Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 november 2020, nr. 2020-0000602571, houdende vaststelling van regels voor het verstrekken van een eenmalige specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van de huisvesting van kwetsbare doelgroepen

Type Ministeriële regeling
Publication 2021-12-08
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Specifieke uitkering
1.

De minister verstrekt een specifieke uitkering aan de gemeenten voor het versneld realiseren van projecten die in de huisvesting van kwetsbare doelgroepen voorzien.

2.

De specifieke uitkering bedraagt de in de bijlage per gemeente opgenomen bedragen.

3.

De specifieke uitkering wordt in één keer en uiterlijk op 31 december 2020 uitbetaald.

4.

De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor BTW verschuldigd over kosten voor de uitvoering van projecten, bedoeld in het eerste lid, voor zover het bedrag van de BTW in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds of voor zover de kosten in aanmerking komen voor aftrek op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968.

5.

De gemeente besteedt de specifieke uitkering aan de in de bijlage voor die betreffende gemeente opgenomen projecten.

6.

De minister kan op verzoek van het college toestaan dat de specifieke uitkering wordt besteed aan het versneld realiseren van andere projecten dan de projecten genoemd in de bijlage bij artikel 2, voor zover die projecten tevens voorzien in het versneld realiseren van huisvesting van kwetsbare doelgroepen.

Artikel 3. Verplichtingen
1.

De gemeente besteedt de specifieke uitkering volledig uiterlijk op 31 december 2022 aan de projecten waarvoor deze is verstrekt.

2.

Indien de volledige besteding van de specifieke uitkering voor de datum, genoemd in het eerste lid, niet mogelijk is, kan de minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van het college eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen.

Artikel 4. Verantwoording, vaststelling en terugvordering
1.

Het college legt verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2.

De minister stelt de specifieke uitkering vast nadat het college, op de in het eerste lid bedoelde wijze, de eindverantwoording aan de minister heeft verstrekt.

3.

Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de uitkering, bedoeld in artikel 2, niet volledig of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan het college.

Artikel 5. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Bijlage. bij artikel 2 van de regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 november 2020, nr. 2020-0000602571, houdende vaststelling van regels voor het verstrekken van een eenmalige specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van de huisvesting van kwetsbare doelgroepen

De specifiek uitkering bedraagt voor de gemeente:

Aalsmeer: € 450.450, voor:

Almelo: € 68.250, voor:

Altena: € 1.251.250, voor:

Amersfoort: € 154.700, voor:

Amsterdam: € 2.320.500, voor:

Apeldoorn: € 891.800, voor:

Arnhem: € 1.820.000, voor:

Assen: € 360.815, voor:

Bloemendaal: € 273.000, voor:

Bodegraven: € 91.000, voor:

Breda: € 1.071.525, voor:

De Fryske Marren: € 94.640, voor:

Delft: € 295.750, voor:

Den Haag: € 4.090.450, voor:

Den Helder: € 54.600, voor:

Doetinchem: € 154.700, voor:

Dordrecht: € 1.365.000, voor:

Ede: € 1.001.000, voor:

Enschede: € 500.500, voor:

Etten-Leur: € 91.000, voor:

Vlissingen: € 54.600, voor:

Gouda: € 910.000, voor:

Groningen: € 509.600, voor:

Haarlem: € 300.300, voor:

Haarlemmermeer: € 455.000, voor:

Harderwijk: € 432.250, voor:

Hardinxveld-Giessendam: € 409.500, voor:

Heerlen: € 1.175.265, voor:

Hilversum: € 182.000, voor:

Hoeksche Waard: € 882.700, voor:

IJsselstijn: € 455.000, voor:

Leeuwarden: € 1.593.638, voor:

Lelystad: € 2.002.000, voor:

Maastricht: € 1.864.800, voor:

Meierijstad: € 1.013.285, voor:

Nieuwegein: € 682.500, voor:

Nijmegen: € 2.793.700, voor:

Oldebroek: € 68.250, voor:

Oosterhout: € 427.700, voor:

Purmerend: € 682.500, voor:

Rotterdam: € 2.679.950, voor:

Schiedam: € 182.000, voor:

‘s-Hertogenbosch: € 941.850, voor:

Sittard Geleen: € 45.500, voor:

Terneuzen: € 150.150, voor:

Teylingen: € 273.000, voor:

Tilburg: € 233.444, voor:

Uden: € 282.100, voor:

Utrecht: € 507.780, voor:

Venlo: € 63.700, voor:

Venray: € 104.650, voor:

Vlaardingen: € 982.800, voor:

Voorschoten: € 9.100, voor:

Waalwijk: € 182.000, voor:

Weert: € 624.260, voor:

Westland: € 2.070.250, voor:

Woerden: € 182.000, voor:

Zaanstad: € 2.957.500, voor:

Zwolle: € 191.100, voor:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.