Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Financiën van 27 oktober 2020, nr. WJZ/ 18182476, inzake de voorwaarden voor openstelling van landgoederen (Beleidsregel openstelling landgoederen Natuurschoonwet 1928)

Type Beleidsregel
Publication 2021-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 7, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928 en op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluiten:

Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 (evaluatie Natuurschoonwet 1928) (Stb. 2020, 331) in werking treedt.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

Artikel 1.2
1.

Deze beleidsregel geldt voor de in artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde goedkeuring door de Ministers van openstellingsregels.

2.

De goedkeuring dient voor elk landgoed afzonderlijk te worden aangevraagd.

3.

De goedkeuring wordt slechts verleend als het landgoed en de openstellingsregels voor het landgoed voldoen aan de in deze beleidsregel opgenomen voorwaarden.

4.

Het gestelde over landgoederen in deze beleidsregel is tevens van toepassing op buitenplaatsen, voor zover niet anders is bepaald.

Hoofdstuk 2. Voorwaarden openstelling landgoederen

Artikel 2.1
1.

Het opengestelde gedeelte van een landgoed vormt een aaneengesloten gebied van ten minste 5 hectare.

2.

Van de in het eerste lid opgenomen oppervlakte-eis kan worden afgeweken, indien de onroerende zaak een buitenplaats betreft.

3.

Indien het landgoederen als bedoeld in artikel 3, derde of vierde lid, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 betreft, vormt het opengestelde gedeelte van deze landgoederen een aangesloten gebied van ten minste 5 hectare en geldt de voorwaarde dat het opengestelde gedeelte evenwichtig verdeeld is over beide landgoederen.

Artikel 2.2
1.

Voor wandelaars zijn er voldoende vrij toegankelijke en begaanbare wegen en paden die min of meer gelijkmatig over het landgoed zijn verdeeld.

2.

Tot de in het eerste lid genoemde wegen en paden worden schouwpaden en in het kader van de extensieve recreatie gemarkeerde beloopbare groenstroken en perceelsranden gerekend, die waar nodig voorzien zijn van draadoverstapjes.

3.

Van een min of meer gelijkmatige verdeling als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval geen sprake als:

4.

Indien het landgoederen als bedoeld in artikel 3, derde of vierde lid, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 betreft gelden in aanvulling op het eerste lid van dit artikel de volgende voorwaarden:

Artikel 2.3
1.

Om aangemerkt te worden als een opengesteld landgoed moeten de in artikel 2.2, eerste lid, bedoelde wegen en paden een minimale lengte hebben, bestaande uit de som van:

2.

Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde minimale lengte van wegen en paden tellen de volgende wegen of paden niet mee:

Artikel 2.4

De openstelling is voor het publiek duidelijk waarneembaar aangegeven met borden, die bij de toegangswegen tot het landgoed zijn geplaatst.

Artikel 2.5
1.

Een landgoed of een gedeelte daarvan al dan niet tijdelijk voor het publiek afsluiten staat de aanmerking als opengesteld landgoed niet in de weg in de volgende omstandigheden:

2.

Onder de in het eerste lid, onder a, bedoelde naaste omgeving van huizen of boerderijen worden begrepen de terreinen of gedeelten daarvan met daarop huizen en boerderijen met erven en bijbehorende aanliggende sier- en moestuinen en boomgaarden, die grotendeels bestemd zijn voor privégebruik.

3.

Het eerste lid, onder a, is tevens van toepassing op buitenplaatsen die naar hun aard geschikt zijn voor openstelling voor het publiek, met dien verstande dat bij buitenplaatsen die groter zijn dan 2 hectare, met inachtneming van de situatie ter plaatse, 1 hectare kan worden afgesloten, en bij buitenplaatsen die kleiner zijn dan 2 hectare maar groter zijn dan 1 hectare, 0,5 hectare kan worden afgesloten.

4.

Indien een landgoed of een gedeelte daarvan al dan niet tijdelijk voor het publiek is afgesloten in de in het eerste lid, onder a en b, genoemde omstandigheden, kan de afsluiting niet zover gaan dat deze daadwerkelijk de vrije toegankelijkheid voor het publiek van of naar de niet afgesloten gedeelten belemmert.

5.

De al dan niet tijdelijke afsluiting van een landgoed of een gedeelte van een landgoed is voor het publiek duidelijk waarneembaar aangegeven met borden die bij de toegangswegen tot het landgoed zijn geplaatst.

6.

Indien een landgoed of een gedeelte daarvan tijdelijk wordt afgesloten als een gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid, onder d, zich voordoet, meldt de eigenaar van het landgoed de tijdelijke afsluiting en de verwachte duur daarvan volledig en onverwijld aan de Ministers.

Artikel 2.6
1.

De openstelling van een landgoed kan op verzoek van de eigenaar met toestemming van de Ministers worden beperkt door het gebruik van toegangskaarten al dan niet tegen betaling.

2.

Aan het verlenen van de toestemming als bedoeld in het eerste lid zijn de volgende voorwaarden verbonden:

3.

Onder een geringe toegangsprijs, als bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt verstaan een bedrag van ten hoogste € 0,50 voor een kaart voor één persoon, die gedurende een dag geldig is, en ten hoogste € 2,50 voor een kaart voor één persoon, die gedurende een kalenderjaar geldig is.

4.

Bij historische en educatieve tuinen en parken, als bedoeld in het tweede lid, onder b, geldt als voorwaarde dat per park en tuin vast moet komen te staan dat de kosten voor instandhouding ervan de inkomsten overtreffen.

5.

Bij het verkrijgen van toegangskaarten via een internetadres, als bedoeld in het tweede lid, onder c, onder ii, geldt als voorwaarde dat de toegangskaarten vrijwel direct na bestelling door een bezoeker op de mobiele telefoon zichtbaar zijn.

6.

De eigenaar van het landgoed moet het verzoek om toestemming voor het gebruik van toegangskaarten bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit indienen.

Artikel 2.7
1.

De eigenaar van een landgoed mag gedragsregels voor bezoekers hanteren.

2.

Deze gedragsregels, als bedoeld in het eerste lid, kunnen:

Hoofdstuk 3. Voorwaarden openstellingsregels

Artikel 3.1

In de openstellingsregels moet ten minste het volgende zijn opgenomen:

Artikel 3.2

In de openstellingsregels wordt melding gemaakt van het al dan niet tijdelijk afsluiten van een landgoed voor het publiek indien zich een van de omstandigheden als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onder a en b, voordoet.

Artikel 3.3
1.

De eigenaar voegt bij het verzoek tot openstelling een topografische kaart, als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, bij.

2.

Op de topografische kaart moeten de volgende gegevens zijn aangegeven:

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 4.1
1.

De door de eigenaar voor het landgoed opgestelde openstellingsregels worden goedgekeurd bij beschikking van de Ministers.

2.

Het landgoed krijgt de status van een opengesteld landgoed in de zin van artikel 7, eerste lid, van de wet met ingang van het tijdstip waarop het landgoed en de openstellingsregels aan de voorwaarden in dit besluit voldoen, maar niet eerder dan het tijdstip waarop het verzoek is ontvangen door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Artikel 4.2

Een landgoed, dat op het moment van overlijden of schenking van de eigenaar niet of nog niet was aangemerkt als een opengesteld landgoed, kan worden aangemerkt als een opengesteld landgoed, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

Artikel 4.3

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.