Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 november 2020, nr. 2020-0000452626, houdende uitvoeringsregels bij de Kadasterwet BES (Uitvoeringsregeling Kadasterwet BES)

Type Ministeriele Regeling Bes
Publication 2021-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 11, vierde lid, 16, derde en zesde lid, 25 en 65, vierde lid, van de Kadasterwet BES,

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 1.1. Algemeen

Artikel 1

Deze regeling is van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 2

In deze regeling wordt verstaan onder:

Paragraaf 1.2. Raadplegen van de bestuurscolleges van de openbare lichamen

Artikel 3
1.

Het bestuur van de Dienst raadpleegt ieder bestuurscollege van de openbare lichamen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet afzonderlijk, tenzij in overleg met de bestuurscolleges anders bepaald wordt.

2.

Het bestuur van de Dienst geeft in de maand januari aan de bestuurscolleges van de openbare lichamen aan in welke periode in dat jaar het raadplegen zal plaatsvinden.

3.

Per raadpleging wordt door het bestuur van de Dienst in overleg met de bestuurscolleges van de openbare lichamen bepaald waar de raadpleging zal plaatsvinden. In dringende gevallen kan het bestuur van de Dienst bepalen dat het raadplegen plaatsvindt door middel van videoconferentie of een ander, vergelijkbaar elektronisch communicatiemiddel.

4.

Het raadplegen van de bestuurscolleges van de openbare lichamen is niet openbaar, tenzij in overleg met het bestuur van de Dienst anders wordt bepaald.

Artikel 4
1.

Het bestuurscollege van het openbare lichaam waar het raadplegen plaatsvindt, zit de vergadering voor. Wanneer het raadplegen niet in een van de openbare lichamen plaatsvindt, wordt in onderling overleg een voorzitter gekozen.

2.

Het bestuur van de Dienst stelt een secretaris ter beschikking voor de verslaglegging, tenzij in overleg met het bestuurscollege anders wordt bepaald.

3.

De secretaris is geen lid van het bestuurscollege van het openbare lichaam waar het raadplegen plaatsvindt.

Artikel 5
1.

De bestuurscolleges van de openbare lichamen en het bestuur van de Dienst kunnen onderwerpen voorstellen voor op de agenda van het raadplegen.

2.

Nadat is vastgesteld waar het raadplegen plaatsvindt stelt de voorzitter een concept-agenda op en stuurt deze met de bijhorende stukken aan de leden van de vergadering.

Artikel 6
1.

De secretaris verzorgt het verslag van het raadplegen van de bestuurscolleges van de openbare lichamen. Zo spoedig mogelijk na het raadplegen ontvangen de aanwezigen bij het raadplegen het concept-verslag.

2.

Het verslag wordt vastgesteld als het bestuurscollege of de bestuurscolleges en het bestuur van de Dienst het eens zijn met de weergave van de feitelijkheden in het verslag.

3.

Het verslag wordt ter kennisname beschikbaar gesteld aan de raad van toezicht.

Paragraaf 1.3. Zienswijze van de bestuurscolleges van de openbare lichamen

Artikel 7
1.

De zienswijze, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet, wordt schriftelijk en elektronisch aan het bestuur van de Dienst verzonden en bevat in ieder geval de zienswijze van ten minste één persoon die gebruiker is van de dienstverlening van de Kadasters.

2.

De persoon die als gebruiker van de dienstverlening van de Kadasters wordt geraadpleegd door het bestuurscollege van een openbaar lichaam maakt zijn zienswijze aan het bestuurscollege van het openbaar lichaam kenbaar binnen de door dat bestuurscollege gestelde termijn.

3.

Als de persoon die als gebruiker van de dienstverlening van de Kadasters niet of niet binnen de gestelde termijn zijn zienswijze kenbaar heeft gemaakt, vermelden de bestuurscolleges dit in hun zienswijze, in afwijking van het eerste lid.

Artikel 8
1.

Het bestuur van de Dienst betrekt de zienswijze, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet, bij de beleidswijzigingen waarop die zienswijze betrekking heeft.

2.

Als het bestuur van de Dienst afwijkt van de zienswijze van het bestuurscollege van een openbaar lichaam, motiveert het bestuur van de Dienst dit schriftelijk en maakt het bestuur van de Dienst dit kenbaar aan de bestuurscolleges van de openbare lichamen en aan de raad van toezicht.

3.

Bij het aanbieden ter goedkeuring van het meerjarenbeleidsplan, als bedoeld in artikel 20 van de Organisatiewet Kadaster en artikel 29 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, vermeldt het bestuur van de Dienst over de voorgestelde beleidswijzigingen de zienswijze, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet, dan wel het feit dat niet binnen de termijn, bedoeld in dat artikel, zienswijzen kenbaar zijn gemaakt, alsmede de wijze waarop het bestuur met de zienswijzen van de bestuurscolleges is omgegaan.

Hoofdstuk 2. Vereisten met betrekking tot de aanbieding van stukken ter inschrijving in de openbare registers

Artikel 9
1.

De verklaring van eensluidendheid, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet, wordt gesteld aan de voet van het afschrift van het in papieren vorm ter inschrijving aangeboden stuk en bevat de verklaring dat het afschrift eensluidend is met het ter inschrijving aangeboden stuk. De verklaring bevat voorts de vermelding van de naam, de voornamen en de woonplaats met het adres van degene die de verklaring ondertekent.

2.

Indien de verklaring van eensluidendheid ondertekend wordt door een notaris, gerechtsdeurwaarder, griffier dan wel een advocaat of procureur, kan in plaats van de woonplaats met het adres worden vermeld:

3.

De verklaring van eensluidendheid wordt ondertekend:

4.

Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verklaring van eensluidendheid, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet die wordt opgenomen in het afschrift van een stuk dat deel uitmaakt of deel uit zal gaan maken van een stuk dat ter inschrijving wordt aangeboden, voor zover hiervan niet wordt afgeweken in artikel 10.

Artikel 10

Bij de aanbieding ter inschrijving van de volgende stukken in papieren vorm behoeft geen afschrift als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet te worden aangeboden:

Artikel 11
1.

Tekeningen die deel uitmaken van ter inschrijving aangeboden stukken, voldoen aan de volgende vereisten:

2.

In afwijking van artikel 16, eerste lid, van de wet kan een afschrift van een tekening worden aangeboden op een formulier dat niet door het Kadaster is verstrekt, als naar het oordeel van de bewaarder de figuratie te groot of te ingewikkeld is om op een formulier verstrekt door het Kadaster te worden overgenomen.

3.

Het niet op het door het Kadaster verstrekt formulier gesteld afschrift, bedoeld in het tweede lid, is voorzien van een verklaring van eensluidendheid als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet.

4.

Indien de ruimte aan de voorzijde van een formulier ontoereikend is, wordt de tekst van de verklaring van eensluidendheid aan de achterzijde van het formulier vervolgd en wordt niet op de voorzijde van een ander formulier verder gegaan.

Artikel 12
1.

Onverminderd artikel 11, voldoet de tekening, bedoeld in artikel 109, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, aan de volgende vereisten:

2.

Het is toegestaan dat de tekening van elk gedeelte van de gebouwen dat voor gebruik als afzonderlijk geheel is bestemd, bedoeld in het eerste lid, de onderlinge ligging van alle tot dat gedeelte behorende vertrekken en andere ruimten aangeeft.

3.

In afwijking van het eerste lid, onder i, kan een kleinere schaal worden gebruikt voor een situatieschets, welke met het oog op het aan het slot van het eerste lid, onder c, omschreven vereiste op de tekening wordt aangebracht, als overzicht van de overige afbeeldingen.

4.

Indien het afschrift van de tekening uit meerdere bladen bestaat, wordt op elk blad vermeld de daarop afgebeelde onroerende zaken met perceelsgewijs hun kadastrale aanduiding en de dagtekening van het verzoek. Elk blad wordt voorzien van een open ruimte, bestemd voor de verklaring van de bewaarder waarin het complexnummer wordt vermeld.

5.

De notaris vermeldt in het verzoek uit hoeveel bladen het afschrift van de tekening bestaat en verklaart dat de overgelegde afschriften van de tekening onderling geheel gelijkluidend zijn.

Artikel 13
1.

De tekening die bij het verzoek betreffende de voorgenomen ondersplitsing, als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek BES, wordt overgelegd, stemt geheel overeen met de laatste ingeschreven tekening, met dien verstande dat binnen de begrenzing van het gedeelte van de gebouwen en de grond, waarvan het uitsluitend gebruik in het onder te splitsen appartementsrecht begrepen is, de begrenzingen worden aangegeven van de onderscheidene gedeelten die bestemd zijn om na de voorgenomen ondersplitsing als afzonderlijk geheel te worden gebruikt en waarvan volgens de akte van ondersplitsing het uitsluitend gebruik in de onderscheidene nieuwe appartementsrechten zal zijn begrepen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.