproduct in de bedrijfsvoering van een onderneming wordt opgewekt en die zonder nuttige aanwending ongebruikt terecht zou komen in lucht of water en die ten tijde van het verrichten van de aanvraag niet nuttig wordt aangewend;
- richtlijn (EU) 2018/2001: Richtlijn nr. 2018/2001/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328);
- stadsverwarming: warmtelevering aan een warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet, waarbij de warmte door een producent wordt geleverd ten behoeve van ruimteverwarming en warmtapwatervoorzieningen van gebouwen;
- thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa: omzetting van vaste of vloeibare biomassa door middel van:
- a. verbranding;
- b. een andere thermische behandeling dan bedoeld onder a ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand; of
- c. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling;
- valhoogte: verschil in waterpeil voor en achter de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van waterkracht waarbij het nominaal vermogen wordt benut;
- verwarming van gebouwde omgeving: stadsverwarming of ruimteverwarming en warmtapwatervoorzieningen in een gebouw, niet zijnde een kas, waarbij de producent de warmte rechtstreeks levert aan het desbetreffende gebouw;
- voorliggende waterkering: voorliggende waterkering als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;
- waterstaatswerk: waterstaatswerk als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;
- zeewering of zachte zeewering van Maasvlakte 2: harde zeewering en zachte zeewering van Maasvlakte 2 als bedoeld in bijlage 1 van de concessie aan het Havenbedrijf Rotterdam N.V. te Rotterdam, bij Koninklijk Besluit van 23 mei 2008, nr. 08.001524.
§ 2. Algemene bepalingen
Artikel 2
Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en hernieuwbare warmte en voor de vermindering van broeikasgas op grond van de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, eerste lid, 16, eerste lid, 18, 20, 22, eerste lid, 24, 26, eerste lid, 28, eerste lid, 30, 32, 34, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, 48, eerste lid, 50, eerste lid, 52, eerste lid, 54, eerste lid, 56, eerste lid, 58, eerste lid, 60, eerste lid, 62, eerste lid, 64, eerste lid, 66 en 68, die wordt aangevraagd in de periode van 24 november 2020, 09:00 uur, tot 17 december 2020, 17:00 uur, bedraagt € 5.000.000.000.
Het productieplafond voor het verlenen van subsidie op grond van artikel 68 die wordt aangevraagd in het eerste lid genoemde periode voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide:
- a. waarvan koolstofdioxide afkomstig is als bijproduct van producenten uit de sectoren met sbi-codes 6, 8 tot en met 33, 38, 35.2 en 35.3 bedraagt 108.000.000.000 kg; en
- b. waarvan koolstofdioxide afkomstig is als bijproduct van producenten uit de sector met sbi-code 35.1 bedraagt 45.000.000.000 kg.
De minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Per categorie productie-installaties kan in de periode, genoemd in het eerste lid, per adres waarop een productie-installatie wordt geplaatst maximaal één aanvraag worden ingediend.
De minister beslist afwijzend op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, indien geen toestemming van de eigenaar van de beoogde locatie kan worden overgelegd met gebruikmaking van het middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld of indien geen gedoogplichtbeschikking op grond van artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht ten aanzien van de beoogde locatie voor het plaatsen van de productie-installatie kan worden overgelegd.
Een subsidie als bedoeld in het eerste lid van meer dan € 400.000.000,– alsmede een subsidie als bedoeld in artikel 68, onderdelen c en d, worden verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na afgifte van die beschikking een uitvoeringsovereenkomst overeenkomstig de overeenkomst opgenomen in bijlage 1 tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger en onder de opschortende voorwaarde dat de subsidieontvanger binnen vier weken na afgifte van de beschikking heeft aangetoond dat een bankgarantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de uitvoeringsovereenkomst is afgegeven.
Het zesde lid is niet van toepassing op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, onderdeel a, van de Elektriciteitswet 1998.
Indien voor dezelfde periode, of gedeeltelijk voor dezelfde periode, meer beschikkingen zijn afgegeven voor dezelfde productie-installatie en dezelfde soort hernieuwbare energie, worden voor de toepassing van het zesde lid de subsidies die de subsidieontvanger ontvangt, bedoeld in artikel 48 van het besluit of het Besluit SDE, van de beschikkingen waarvan de periode waarover subsidie wordt verstrekt nog niet zijn aangevangen bij elkaar opgeteld.
Artikel 3
Productie-installaties als bedoeld in artikel 4, onderdeel c, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel c, van het besluit.
Productie-installaties als bedoeld in artikel 20, 38, eerste lid, en 50, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het besluit.
Productie-installaties als bedoeld in artikel 30, onderdeel f, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van het besluit.
Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 18, 20, 22, eerste lid, 24, 26, eerste lid, onderdelen a en b, 30, onderdeel f, 34, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, 48, eerste lid, 50, eerste lid, en 68 worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het besluit.
Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, en 14, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, derde, vierde en zesde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
Productie-installaties als bedoeld in artikel 16, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, derde, vierde en zesde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt en dat bij de benutting van de opgetelde kWh, bedoeld in artikel 15, vierde lid van het besluit, geldt dat de productie wordt verdeeld in een deel netlevering en een deel niet-netlevering op basis van de verhouding tussen de geproduceerde energie die aan het net geleverd is en de energie die niet aan het net geleverd is in het voorgaande jaar.
Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 18, 20, 22, eerste lid, 24 en 26, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 32, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 18, 20, 22, eerste lid, 24 en 26, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van het besluit.
Productie-installaties als bedoeld in de artikel 34 en artikel 36, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, zevende lid van het besluit.
Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid, 30, 34, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, 48, eerste lid, 50, eerste lid, en 52, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, derde en vierde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 48, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 34, onderdelen b, d en f, 36, eerste lid, onderdeel b, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, 48, eerste lid, en 50, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, zevende lid van het besluit.
Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, eerste lid, 18, 20, en 34, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 56, tweede lid, van het besluit.
Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 32, 54, eerste lid, 56, eerste lid, 58, eerste lid, 62, eerste lid, 64, eerste lid, en 68, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 55j, derde en vierde lid, van het besluit, met dien verstande dat het verschil in kg verminderde broeikasgas dat bij het aantal kg verminderde broeikasgas van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 55j, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kg verminderde broeikasgas dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
Productie-installaties als bedoeld in artikel 60, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 55j, derde lid, van het besluit, met dien verstande dat het verschil in kg verminderde broeikasgas dat bij het aantal kg verminderde broeikasgas van het volgende jaar kan worden opgeteld ten hoogste 100% bedraagt van het aantal kg verminderde broeikasgas dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
Productie-installaties als bedoeld in artikel 66, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 55j, derde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kg verminderde broeikasgas dat bij het aantal kg verminderde broeikasgas van het volgende jaar kan worden opgeteld ten hoogste 100% bedraagt van het aantal kg verminderde broeikasgas dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
§ 3. Categorieën
§ 3.1. Hernieuwbare elektriciteit
§ 3.1.1. Waterkracht
Artikel 4
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee door middel van hydro-mechanisch-elektrische omzetting hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit potentiële dan wel kinetische energie van stromend water dat niet specifiek ten behoeve van de elektriciteitsproductie omhoog is gepompt:
- a. in installaties met een valhoogte kleiner dan 50 centimeter;
- b. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter; of
- c. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter, die ingrijpend zijn gerenoveerd en waarbij ten minste de turbines nieuw zijn.
Artikel 5
Subsidie als bedoeld in artikel 4 wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 4, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.1.2. Osmose
Artikel 6
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt gegenereerd door middel van het verschil in zoutconcentratie tussen twee watermassa’s.
Artikel 7
Subsidie als bedoeld in artikel 6 wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 6, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.1.3. Wind op land
Artikel 8
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, niet zijnde een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in de artikelen 10, 12 of 14, die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2019, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:
- a. ≥ 8,5 m/s;
- b. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s;
- c. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;
- d. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;
- e. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of
- f. < 6,75 m/s.
De productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.
Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:
- a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of
- b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging vijftien jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.
Artikel 9
Subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.1.4. Wind op land met hoogtebeperking
Artikel 10
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, met een tiphoogte kleiner dan of gelijk aan 150 meter, die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2019, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:
- a. ≥ 8,5 m/s;
- b. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s;
- c. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;
- d. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;
- e. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of
- f. < 6,75 m/s.
De productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.
Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:
- a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of
- b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging vijftien jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste dertien jaar voordien in gebruik is genomen.
De subsidieontvanger toont bij de indiening van de aanvraag aan dat voor de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, op de locatie waar de productie-installatie wordt opgericht, een hoogterestrictie op grond van landelijke wet- en regelgeving in verband met de aanwezigheid van een luchthaven in de omgeving van toepassing is waardoor de tiphoogte van de windturbine beperkt is tot 150 meter of lager.
Artikel 11
Subsidie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 10, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.1.5. Wind op waterkering
Artikel 12
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie die is opgericht binnen het waterstaatswerk of een beschermingszone van een voorliggende waterkering, dan wel binnen het waterstaatswerk of de zeewaartsgerichte beschermingszone van een primaire waterkering grenzend aan de Noordzee, de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Dollard of de Eems, dan wel in de harde zeewering of zachte zeewering van Maasvlakte 2, en die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2019, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:
- a. ≥ 8,5 m/s;
- b. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s;
- c. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;
- d. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;
- e. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of
- f. < 6,75 m/s.
Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:
- a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of
- b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging vijftien jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.
Artikel 13
Subsidie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.1.6. Wind in meer
Artikel 14
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, en waarvan de fundering volledig in het water van een meer van minimaal één vierkante kilometer staat, waarbij het hart van de fundering op een afstand van ten minste 25 meter van de waterkant staat.
Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:
- a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of
- b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging vijftien jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.
Artikel 15
Subsidie als bedoeld in artikel 14, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 14, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.1.7. Fotovoltaïsche zonnepanelen
Artikel 16
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen, die is aangesloten op een elektriciteitsnet via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A:
- a. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 15 kWp en kleiner dan 1 MWp;
- b. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op of aan een gebouw zijn aangebracht;
- c. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen, niet met een gebouw verbonden, op land staan;
- d. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen, niet met een gebouw verbonden, op land staan, en automatisch met de stand van de zon meebewegen door middel van een zonvolgsysteem;
- e. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen drijven op water; of
- f. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen drijven op water en automatisch met de stand van de zon meebewegen door middel van een zonvolgsysteem.
Voor de werking van dit artikel wordt onder gebouw tevens verstaan een aan de grond gebonden overkapping ten behoeve van het tegen weersinvloeden beschermd parkeren van voertuigen.
Artikel 17
Subsidie als bedoeld in artikel 16 wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, binnen achttien maanden na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdelen c, d, e en f, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Op aanvragen van een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, is artikel 3, eerste en tweede lid, van de algemene uitvoeringsregeling niet van toepassing.
§ 3.2. Hernieuwbaar gas
§ 3.2.1. Biomassavergisting
Artikel 18
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door:
- a. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;
- b. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of
- c. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de groengasinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
Artikel 19
Subsidie als bedoeld in artikel 18 wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 18, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.2.2. Biomassavergisting, verlengde levensduur
Artikel 20
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie waarmee uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbaar gas wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installaties voor de productie van elektriciteit of warmte en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de groengasinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
Artikel 21
Subsidie als bedoeld in artikel 20 wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 20, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.2.3. Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties
Artikel 22
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering en waarbij ten minste de installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de aanvullende productie van biogas nieuw zijn.
De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de aanvullende productie, bedoeld in het eerste lid, worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.
De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de groengasinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
Artikel 23
Subsidie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 22, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.2.4. Rioolwaterzuiveringsinstallaties bestaande slibgisting
Artikel 24
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib, waarbij ten minste de opwerkinstallatie waarmee biogas op aardgaskwaliteit wordt gebracht nieuw is.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de groengasinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
Artikel 25
Subsidie als bedoeld in artikel 24, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 24, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.2.5. Biomassavergassing
Artikel 26
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas, niet zijnde biosyngas, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas door middel van vergassing, waarbij ten minste de vergasser nieuw is, uit:
- a. biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017; of
- b. biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van B-Hout als bedoeld in nummers 100, 150, 170 t/m 179 van de NTA 8003: 2017.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de groengasinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
Artikel 27
Subsidie als bedoeld in artikel 26, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 26, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3. Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte
§ 3.3.1. Zonthermie voor warmte
Artikel 28
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie die uitsluitend voorziet in de productie van hernieuwbare warmte uit zonne-energie, en waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van afgedekte collectoren waarbij de transparante isolerende laag, niet zijnde beglazing van kassen of fotovoltaïsche zonnepanelen, een geïntegreerd geheel vormt met de collector, met een totaal thermisch vermogen:
- a. groter dan of gelijk aan 140 kWth en kleiner dan 1 MWth; of
- b. groter dan of gelijk aan 1 MWth.
Het vermogen in kWth van de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door de apertuuroppervlakte in vierkante meter te vermenigvuldigen met een factor 0,7.
Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstrekt indien reeds op basis van artikel 4.5.2. van de Regeling nationale EZ-subsidies subsidie is verstrekt.
Artikel 29
Subsidie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.2. Geothermie voor hernieuwbare warmte
Artikel 30
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door:
- a. een productie-installatie met een vermogen tot 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen dieper gelegen dan de formatielagen van de Noordzee Groep en met een diepte van ten minste 500 meter;
- b. een productie-installatie met een vermogen van ten minste 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen dieper gelegen dan de formatielagen van de Noordzee Groep en met een diepte van ten minste 500 meter;
- c. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen dieper gelegen dan de formatielagen van de Noordzee Groep en met een diepte van ten minste 500 meter hernieuwbare warmte wordt geproduceerd die wordt aangewend voor verwarming van de gebouwde omgeving;
- d. een productie-installatie met een vermogen tot 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, gebruikmakend van ten minste één olie- of gasput dieper gelegen dan de formatielagen van de Noordzee Groep en met een diepte van ten minste 500 meter;
- e. een productie-installatie met een vermogen van ten minste 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, gebruikmakend van ten minste één olie- of gasput dieper gelegen dan de formatielagen van de Noordzee Groep en met een diepte van tenminste 500 meter;
- f. een productie-installatie als bedoeld in de onderdelen a, b, d of e, waarvoor op het moment van aanvragen reeds een subsidie is verleend op grond van het Besluit SDE, die wordt uitgebreid met ten minste één aanvullende put dieper gelegen dan de formatielagen van de Noordzee Groep en met een diepte van ten minste 500 meter; of
- g. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 4.000 meter.
Artikel 31
Subsidie als bedoeld in artikel 30 wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 30, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.3. Geothermie voor koolstofdioxide-arme warmte
Artikel 32
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door:
- a. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen gelegen in de formatielagen van de Noordzeegroep met een diepte van ten minste 500 meter, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd met een compressiewarmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth; of
- b. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen gelegen in de formatielagen van de Noordzeegroep met een diepte van ten minste 500 meter, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd met een compressiewarmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth en de warmte wordt aangewend voor de verwarming van de gebouwde omgeving.
Artikel 33
Subsidie als bedoeld in artikel 32 wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 32, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.4. Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 34
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door:
- a. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;
- b. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt;
- c. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is;
- d. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, voor elektrisch en thermisch vermogen samen, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt;
- e. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of
- f. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, voor elektrisch en thermisch vermogen samen, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
Artikel 35
Subsidie als bedoeld in artikel 34 wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 34, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.5. Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 36
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering:
- a. waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarbij ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn; of
- b. waarmee hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd, waarbij ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn.
De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie, bedoeld in het eerste lid, worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.
De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
Artikel 37
Subsidie als bedoeld in artikel 36, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 36, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.6. Ketel vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 38
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW voor de productie van warmte door middel van verbranding van vloeibare biomassa als bedoeld in de nummers 512, 514, 517, 518, 543, 545, 550 tot en met 579, 587, 594, 595 en 800 tot en met 809 van de NTA 8003: 2017, met een brander in een ketel.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
Artikel 39
Subsidie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 38, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.7. Grote ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 40
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is en waarbij het aantal subsidiabele vollasturen:
- a. ten hoogste 4.500 vollasturen per jaar bedraagt;
- b. ten hoogste 5.000 vollasturen per jaar bedraagt;
- c. ten hoogste 5.500 vollasturen per jaar bedraagt;
- d. ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt;
- e. ten hoogste 6.500 vollasturen per jaar bedraagt;
- f. ten hoogste 7.000 vollasturen per jaar bedraagt;
- g. ten hoogste 7.500 vollasturen per jaar bedraagt;
- h. ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt; of
- i. ten hoogste 8.500 vollasturen per jaar bedraagt.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
Artikel 41
Subsidie als bedoeld in artikel 40, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.8. Grote ketel op B-Hout voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 42
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van biomassa als bedoeld in NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
Artikel 43
Subsidie als bedoeld in artikel 42, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 42, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.9. Ketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking voor verwarming van gebouwde omgeving
Artikel 44
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 10 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is waarin:
- a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;
- b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of
- c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in onderdelen a en b.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid, levert de warmte uitsluitend ten behoeve van de verwarming van gebouwde omgeving.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.
Artikel 45
Subsidie als bedoeld in artikel 44, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.10. Stoomketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 46
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte of hernieuwbare elektriciteit en warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van stoom door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de stoomketel nieuw is waarin:
- a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;
- b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of
- c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in onderdelen a en b.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.
Artikel 47
Subsidie als bedoeld in artikel 46, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 46, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.11. Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 48
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, door middel van verbranding van houtpellets, met een brander in een ketel, een oven of een fornuis met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MWth waarin:
- a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;
- b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of
- c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in onderdelen a en b.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.
Artikel 49
Subsidie als bedoeld in artikel 48, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 48, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.12. Verlengde levensduur voor ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 50
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 5 MWth, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen.
De biomassa die in de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast, is voor ten minste 95% van de energetische waarde biogeen.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
Artikel 51
Subsidie als bedoeld in artikel 50, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 50, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.13. Composteringsinstallatie op champost voor warmte
Artikel 52
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte die vrijkomt bij het composteren van uitsluitend biomassa als bedoeld in nummer 256 van de NTA 8003: 2017, met een vermogen van ten minste 500 kWth.
De biomassa die in de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast, is voor ten minste 95% van de energetische waarde biogeen.
Artikel 53
Subsidie als bedoeld in artikel 52, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 52, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.4. Andere technieken ter vermindering van broeikasgas
§ 3.4.1. Thermische energie uit oppervlaktewater
Artikel 54
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte onttrokken uit oppervlaktewater en opgewaardeerd door middel van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.
De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid:
- a. heeft een seizoensopslag van warmte die niet wordt gebruikt voor koudelevering; en
- b. levert uitsluitend warmte aan de gebouwde omgeving;.
Artikel 55
Subsidie als bedoeld in artikel 54, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 54, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.4.2. Thermische energie uit drink- of afvalwater
Artikel 56
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte onttrokken uit drinkwater of afvalwater door middel van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.
De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, levert uitsluitend warmte aan de gebouwde omgeving.
Artikel 57
Subsidie als bedoeld in artikel 56, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 56, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.4.3. Zonthermie voor warmte met toepassing in daglichtkas
Artikel 58
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte uit zonne-energie die integraal onderdeel uitmaakt van een nieuwe tuinbouwkas.
De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid:
- a. maakt gebruik van een optisch en zonvolgend systeem waarbij zonlicht wordt geconcentreerd op collectorbuizen met een thermisch vermogen dat ten minste vier keer het nominaal thermisch vermogen van de warmtepomp bedraagt;
- b. maakt gebruik van seizoensopslag van warmte die niet wordt gebruikt voor koudelevering; en
- c. maakt gebruik van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 5,0 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.
Artikel 59
Subsidie als bedoeld in artikel 58, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 58, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.4.4. Elektroboiler voor warmte
Artikel 60
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van elektriciteit in een ketel.
De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, heeft een nominaal thermisch vermogen van ten minste 5 MWth, waarbij de geproduceerde warmte wordt toegepast in een systeem met een ontwerptemperatuur van ten minste 100 °C.
Het vermogen van de aansluiting op het elektriciteitsnet is ten minste even groot als het vermogen van de elektroboiler.
Het vermogen van de elektroboiler is niet groter dan het thermisch vermogen van de op de locatie aanwezige boilers die gestookt worden op fossiele brandstoffen.
Artikel 61
Subsidie als bedoeld in artikel 60, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 60, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.4.5. Industriële warmtepomp
Artikel 62
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van:
- a. een gesloten warmtepomp of compressiewarmtepomp met een COP-waarde van ten minste 2,3 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth;
- b. een open warmtepomp of mechanische damprecompressie-installatie met een COP-waarde van ten minste 2,3 en ten hoogste 8,0 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.
De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, produceert warmte ten behoeve van een industriële toepassing en levert geen koude.
Artikel 63
Subsidie als bedoeld in artikel 62, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 62, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.4.6. Restwarmtebenutting
Artikel 64
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie waarmee restwarmte wordt uitgekoppeld met een thermisch vermogen van ten minste 5 MWth en naar een andere locatie wordt getransporteerd waar deze warmte nuttig wordt aangewend, waarbij:
- a. transport plaatsvindt met behulp van een transportleiding; of
- b. transport plaatsvindt met behulp van een transportleiding en de warmte wordt opgewaardeerd met een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0.
De transportleiding, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kent ten minste 0,3833 kilometer transportleiding per MWth gezamenlijk outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties.
De levering van stoom wordt uitgesloten van subsidie.
Artikel 65
Subsidie als bedoeld in artikel 64, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 64, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.4.7. Waterstof uit elektrolyse
Artikel 66
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van waterstof geproduceerd door een productie-installatie die waterstof produceert met behulp van elektrolyse met een nominale capaciteit van ten minste 500 kW.
Artikel 67
Subsidie als bedoeld in artikel 66, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 66, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.4.8. Vermindering broeikasgas door afvang en permante opslag van koolstofdioxide
Artikel 68
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die koolstofdioxide afvangt en permanent opslaat of doet opslaan in een ondergronds opslagvoorkomen voor koolstofdioxide waarbij:
- a. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces en ten minste de compressor nieuw is;
- b. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces en ten minste de compressor nieuw is;
- c. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; of
- d. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn.
Artikel 69
Subsidie als bedoeld in artikel 68, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 68, binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 4. Fasebedragen
Artikel 70
Voor de fase genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel wordt:
- a. de periode waarbinnen de aanvragen binnen moeten zijn vastgesteld van de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel tot de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel van de daarop volgende fase, de vierde fase sluit op 17 december 2020, 17:00 uur;
- b. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, 27, eerste lid, 43a, eerste lid, en 55e, eerste lid, van het besluit, per respectieve fase vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag.
| 1 | 2 | 3 |
|---|---|---|
| fase | periode openstelling | fasebedrag in euro/1000 kg broeikasgas |
| 1 | Van 24 november 2020, 9:00 uur tot 30 november 2020, 17:00 uur | 65 |
| 2 | Van 30 november 2020, 17:00 uur tot 7 december 2020, 17:00 uur | 85 |
| 3 | Van 7 december 2020, 17:00 uur tot 14 december 2020 17:00 uur | 180 |
| 4 | 14 december 2020 17:00 uur tot 17 december 2020 17:00 uur | 300 |
Voor de fase een tot en met vier bedoeld in het eerste lid, wordt in afwijking van het fasebedrag bedoeld in de derde kolom van de tabel in het eerste lid, het omgerekende fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, artikel 27, eerste lid en 43a, eerste lid en 55e, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte en gecombineerde opwekking en vermindering van broeikasgas, vastgesteld op het respectievelijk in de derde, vierde, vijfde en zesde kolom van onderstaande tabellen genoemde bedrag.
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 |
|---|---|---|---|---|---|
| Artikel regeling | Categorie | fasebedrag in euro/kWh | fasebedrag in euro/kWh | fasebedrag in euro/kWh | fasebedrag in euro/kWh |
| Artikel regeling | Categorie | Fase 1 | Fase 2 | Fase 3 | Fase 4 |
| Artikel 4, onderdeel a | Waterkracht, valhoogte < 50 cm | 0,0652 | 0,0689 | 0,0867 | 0,1090 |
| Artikel 4, onderdeel b | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm | 0,0652 | 0,0689 | 0,0867 | 0,1090 |
| Artikel 4, onderdeel c | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie | 0,0652 | 0,0689 | 0,0867 | 0,0970 |
| Artikel 6 | Osmose | 0,0652 | 0,0689 | 0,0867 | 0,1090 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,5 m/s | 0,0400 | 0,0400 | 0,0400 | 0,0400 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s | 0,0420 | 0,0420 | 0,0420 | 0,0420 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0450 | 0,0450 | 0,0450 | 0,0450 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0480 | 0,0480 | 0,0480 | 0,0480 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel f | Wind op land, < 6,75 m/s | 0,0552 | 0,0560 | 0,0560 | 0,0560 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,0450 | 0,0450 | 0,0450 | 0,0450 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,0470 | 0,0470 | 0,0470 | 0,0470 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s, hoogtebeperkt | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,0550 | 0,0550 | 0,0550 | 0,0550 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s, hoogtebeperkt | 0,0552 | 0,0589 | 0,0590 | 0,0590 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel f | Wind op land, < 6,75 m/s, hoogtebeperkt | 0,0552 | 0,0589 | 0,0630 | 0,0630 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel a | Wind op waterkeringen, ≥ 8,5 m/s | 0,0430 | 0,0430 | 0,0430 | 0,0430 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel b | Wind op waterkeringen, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s | 0,0460 | 0,0460 | 0,0460 | 0,0460 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel c | Wind op waterkeringen, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0490 | 0,0490 | 0,0490 | 0,0490 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel d | Wind op waterkeringen, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel e | Wind op waterkeringen, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0552 | 0,0570 | 0,0570 | 0,0570 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel f | Wind op waterkeringen, < 6,75 m/s | 0,0552 | 0,0589 | 0,0610 | 0,0610 |
| Artikel 14, eerste lid | Wind in meer, water ≥ 1 km2 | 0,0552 | 0,0589 | 0,0590 | 0,0590 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel a | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 15 kWp en < 1 MWp, aansluiting 3*80A | 0,0748 | 0,0785 | 0,0800 | 0,0800 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel b | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, gebouwgebonden | 0,0694 | 0,0731 | 0,0740 | 0,0740 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel c | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, op land | 0,0595 | 0,0632 | 0,0690 | 0,0690 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel d | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend op land | 0,0595 | 0,0632 | 0,0690 | 0,0690 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel e | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, drijvend op water | 0,0595 | 0,0632 | 0,0800 | 0,0800 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel f | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend op water | 0,0595 | 0,0632 | 0,0800 | 0,0800 |
| Artikel 18, onderdeel a | Allesvergisting, gas | 0,0359 | 0,0396 | 0,0569 | 0,0640 |
| Artikel 18, onderdeel b | Monomestvergisting > 400 kW, gas | 0,0458 | 0,0526 | 0,0680 | 0,0680 |
| Artikel 18, onderdeel c | Monomestvergisting ≤ 400 kW, gas | 0,0458 | 0,0526 | 0,0845 | 0,0880 |
| Artikel 20 | Allesvergisting verlengde levensduur, gas | 0,0359 | 0,0396 | 0,0569 | 0,0640 |
| Artikel 22, eerste lid | Verbeterde slibgisting RWZI, gas | 0,0359 | 0,0396 | 0,0420 | 0,0420 |
| Artikel 24 | RWZI bestaande slibgisting, gas | 0,0300 | 0,0300 | 0,0300 | 0,0300 |
| Artikel 26, eerste lid, onderdeel a | Biomassavergassing (≥95% biogeen) | 0,0359 | 0,0396 | 0,0569 | 0,0730 |
| Artikel 26, eerste lid, onderdeel b | Biomassavergassing (uitgezonderdB-hout) | 0,0359 | 0,0396 | 0,0569 | 0,0790 |
| Artikel 28, eerste lid, onderdeel a | Zonthermie ≥ 140 kW en < 1 MW | 0,0547 | 0,0592 | 0,0807 | 0,0950 |
| Artikel 28, eerste lid, onderdeel b | Zonthermie ≥ 1 MW | 0,0477 | 0,0522 | 0,0737 | 0,0800 |
| Artikel 30, onderdelen a en d | Diepe geothermie < 20 MWth, basislast | 0,0382 | 0,0425 | 0,0440 | 0,0440 |
| Artikel 30, onderdelen b en e | Diepe geothermie ≥ 20 MWth, basislast | 0,0380 | 0,0410 | 0,0410 | 0,0410 |
| Artikel 30, onderdeel c | Diepe geothermie, verwarming gebouwde omgeving | 0,0378 | 0,0421 | 0,0623 | 0,0830 |
| Artikel 30, onderdeel f | Diepe geothermie basislast, aanvullende put | 0,0310 | 0,0310 | 0,0310 | 0,0310 |
| Artikel 30, onderdeel g | Geothermie, diepte ≥ 4.000 meter | 0,0381 | 0,0424 | 0,0631 | 0,0650 |
| Artikel 32, onderdeel a | Ondiepe geothermie, basislast | 0,0438 | 0,0471 | 0,0600 | 0,0600 |
| Artikel 32, onderdeel b | Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving | 0,0438 | 0,0471 | 0,0629 | 0,0810 |
| Artikel 34,onderdeel a | Allesvergisting, warmte | 0,0477 | 0,0522 | 0,0600 | 0,0600 |
| Artikel 34,onderdeel b | Allesvergisting, gecombineerde opwekking | 0,0565 | 0,0606 | 0,0670 | 0,0670 |
| Artikel 34, onderdeel c | Monomestvergisting, warmte > 400 kW | 0,0576 | 0,0620 | 0,0620 | 0,0620 |
| Artikel 34, onderdeel d | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW | 0,0663 | 0,0735 | 0,0740 | 0,0740 |
| Artikel 34, onderdeel e | Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW | 0,0576 | 0,0652 | 0,0980 | 0,0980 |
| Artikel 34, onderdeel f | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW | 0,0863 | 0,0935 | 0,1210 | 0,1210 |
| Artikel 36, eerste lid, onderdeel a | Verbeterde slibgisting RWZI, warmte | 0,0290 | 0,0290 | 0,0290 | 0,0290 |
| Artikel 36, eerste lid, onderdeel b | Verbeterde slibgisting RWZI, gecombineerde opwekking | 0,0440 | 0,0440 | 0,0440 | 0,0440 |
| Artikel 38, eerste lid | Ketel vloeibare biomassa | 0,0477 | 0,0522 | 0,0690 | 0,0690 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel a | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0470 | 0,0470 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel b | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0460 | 0,0460 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel c | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0460 | 0,0460 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel d | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0450 | 0,0450 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel e | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0450 | 0,0450 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel f | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0440 | 0,0440 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel g | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0440 | 0,0440 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel h | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0440 | 0,0440 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel i | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0440 | 0,0440 |
| Artikel 42, eerste lid | Grote ketel op B-hout | 0,0270 | 0,0270 | 0,0270 | 0,0270 |
| Artikel 44, eerste lid | Ketel stadsverwarming op houtpellets | 0,0387 | 0,0432 | 0,0647 | 0,0660 |
| Artikel 46, eerste lid | Stoomketel op houtpellets | 0,0387 | 0,0432 | 0,0640 | 0,0640 |
| Artikel 48, eerste lid | Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen | 0,0447 | 0,0492 | 0,0520 | 0,0520 |
| Artikel 50, eerste lid | Verlengde levensduur ketel vaste of vloeibare biomassa | 0,0310 | 0,0310 | 0,0310 | 0,0310 |
| Artikel 52, eerste lid | Composteringsinstallatie champost | 0,0430 | 0,0430 | 0,0430 | 0,0430 |
| Artikel 54, eerste lid, | Thermische energie uit oppervlaktewater | 0,0508 | 0,0541 | 0,0699 | 0,0900 |
| Artikel 56, eerste lid | Thermische energie uit drink- of afvalwater | 0,0508 | 0,0541 | 0,0699 | 0,0770 |
| Artikel 58, eerste lid | Daglichtkas | 0,0360 | 0,0397 | 0,0573 | 0,0770 |
| Artikel 60, eerste lid | Elektroboiler | 0,0387 | 0,0432 | 0,0647 | 0,0720 |
| Artikel 62, eerste lid, onderdeel a | Industriële warmtepomp (gesloten) | 0,0352 | 0,0380 | 0,0380 | 0,0380 |
| Artikel 62, eerste lid, onderdeel b | Industriële warmtepomp (open) | 0,0369 | 0,0370 | 0,0370 | 0,0370 |
| Artikel 64, eerste lid, onderdeel a | Restwarmtebenutting (zonder warmtepomp) | 0,0330 | 0,0330 | 0,0330 | 0,0330 |
| Artikel 64, eerste lid, onderdeel b | Restwarmtebenutting (met warmtepomp) | 0,0347 | 0,0380 | 0,0440 | 0,0440 |
| Artikel 66 | Waterstof uit elektrolyse | 0,0512 | 0,0556 | 0,0764 | 0,1030 |
| Artikel regeling | categorie | Maximum fasebedrag in euro/1.000 kg CO2 | Maximum fasebedrag in euro/1.000 kg CO2 | Maximum fasebedrag in euro/1.000 kg CO2 | Maximum fasebedrag in euro/1.000 kg CO2 |
| Artikel regeling | categorie | Fase 1 | Fase 2 | Fase 3 | Fase 4 |
| Artikel 68, onderdeel a | Bestaande afvang koolstofdioxide bij bestaand proces (ten hoogste 4.000 vollasturen) | 86,9640 | 86,9640 | 86,9640 | 86,9640 |
| Artikel 68, onderdeel b | Bestaande afvang koolstofdioxide bij bestaand proces (ten hoogste 8.000 vollasturen) | 62,4760 | 62,4760 | 62,4760 | 62,4760 |
| Artikel 68, onderdeel c | Nieuwe afvang koolstofdioxide bij bestaand proces | 96,1773 | 100,3310 | 100,3310 | 100,3310 |
| Artikel 68, onderdeel d | Nieuwe afvang koolstofdioxide bij nieuw proces | 92,3040 | 92,3040 | 92,3040 | 92,3040 |
In afwijking van de fasebedragen genoemd in de derde, vierde, vijfde en zesde kolom van de tabel in het tweede lid geldt voor de productiecategorieën, bedoeld in de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, eerste lid, 16, eerste lid, 18, 20, 22, eerste lid, 24, 26, eerste lid, 28, eerste lid, 30, 32, 34, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, 48, eerste lid, 50, eerste lid, 52, eerste lid, 54, eerste lid, 56, eerste lid, 58, eerste lid, 60, eerste lid, 62, eerste lid, 64, eerste lid, en 66 het fasebedrag in euro per kWh in vier decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, mits dat bedrag per kWh lager is dan het fasebedrag dat voor de fase waarin de aanvraag is ingediend van toepassing is.
In afwijking van de fasebedragen genoemd in de derde, vierde, vijfde of zesde kolom van de tabel in het tweede lid geldt voor de productiecategorieën, bedoeld in artikel 68 het fasebedrag in euro per 1.000 kg broeikasgas in vier decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, mits dat bedrag per 1.000 kg broeikasgas lager is dan het fasebedrag, genoemd in de respectievelijke derde, vierde, vijfde of zesde kolom van de tabel in het tweede lid dat voor de fase waarin de aanvraag is ingediend van toepassing is.
Artikel 71
Het rangschikkingsbedrag, bedoeld voor de vergelijking van de fasebedragen op grond van artikel 58, tweede lid, van het besluit wordt berekend volgens de formule in het tweede lid en ten behoeve van de uitdrukking in euro per 1.000 kg vermindering van broeikasgas vermenigvuldigd met de factor 1.000 en afgerond op drie decimalen.
De formule voor de berekening van het rangschikkingsbedrag luidt
- a. voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte of hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit: het quotiënt van het verschil tussen het fasebedrag waarvoor de aanvrager de aanvraag heeft ingediend en de langetermijnenergieprijs als vastgesteld in de derde kolom van de in dit lid opgenomen tabel, en de omrekenfactor vastgesteld in de vierde kolom van de in dit lid opgenomen tabel;
- b. voor productie-installaties voor vermindering van broeikasgas: het quotiënt van het verschil tussen het fasebedrag waarvoor de aanvrager de aanvraag heeft ingediend en het langetermijnbroeikasgasbedrag als vastgesteld in de derde kolom van de in dit lid opgenomen tabel, en de omrekenfactor vastgesteld in de vierde kolom van de in dit lid opgenomen tabel.
| 1 | 2 | 3 | 4 |
|---|---|---|---|
| Artikel regeling | Categorie | Langetermijn energieprijs of langetermijnbroeikasgasbedrag in euro/kWh | Omrekenfactor in kg CO2/ kWh |
| Artikel 4, onderdeel a | Waterkracht, valhoogte < 50 cm | 0,053 | 0,187 |
| Artikel 4, onderdeel b | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm | 0,053 | 0,187 |
| Artikel 4, onderdeel c | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie | 0,053 | 0,187 |
| Artikel 6 | Osmose | 0,053 | 0,187 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,5 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel f | Wind op land, < 6,75 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel f | Wind op land, < 6,75 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel a | Wind op waterkeringen, ≥ 8,5 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel b | Wind op waterkeringen, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel c | Wind op waterkeringen, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel d | Wind op waterkeringen, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel e | Wind op waterkeringen, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel f | Wind op waterkeringen, < 6,75 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 14, eerste lid | Wind in meer, water ≥ 1 km2 | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel a | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 15 kWp en < 1 MWp, aansluiting 3*80A | 0,0626 | 0,187 |
| Artikel 16, eerste lid,, onderdeel b | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, gebouwgebonden | 0,0572 | 0,187 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel c | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, op land | 0,0473 | 0,187 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel d | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend op land | 0,0473 | 0,187 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel e | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, drijvend op water | 0,0473 | 0,187 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel f | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend op water | 0,0473 | 0,187 |
| Artikel 18, onderdeel a | Allesvergisting, gas | 0,024 | 0,183 |
| Artikel 18, onderdeel b | Monomestvergisting > 400 kW, gas | 0,024 | 0,336 |
| Artikel 18, onderdeel c | Monomestvergisting ≤ 400 kW, gas | 0,024 | 0,336 |
| Artikel 20, | Allesvergisting verlengde levensduur, gas | 0,024 | 0,183 |
| Artikel 22, eerste lid | Verbeterde slibgisting RWZI, gas | 0,024 | 0,183 |
| Artikel 24 | RWZI bestaande slibgisting, gas | 0,024 | 0,183 |
| Artikel 26, eerste lid, onderdeel a | Biomassavergassing (≥95% biogeen) | 0,024 | 0,183 |
| Artikel 26, eerste lid, onderdeel b | Biomassavergassing (uitgezonderd B-hout) | 0,024 | 0,183 |
| Artikel 28, eerste lid, onderdeel a | Zonthermie ≥ 140 kW en < 1 MW | 0,040 | 0,226 |
| Artikel 28, eerste lid, onderdeel b | Zonthermie ≥ 1 MW | 0,033 | 0,226 |
| Artikel 30, onderdelen a en d | Diepe geothermie < 20 MWth, basislast | 0,024 | 0,218 |
| Artikel 30, onderdelen b en e | Diepe geothermie ≥ 20 MWth, basislast | 0,024 | 0,215 |
| Artikel 30, onderdeel c | Diepe geothermie, verwarming gebouwde omgeving | 0,024 | 0,213 |
| Artikel 30, onderdeel f | Diepe geothermie basislast, aanvullende put | 0,024 | 0,218 |
| Artikel 30, onderdeel g | Geothermie, diepte ≥ 4.000 meter | 0,024 | 0,217 |
| Artikel 32, onderdeel a | Ondiepe geothermie, basislast | 0,033 | 0,166 |
| Artikel 32, onderdeel b | Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving | 0,033 | 0,166 |
| Artikel 34,onderdeel a | Allesvergisting, warmte | 0,033 | 0,226 |
| Artikel 34,onderdeel b | Allesvergisting, gecombineerde opwekking | 0,043 | 0,207 |
| Artikel 34, onderdeel c | Monomestvergisting, warmte > 400 kW | 0,033 | 0,379 |
| Artikel 34, onderdeel d | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW | 0,043 | 0,359 |
| Artikel 34, onderdeel e | Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW | 0,033 | 0,379 |
| Artikel 34, onderdeel f | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW | 0,063 | 0,359 |
| Artikel 36, eerste lid, onderdeel a | Verbeterde slibgisting RWZI, warmte | 0,033 | 0,226 |
| Artikel 36, eerste lid, onderdeel b | Verbeterde slibgisting RWZI, gecombineerde opwekking | 0,047 | 0,202 |
| Artikel 38, eerste lid | Ketel vloeibare biomassa | 0,033 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel a | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel b | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel c | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel d | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel e | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel f | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel g | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel h | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel i | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 42, eerste lid | Grote ketel op B-hout | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 44, eerste lid | Ketel stadsverwarming op houtpellets | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 46, eerste lid | Stoomketel op houtpellets | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 48, eerste lid | Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen | 0,030 | 0,226 |
| Artikel 50, eerste lid | Verlengde levensduur ketel vaste of vloeibare biomassa | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 52, eerste lid | Composteringsinstallatie champost | 0,033 | 0,226 |
| Artikel 54, eerste lid, | Thermische energie uit oppervlaktewater | 0,040 | 0,166 |
| Artikel 56, eerste lid | Thermische energie uit drink- of afvalwater | 0,040 | 0,166 |
| Artikel 58, eerste lid | Daglichtkas | 0,024 | 0,185 |
| Artikel 60, eerste lid | Elektroboiler | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 62, eerste lid, onderdeel a | Industriële warmtepomp (gesloten) | 0,024 | 0,173 |
| Artikel 62, eerste lid, onderdeel b | Industriële warmtepomp (open) | 0,024 | 0,199 |
| Artikel 64, eerste lid, onderdeel a | Restwarmtebenutting (zonder warmtepomp) | 0,024 | 0,223 |
| Artikel 64, eerste lid, onderdeel b | Restwarmtebenutting (met warmtepomp) | 0,024 | 0,165 |
| Artikel 66 | Waterstof uit elektrolyse | 0,037 | 0,219 |
| Artikel regeling | categorie | Langetermijn broeikasgasbedrag in euro/1.000 kg CO2 | Emissie-factor in kg CO2/1.000 kg CO2 |
| Artikel 68, onderdeel a | Bestaande afvang koolstofdioxide bij bestaand proces (ten hoogste 4.000 vollasturen) | 37,895 | 976,625 |
| Artikel 68, onderdeel b | Bestaande afvang koolstofdioxidebij bestaand proces (ten hoogste 8.000 vollasturen) | 37,895 | 976,625 |
| Artikel 68, onderdeel c | Nieuwe afvang koolstofdioxide bij bestaand proces | 37,895 | 896,650 |
| Artikel 68, onderdeel d | Nieuwe afvang koolstofdioxide bij nieuw proces | 37,895 | 902,549 |
§ 5. Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen
§ 5.1. Hernieuwbare elektriciteit
Artikel 72
Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:
- a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de derde kolom genoemde bedrag;
- b. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;
- c. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit de basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en
- d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2020 vastgesteld op:
- 1°. voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;
- 2°. voor wat betreft de waarde van de garanties van oorsprong, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, het in de zevende kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en
- 3°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, van het besluit op € 0 per kWh.
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 7 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro/kWh | Vollasturen | Basiselektriciteitsprijs in euro/kWh | Voorlopige correctie voor elektriciteitsprijs 2020 in euro/kWh | Voorlopige correctie voor waarde garanties van oorsprong 2020 in euro/kWh | Voorlopige correctie voor waarde garanties van oorsprong 2020 in euro/kWh |
| Artikel 4, onderdeel a | Waterkracht, valhoogte < 50 cm waaronder vrije stroming en golfenergie | 0,109 | 3.700 | 0,035 | 0,049 | 0 | 0 |
| Artikel 4, onderdeel b | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm | 0,109 | 5.700 | 0,035 | 0,049 | 0 | 0 |
| Artikel 4, onderdeel c | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie | 0,097 | 2.600 | 0,035 | 0,049 | 0 | 0 |
| Artikel 6 | Osmose | 0,109 | 8.000 | 0,035 | 0,049 | 0 | 0 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,5 m/s | 0,040 | netto P50-waarde vollasturen | 0.029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s | 0,042 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,045 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,048 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,052 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel f | Wind op land, < 6,75 m/s | 0,056 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,045 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,047 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s, hoogtebeperkt | 0,052 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,055 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s, hoogtebeperkt | 0,059 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel f | Wind op land, < 6,75 m/s, hoogtebeperkt | 0,063 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel a | Wind op waterkeringen, ≥ 8,5 m/s | 0,043 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel b | Wind op waterkeringen, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s | 0,046 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel c | Wind op waterkeringen, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,049 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel d | Wind op waterkeringen, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,052 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel e | Wind op waterkeringen, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,057 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel f | Wind op waterkeringen, < 6,75 m/s | 0,061 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 14, eerste lid | Wind in meer, water ≥ 1 km2 | 0,059 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007 | 0,007 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel a | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 15 kWp en < 1 MWp, aansluiting 3*80A | 0,080 | 950 | Netlevering: 0,029 | Netlevering: 0,047 | Netlevering: 0,007 | Netlevering: 0,007 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel a | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 15 kWp en < 1 MWp, aansluiting 3*80A | 0,080 | 950 | Niet netlevering: 0,060 | Niet netlevering: 0,078 | Niet netlevering: 0 | Niet netlevering: 0 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel b | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, gebouwgebonden systeem | 0,074 | 950 | Netlevering: 0,029 | Netlevering: 0,047 | Netlevering: 0,007 | Netlevering: 0,007 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel b | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, gebouwgebonden systeem | 0,074 | 950 | Niet netlevering: 0,051 | Niet netlevering: 0,069 | Niet netlevering: 0 | Niet netlevering: 0 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel c | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, niet gebouwgebonden systeem | 0,069 | 950 | Netlevering: 0,029 | Netlevering: 0,047 | Netlevering: 0,007 | Netlevering: 0,007 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel c | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, niet gebouwgebonden systeem | 0,069 | 950 | Niet netlevering: 0,051 | Niet netlevering: 0,069 | Niet netlevering: 0 | Niet netlevering: 0 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel d | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend niet gebouwgebonden systeem | 0,069 | 1.045 | Netlevering: 0,029 | Netlevering: 0,047 | Netlevering: 0,007 | Netlevering: 0,007 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel d | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend niet gebouwgebonden systeem | 0,069 | 1.045 | Niet netlevering: 0,051 | Niet netlevering: 0,069 | Niet netlevering: 0 | Niet netlevering: 0 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel e | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, drijvend op water | 0,080 | 950 | Netlevering: 0,029 | Netlevering: 0,047 | Netlevering: 0,007 | Netlevering: 0,007 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel e | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, drijvend op water | 0,080 | 950 | Niet netlevering: 0,051 | Niet netlevering: 0,069 | Niet netlevering: 0 | Niet netlevering: 0 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel f | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend op water | 0,080 | 1190 | Netlevering: 0,029 | Netlevering: 0,047 | Netlevering: 0,007 | Netlevering: 0,007 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel f | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend op water | 0,080 | 1190 | Niet netlevering: 0,051 | Niet netlevering: 0,069 | Niet netlevering: 0 | Niet netlevering: 0 |
§ 5.2. Hernieuwbaar gas
Artikel 73
Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:
- a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbaar gas, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;
- b. voor de productie van hernieuwbaar gas het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;
- c. voor de productie van hernieuwbaar gas de basisgasprijs, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en
- d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2020 vastgesteld op:
- 1°. voor de energieprijs, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en
- 2°. voor de correcties, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 |
|---|---|---|---|---|---|
| Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in eur/kWh | Vollasturen | Basisenergie-prijs in eur/kWh | Voorlopige correctie voor energieprijs 2020 in eur/kWh |
| Artikel 18, onderdeel a | Allesvergisting | 0,064 | 8.000 | 0,016 | 0,020 |
| Artikel 18, onderdeel b | Monomestvergisting > 400 kW | 0,068 | 8.000 | 0,016 | 0,020 |
| Artikel 18, onderdeel c | Monomestvergisting ≤ 400 kW | 0,088 | 8.000 | 0,016 | 0,020 |
| Artikel 20, eerste lid | Biomassavergisting verlengde levensduur | 0.064 | 8.000 | 0,016 | 0,020 |
| Artikel 22, eerste lid | Verbeterde slibgisting bij rioolwater-zuiverings-installaties | 0,042 | 8.000 | 0,016 | 0,020 |
| Artikel 24 | Rioolwaterzuiveringsinstallaties bestaande slibgisting | 0,030 | 8.000 | 0,016 | 0,020 |
| Artikel 26, eerste lid, onderdeel a | Biomassavergassing (≥95% biogeen) | 0,073 | 7.500 | 0,016 | 0,020 |
| Artikel 26, eerste lid, onderdeel b | Biomassavergassing (uitgezonderd B-hout) | 0,079 | 7.500 | 0,016 | 0,020 |
§ 5.3. Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte
Artikel 74
Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:
- a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte en de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;
- b. voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;
- c. de basisenergieprijs, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en
- d. de correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, worden voor 2020 vastgesteld op:
- 1°. voor de energie- of elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, of 47, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;
- 2°. voor de correcties, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van het besluit op € 0 per kWh; en
- 3°. Voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel c, van het besluit het in de zevende kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag.
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro/kWh | Vollasturen | Basisenergie-prijs in euro/kWh | Voorlopige correctie voor energieprijs 2020 in euro/kWh | Andere correctie 2020 in euro/kWh |
| Artikel 28, eerste lid, onderdeel a | Zonthermie ≥ 140 kW en < 1 MW | 0,095 | 600 | 0,030 | 0,035 | 0,005 |
| Artikel 28, eerste lid, onderdeel b | Zonthermie ≥ 1 MW | 0,080 | 600 | 0,023 | 0,028 | 0,005 |
| Artikel 30, onderdelen a en d | Diepe geothermie < 20 MWth, basislast | 0,044 | 6.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 30, onderdelen b en e | Diepe geothermie ≥ 20 MWth, basislast | 0,041 | 6.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 30, onderdeel c | Diepe geothermie, verwarming gebouwde omgeving | 0,083 | 3.500 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 30, onderdeel f | Diepe geothermie basislast, aanvullende put | 0,031 | 6.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 30, onderdeel g | Geothermie, diepte ≥ 4.000 meter | 0,065 | 7.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 34,onderdeel a | Allesvergisting, warmte | 0,060 | 7.000 | 0,023 | 0,028 | 0,005 |
| Artikel 34,onderdeel b | Allesvergisting, gecombineerde opwekking | 0,067 | 7.622 | 0,029 | 0,038 | 0,003 |
| Artikel 34, onderdeel c | Monomestvergisting, warmte > 400 kW | 0,062 | 7.000 | 0,023 | 0,028 | 0,005 |
| Artikel 34, onderdeel d | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW | 0,074 | 7.353 | 0,029 | 0,039 | 0,003 |
| Artikel 34, onderdeel e | Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW | 0,098 | 7.000 | 0,023 | 0,028 | 0,005 |
| Artikel 34, onderdeel f | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW | 0,121 | 6.374 | 0,049 | 0,059 | 0,003 |
| Artikel 36, eerste lid, onderdeel a | Verbeterde slibgisting RWZI, warmte | 0,029 | 7.000 | 0,023 | 0,028 | 0,005 |
| Artikel 36, eerste lid, onderdeel b | Verbeterde slibgisting RWZI, gecombineerde opwekking | 0,044 | 5.729 | 0,033 | 0,043 | 0,002 |
| Artikel 38, eerste lid | Ketel vloeibare biomassa | 0,069 | 7.000 | 0,023 | 0,028 | 0,005 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel a | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) | 0,047 | 4.500 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel b | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) | 0,046 | 5.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel c | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) | 0,046 | 5.500 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel d | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) | 0,045 | 6.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel e | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) | 0,045 | 6.500 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel f | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) | 0,044 | 7.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel g | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) | 0,044 | 7.500 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel h | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) | 0,044 | 8.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel i | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) | 0,044 | 8.500 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 42, eerste lid | Grote ketel op B-hout | 0,027 | 7.500 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 44, eerste lid | Ketel stadsverwarming op houtpellets | 0,066 | 6.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 46, eerste lid | Stoomketel op houtpellets | 0,064 | 8.500 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 48, eerste lid | Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen | 0,052 | 3.000 | 0,021 | 0,025 | 0,005 |
| Artikel 50, eerste lid | Verlengde levensduur ketel vaste of vloeibare biomassa | 0,031 | 8.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 52, eerste lid | Composteringsinstallatie champost | 0,043 | 5.200 | 0,023 | 0,028 | 0,005 |
§ 5.4. Andere technieken ter vermindering van broeikasgas
Artikel 75
Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:
- a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 55f, eerste lid, van het besluit, voor de vermindering van broeikasgas, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;
- b. voor de vermindering van broeikasgas het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;
- c. het basisbroeikasgasbedrag, bedoeld in artikel 55g, eerste lid, van het besluit, voor de vermindering van broeikasgas, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en
- d. de correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, worden voor 2020 vastgesteld op:
- 1°. voor wat betreft de prijs van het primaire product, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;
- 2°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel c, van het besluit op € 0 per kWh; en
- 3°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel b, van het besluit het in de zevende kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag.
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro per kWh | Vollasturen | Basisbroeikasgasbedrag in euro per kWh | Voorlopige correctie productprijs 2020 in euro per kWh | Voorlopige correctie ETS 2020 in euro per kWh |
| Artikel 54, eerste lid, | Thermische energie uit oppervlaktewater | 0,090 | 3.500 | 0,030 | 0,035 | 0,005 |
| Artikel 56, eerste lid | Thermische energie uit drink- of afvalwater | 0,077 | 6.000 | 0,030 | 0,035 | 0,005 |
| Artikel 58, eerste lid | Daglichtkas | 0,077 | 3.850 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 60, eerste lid | Elektroboiler | 0,072 | 2000 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 62, eerste lid, onderdeel a | Industriële warmtepomp (gesloten) | 0,038 | 8.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 62, eerste lid, onderdeel b | Industriële warmtepomp (open) | 0,037 | 8.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 64, eerste lid, onderdeel a | Restwarmtebenutting (zonder warmtepomp) | 0,033 | 6.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 64, eerste lid, onderdeel b | Restwarmtebenutting (met warmtepomp) | 0,044 | 6.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005 |
| Artikel 66 | Waterstof uit elektrolyse | 0,103 | 2.000 | 0,027 | 0,032 | 0,000 |
| Artikel 32, onderdeel a | Ondiepe geothermie, basislast | 0,060 | 6.000 | 0,023 | 0,028 | 0,005 |
| Artikel 32, onderdeel b | Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving | 0,081 | 3.500 | 0,023 | 0,028 | 0,005 |
| Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro per 1.000 kg broeikasgas | Vollasturen | Basisbroeikasgasbedragin euro per 1.000 kg broeikasgas | Voorlopige correctie productprijs 2020 in euro per 1.000 kg broeikasgas | Voorlopige correctie ETS 2020 in euro per 1.000 kg broeikasgas |
| Artikel 68, onderdeel a | Afvang en permanente opslag koolstofdioxide (ten hoogste 4.000 vollasturen) | 86,964 | 4.000 | 25,264 | 0 | 25,264 |
| Artikel 68, onderdeel b | Afvang en permanente opslag koolstofdioxide (ten hoogste 8.000 vollasturen) | 62,476 | 8.000 | 25,264 | 0 | 25,264 |
| Artikel 68, onderdeel c | Afvang en permanente opslag koolstofdioxide (bestaand proces, nieuwe installatie) | 100,331 | 8.000 | 25,264 | 0 | 25,264 |
| Artikel 68, onderdeel d | Afvang en permanente opslag koolstofdioxide (nieuw proces, nieuwe installatie) | 92,304 | 8.000 | 25,264 | 0 | 25,264 |
De feitelijke productie van een productie-installatie als bedoeld in de artikelen, 60, eerste lid, en 66, die in aanmerking komt voor subsidie bedraagt in de kalenderjaren 2021 tot en met 2026 ten hoogste de productie bij het respectievelijke aantal vollasturen, bedoeld in de onderstaande tabel.
| Jaar | Vollasturen elektroboiler | Vollasturen waterstof uit elektrolyse |
|---|---|---|
| 2021 | 1.490 | 0 |
| 2022 | 1.670 | 0 |
| 2023 | 1.790 | 1.490 |
| 2024 | 1.860 | 1.590 |
| 2025 | 1.820 | |
| 2026 | 2.330 |
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 76
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2020.
Artikel 77
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020.
Bijlage 1. behorende bij artikel 2, zesde lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020
Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en opslag van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020
.....
(hierna te samen ook te noemen: Partijen);
overwegen:
Partijen komen daartoe het volgende overeen:
Artikel 1. Tijdige ingebruikname van de productie-installatie
De Ondernemer verplicht zich jegens de Staat de productie-installatie tijdig in gebruik te nemen en wel binnen de in artikel 61 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie bedoelde periode of, indien op grond van artikel 62, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie een ontheffing is verleend, binnen de in de ontheffing opgenomen periode.
Artikel 2. Inhoud en omvang van de garantie
De Ondernemer verplicht zich om tot zekerheid voor de nakoming van de in artikel 1 bedoelde verplichting, alsmede de bij niet tijdige nakoming verschuldigde boetes, binnen vier weken nadat de Beschikking is afgegeven ten behoeve van de Staat financiële zekerheid te stellen en gesteld houden voor een bedrag groot 2% van de maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de artikelen 16, 33, 49 en 55k van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie, door middel van de afgifte aan de Staat van een door een binnen de Europese Unie gevestigde bank afgegeven bankgarantie welke is opgemaakt onder gebruikmaking van het model bankgarantie.
Artikel 3. Vrijval van de garantie
Artikel 4. Boetes
Artikel 5. Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst
Artikel 6. Domiciliekeuze en berichtgevingen
Artikel 7. Rechtskeuze
Artikel 8. Citeertitel
Deze Uitvoeringsovereenkomst wordt tussen partijen aangeduid als ‘Uitvoeringsovereenkomst duurzame energieproductie en klimaattransitie Staat/.....’.
Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend
te.....
Ondernemer
te 's-Gravenhage op.....
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
Model bankgarantie
DE ONDERGETEKENDE,
....., gevestigd te....., hierna te noemen de ‘Bank’,
IN AANMERKING NEMENDE DAT:
VERKLAART ALS VOLGT
Getekend te
op
De Bank
Bijlage 2. behorende bij de artikelen 8, 10 en 12 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020
| Gemeentenaam | Provincie | Windcategorie |
|---|---|---|
| Ameland | Friesland | ≥ 8,5 m/s |
| Den Helder | Noord-Holland | ≥ 8,5 m/s |
| Schiermonnikoog | Friesland | ≥ 8,5 m/s |
| Terschelling | Friesland | ≥ 8,5 m/s |
| Texel | Noord-Holland | ≥ 8,5 m/s |
| Vlieland | Friesland | ≥ 8,5 m/s |
| Bergen (NH.) | Noord-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s |
| Het Hogeland | Groningen | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s |
| Harlingen | Friesland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s |
| Hollands Kroon | Noord-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s |
| Noordeast-Fryslân | Friesland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s |
| Rotterdam Maasvlakte (wijk 23 buurt 8) | Zuid-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s |
| Schagen | Noord-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s |
| Súdwest-Fryslân | Friesland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s |
| Waadhoeke | Friesland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s |
| Zandvoort | Noord-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s |
| Achtkarspelen | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Alkmaar | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Appingedam | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Beemster | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Beverwijk | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Bloemendaal | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Castricum | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Dantumadiel | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| De Fryske Marren | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Delfzijl | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Drechterland | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Edam-Volendam | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Enkhuizen | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Goeree-Overflakkee | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Heemskerk | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Heerenveen | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Heerhugowaard | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Heiloo | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Hillegom | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Hoorn | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Katwijk | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Koggenland | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Langedijk | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Leeuwarden | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Lisse | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Loppersum | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Medemblik | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Noord-Beveland | Zeeland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Noordoostpolder | Flevoland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Noordwijk | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Oldambt | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Opmeer | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Opsterland | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Schouwen-Duiveland | Zeeland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Smallingerland | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Stede Broec | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Tytsjerksteradiel | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Uitgeest | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Urk | Flevoland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Veere | Zeeland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Velsen | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Wassenaar | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Westerkwartier | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Westland | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Westvoorne | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s |
| Aa en Hunze | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Aalsmeer | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Aalten | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Almere | Flevoland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Alphen aan den Rijn | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Altena | Noord-Brabant | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Amstelveen | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Amsterdam | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Assen | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Bodegraven-Reeuwijk | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Borger-Odoorn | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Borsele | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Brielle | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Coevorden | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Culemborg | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Dalfsen | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| De Ronde Venen | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| De Wolden | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Delft | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Diemen | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Dronten | Flevoland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Emmen | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Goes | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Gouda | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Groningen | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Haarlem | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Haarlemmermeer | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Hardenberg | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Hardinxveld-Giessendam | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Heemstede | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Hellevoetsluis | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Hoeksche Waard | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Hoogeveen | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Hulst | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| IJsselstein | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Kaag en Braassem | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Kampen | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Kapelle | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Krimpenerwaard | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Landsmeer | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Lansingerland | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Leiden | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Leiderdorp | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Leidschendam-Voorburg | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Lelystad | Flevoland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Lopik | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Maassluis | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Meppel | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Middelburg | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Midden-Delfland | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Midden-Drenthe | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Midden-Groningen | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Moerdijk | Noord-Brabant | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Molenlanden | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Montfoort | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Nieuwkoop | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Nissewaard | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Noordenveld | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Oegstgeest | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Oost Gelre | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Ooststellingwerf | Friesland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Oostzaan | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Ouder-Amstel | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Oudewater | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Pekela | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Pijnacker-Nootdorp | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Purmerend | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Reimerswaal | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Rijswijk | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Rotterdam-West (wijk 17, wijk 23 excl. buurt 8, en wijk 27) | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| 's-Gravenhage | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Sluis | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Stadskanaal | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Staphorst | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Steenbergen | Noord-Brabant | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Steenwijkerland | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Stichtse Vecht | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Terneuzen | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Teylingen | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Tholen | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Tynaarlo | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Uithoorn | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Veendam | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Vijfheerenlanden | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Vlissingen | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Voorschoten | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Waddinxveen | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Waterland | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Weesp | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| West Betuwe | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Westerveld | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Westerwolde | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Weststellingwerf | Friesland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Woerden | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Wormerland | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Zaanstad | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Zaltbommel | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Zoetermeer | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Zoeterwoude | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Zuidplas | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Zwartewaterland | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Zwolle | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s |
| Alblasserdam | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Albrandswaard | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Barendrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Bergen op Zoom | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Berkelland | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Beuningen | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Bunnik | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Bunschoten | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Buren | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Capelle aan den IJssel | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Dordrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Drimmelen | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Druten | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Duiven | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Etten-Leur | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Geertruidenberg | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Gooise Meren | Noord-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Gorinchem | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Haaksbergen | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Halderberge | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Hattem | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Hellendoorn | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Hendrik-Ido-Ambacht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Houten | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Krimpen aan den IJssel | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Lingewaard | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Maasdriel | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Neder-Betuwe | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Nieuwegein | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Nijkerk | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Oldebroek | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Olst-Wijhe | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Ommen | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Oss | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Oude IJsselstreek | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Overbetuwe | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Papendrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Raalte | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Ridderkerk | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Roosendaal | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Rotterdam (excl. wijk 17, 23 en 27) | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Schiedam | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Simpelveld | Limburg | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Sliedrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Tiel | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Tubbergen | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Twenterand | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Utrecht | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Vlaardingen | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Waalwijk | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| West Maas en Waal | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Wijchen | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Wijdemeren | Noord-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Wijk bij Duurstede | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Winterswijk | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Zeewolde | Flevoland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Zevenaar | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Zundert | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Zwijndrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s |
| Almelo | Overijssel | < 6,75 m/s |
| Alphen-Chaam | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Amersfoort | Utrecht | < 6,75 m/s |
| Apeldoorn | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Arnhem | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Asten | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Baarle-Nassau | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Baarn | Utrecht | < 6,75 m/s |
| Barneveld | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Beek | Limburg | < 6,75 m/s |
| Beekdaelen | Limburg | < 6,75 m/s |
| Beesel | Limburg | < 6,75 m/s |
| Berg en Dal | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Bergeijk | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Bergen (L.) | Limburg | < 6,75 m/s |
| Bernheze | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Best | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Bladel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Blaricum | Noord-Holland | < 6,75 m/s |
| Boekel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Borne | Overijssel | < 6,75 m/s |
| Boxmeer | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Boxtel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Breda | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Bronckhorst | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Brummen | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Brunssum | Limburg | < 6,75 m/s |
| Cranendonck | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Cuijk | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| De Bilt | Utrecht | < 6,75 m/s |
| Deurne | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Deventer | Overijssel | < 6,75 m/s |
| Dinkelland | Overijssel | < 6,75 m/s |
| Doesburg | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Doetinchem | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Dongen | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Echt-Susteren | Limburg | < 6,75 m/s |
| Ede | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Eemnes | Utrecht | < 6,75 m/s |
| Eersel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Eijsden-Margraten | Limburg | < 6,75 m/s |
| Eindhoven | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Elburg | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Enschede | Overijssel | < 6,75 m/s |
| Epe | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Ermelo | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Geldrop-Mierlo | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Gemert-Bakel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Gennep | Limburg | < 6,75 m/s |
| Gilze en Rijen | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Goirle | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Grave | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Gulpen-Wittem | Limburg | < 6,75 m/s |
| Haaren | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Harderwijk | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Heerde | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Heerlen | Limburg | < 6,75 m/s |
| Heeze-Leende | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Helmond | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Hengelo | Overijssel | < 6,75 m/s |
| Heumen | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Heusden | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Hilvarenbeek | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Hilversum | Noord-Holland | < 6,75 m/s |
| Hof van Twente | Overijssel | < 6,75 m/s |
| Horst aan de Maas | Limburg | < 6,75 m/s |
| Huizen | Noord-Holland | < 6,75 m/s |
| Kerkrade | Limburg | < 6,75 m/s |
| Laarbeek | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Landerd | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Landgraaf | Limburg | < 6,75 m/s |
| Laren | Noord-Holland | < 6,75 m/s |
| Leudal | Limburg | < 6,75 m/s |
| Leusden | Utrecht | < 6,75 m/s |
| Lochem | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Loon op Zand | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Losser | Overijssel | < 6,75 m/s |
| Maasgouw | Limburg | < 6,75 m/s |
| Maastricht | Limburg | < 6,75 m/s |
| Meerssen | Limburg | < 6,75 m/s |
| Meierijstad | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Mill en Sint Hubert | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Montferland | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Mook en Middelaar | Limburg | < 6,75 m/s |
| Nederweert | Limburg | < 6,75 m/s |
| Nijmegen | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Nuenen, Gerwen en Nederwetten | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Nunspeet | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Oirschot | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Oisterwijk | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Oldenzaal | Overijssel | < 6,75 m/s |
| Oosterhout | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Peel en Maas | Limburg | < 6,75 m/s |
| Putten | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Renkum | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Renswoude | Utrecht | < 6,75 m/s |
| Reusel-De Mierden | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Rheden | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Rhenen | Utrecht | < 6,75 m/s |
| Rijssen-Holten | Overijssel | < 6,75 m/s |
| Roerdalen | Limburg | < 6,75 m/s |
| Roermond | Limburg | < 6,75 m/s |
| Rozendaal | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Rucphen | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Scherpenzeel | Gelderland | < 6,75 m/s |
| 's-Hertogenbosch | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Sint Anthonis | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Sint-Michielsgestel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Sittard-Geleen | Limburg | < 6,75 m/s |
| Soest | Utrecht | < 6,75 m/s |
| Someren | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Son en Breugel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Stein | Limburg | < 6,75 m/s |
| Tilburg | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Uden | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Utrechtse Heuvelrug | Utrecht | < 6,75 m/s |
| Vaals | Limburg | < 6,75 m/s |
| Valkenburg aan de Geul | Limburg | < 6,75 m/s |
| Valkenswaard | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Veenendaal | Utrecht | < 6,75 m/s |
| Veldhoven | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Venlo | Limburg | < 6,75 m/s |
| Venray | Limburg | < 6,75 m/s |
| Voerendaal | Limburg | < 6,75 m/s |
| Voorst | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Vught | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Waalre | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Wageningen | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Weert | Limburg | < 6,75 m/s |
| Westervoort | Gelderland | < 6,75 m/s |
| Wierden | Overijssel | < 6,75 m/s |
| Woensdrecht | Noord-Brabant | < 6,75 m/s |
| Woudenberg | Utrecht | < 6,75 m/s |
| Zeist | Utrecht | < 6,75 m/s |
| Zutphen | Gelderland | < 6,75 m/s |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.