Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 15 december 2020, nr. WJZ/ 20169624, tot uitvoering van de CO2-heffing industrie
Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën;
Gelet op artikelen 16b.3, derde lid, 16b.5, tweede lid, 16b.7, vierde en vijfde lid, 16b.8, tweede lid, 16b.10, derde lid, 16b.12, tweede lid, 16b.13, tweede lid, 16b.14, tweede lid, 16b.17, 16b.19, vierde lid, van de Wet milieubeheer;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. exploitant van een startende broeikasgasinstallatie: exploitant van een broeikasgasinstallatie gedurende het jaar waarin de vergunning, bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, van de wet, is verleend, tot aan het moment waarop het bestuur van de emissieautoriteit beslist over de kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten, bedoeld in artikel 16.24, eerste lid, van de wet, of, indien het volgende moment eerder intreedt, tot aan het moment waarop het bestuur van de emissieautoriteit gebruik maakt van de mogelijkheid in artikel 7, onderdeel d;
- b. exploitant van een stoppende broeikasgasinstallatie: exploitant van een broeikasgasinstallatie waarvan de vergunning, bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, van de wet, is ingetrokken;
- c. gemiddelde van het verwachte activiteitsniveau: voor elke subinstallatie het rekenkundig gemiddelde van de desbetreffende jaarlijkse verwachte activiteitsniveaus, bepaald op basis van de uiteengezette methode in bijlage I van de Verordening aanpassingen kosteloze toewijzing door verandering activiteitsniveau, voor één kalenderjaar voorafgaand aan de indiening van het verslag over het activiteitsniveau;
- d. nieuwkomersaanvraag: aanvraag voor kosteloze toewijzing voor een nieuwkomer als bedoeld in artikel 5 van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten;
- e. procesemissiefactor: de waarde waarmee het historisch activiteitsniveau wordt vermenigvuldigd om het voorlopige jaarlijkse aantal kosteloos toegewezen emissierechten te bepalen voor procesemissie-subinstallaties in het EU-ETS, genoemd in artikel 16, tweede lid, onderdeel e, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten;
- f. referentieperiode: referentieperiode als bedoeld in artikel 2, veertiende lid, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten;
- g. Verordening rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte: Gedelegeerde verordening (EU) 2015/2402 van de Commissie van 12 oktober 2015 tot herziening van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte overeenkomstig Richtlijn 2012/27/EU van het Europees parlement en de Raad en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2011/877/EU van de Commissie (PbEU 2015, L 333);
- h. verslag over het activiteitsniveau: het verslag over het activiteitsniveau als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Verordening aanpassingen kosteloze toewijzing door verandering activiteitsniveau;
- i. wet: Wet milieubeheer.
Artikel 2. Toepassingsbereik
Deze regeling heeft het toepassingsbereik van artikel 16b.2 van de wet.
Artikel 3. Relatie Verordening monitoring en rapportage emissiehandel
Voor zover in deze regeling artikelen uit de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, geldt het volgende:
- a. onder de exploitant wordt verstaan de exploitant van een industriële installatie;
- b. onder bevoegde autoriteit wordt verstaan het bestuur van de emissieautoriteit;
- c. verificatie is uitsluitend vereist voor zover dat in deze regeling nadrukkelijk is voorgeschreven;
- d. het toepassingsbereik omvat tevens alle activiteiten van lachgasinstallaties;
- e. de artikelen zijn niet van overeenkomstige toepassing voor zover zij uitsluitend betrekking hebben op een vliegtuigexploitant, en
- f. de artikelen zijn niet van overeenkomstige toepassing voor zover strijdigheid ontstaat met hetgeen voor de CO2-heffing industrie is geregeld bij en krachtens de wet en de Wet belastingen op milieugrondslag.
Artikel 4. Relatie bijlagen Verordening monitoring en rapportage emissiehandel
Voor zover in deze regeling artikelen uit de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel van overeenkomstige toepassing zijn verklaard die verwijzen naar een bijlage bij die Verordening is die bijlage van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor lachgasinstallaties in ieder geval het volgende geldt:
- a. bijlagen II, V en VII zijn niet van overeenkomstige toepassing;
- b. bijlage III is niet van overeenkomstige toepassing;
- c. bijlage IV is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de onderdelen 1, 16 en 21, waarbij onderdeel 16 tevens wordt toegepast voor de productie van acrylonitril;
- d. bijlage VI is van overeenkomstige toepassing;
- e. bijlage VIII is van toepassing indien de daarin vermelde meetmethode wordt toegepast.
Artikel 5. Definities Verordening monitoring en rapportage emissiehandel
Artikel 3 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in deze regeling wordt verstaan onder:
- a. handelsperiode: de periode van tien jaar die ingaat op 1 januari 2021 en elke volgende periode van tien jaar, en
- b. verslagperiode: één kalenderjaar gedurende waarin de monitoring en rapportage van industriële emissies moeten plaatsvinden.
Hoofdstuk 2. Monitoring en verslaglegging emissies industriële installatie
Artikel 6. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a. Fel: De hoeveelheid brandstof ingezet voor elektriciteitsopwekking in TJ per jaar als vermeld in het verslag over het activiteitsniveau;
- b. EFel: De gewogen gemiddelde emissiefactor van alle brandstoffen die ingezet worden voor de opwekking van elektriciteit in de installatie intCO2/TJ als vermeld in het verslag over het activiteitsniveau. De emissiefactoren van de ingezette brandstoffen zijn gelijk aan de waarden zoals die zijn opgenomen in het emissieverslag. In afwijking hiervan wordt de emissiefactor van restgassen vastgesteld op grond van artikel 14.
Afdeling 2.1. Monitoring emissies industriële installatie
Artikel 7. Industrieel monitoringsplan
De monitoring op basis van een industrieel monitoringsplan is in ieder geval noodzakelijk:
- a. voor een broeikasgasinstallatie indien de industriële jaarvracht niet uitsluitend kan worden bepaald op basis van de gegevens, bedoeld in artikel 16b.4, onderdeel a en b, van de wet, met uitzondering van een broeikasgasinstallatie voor de verbranding van stedelijk afval indien deze beschikt over een monitoringsplan als bedoeld in artikel 16.1, derde lid, van de wet;
- b. voor een lachgasinstallatie; of
- c. indien het bestuur van de emissieautoriteit daarom verzoekt.
Het opstellen en indienen van een industrieel monitoringsplan is voor een exploitant van een startende broeikasgasinstallatie niet noodzakelijk.
Artikel 8. Inhoud industrieel monitoringsplan voor lachgasinstallaties
De artikelen 5, 6, 7, 8 en 69 en de hoofdstukken II, III, V en VII van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel zijn van overeenkomstige toepassing op de monitoring van lachgasinstallaties met dien verstande dat:
- a. de bevoegdheden, bedoeld in artikel 13, eerste en tweede lid, van die verordening worden uitgeoefend door het bestuur van de emissieautoriteit;
- b. in afwijking van artikel 20, eerste lid, van die verordening ook de broeikasgasemissies van lachgasinstallaties meetellen uit alle emissiebronnen en bronstromen die samenhangen met de productie van acrylonitril en caprolactam;
- c. de rekenmethode, bedoeld in hoofdstuk III, deel 2, van die verordening niet van overeenkomstige toepassing is op lachgasinstallaties.
Artikel 9. Inhoud industrieel monitoringsplan voor broeikasgasinstallatie zonder aanvraag gratis toewijzing EU-ETS
Dit artikel is van toepassing op broeikasgasinstallaties zonder een aanvraag om kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten, met uitzondering van broeikasgasinstallaties voor de verbranding van stedelijk afval, indien een industrieel monitoringsplan noodzakelijk is doordat de exploitant van de broeikasgasinstallatie geen aanvraag voor kosteloze toewijzing heeft ingediend, als bedoeld in artikel 4 van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten, dan wel na aanvraag heeft afgezien van kosteloze toewijzing.
De artikelen 7, 8, eerste, tweede en derde lid, 9, 11 en 12, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor ‘monitoringsmethodiekplan’ wordt gelezen, ‘industrieel monitoringsplan’.
In afwijking van artikel 8, eerste lid, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten bevat het industrieel monitoringsplan de volgende elementen die zijn opgenomen in bijlage VI: Onderdelen 1, 3, 4b, 4c, 4d, 4e, 4f, met dien verstande dat in onderdeel 4 voor ‘subinstallatie’ wordt gelezen ‘installatie’.
In afwijking van artikel 8, tweede lid, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten kiest de exploitant een monitoringsmethode voor de volgende parameters, genoemd in bijlage IV van die verordening:
- a. onderdeel 2.2, met dien verstande dat voor ‘aan elke subinstallatie toe te kennen emissie’ wordt gelezen ‘aan warmte-opwekking, aan de productie van restgassen en aan opwekking van elektriciteit toe te kennen emissies’;
- b. onderdelen 2.3 en 2.5;
- c. onderdeel 3.2, onder a, b, en d, met dien verstande dat voor ‘warmtebenchmark- of stadsverwarming subinstallatie’ wordt gelezen ‘de installatie’;
- d. in aanvulling op bijlage IV van die verordening: de gewogen gemiddelde emissiefactor voor brandstoffen ingezet voor de opwekking van elektriciteit, bedoeld in artikel 14.
Artikel 10. Standaardformulier industrieel monitoringsplan
Het industrieel monitoringsplan wordt opgesteld met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.
Het bestuur van de emissieautoriteit bepaalt de wijze waarop de aanvraag om een goedkeuring van een industrieel monitoringsplan moet geschieden, de gegevens en de bescheiden die door de aanvrager moeten worden verstrekt met het oog op de beslissing op de aanvraag, en de wijze waarop die gegevens moeten worden verkregen.
Artikel 11. Wijzigingen industrieel monitoringsplan
Onder significante wijzigingen als bedoeld in artikel 15, derde lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel worden tevens verstaan veranderingen van de wijze waarop activiteitsgegevens en berekeningsfactoren worden bepaald.
De melding van wijzigingen van het industrieel monitoringsplan die niet significant zijn, wordt gedaan vóór 31 december van de verslagperiode, bedoeld in artikel 3, twaalfde lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, waarin de wijziging zich heeft voorgedaan.
Tijdelijke wijzigingen van het industrieel monitoringsplan als bedoeld in artikel 23 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, worden binnen vijf dagen, na het ontstaan van de tijdelijke wijziging gemeld aan het bestuur van de emissieautoriteit.
Voor de meldingen wordt gebruik gemaakt van door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gestelde standaardformulieren.
Afdeling 2.2. Bepaling en registratie industriële jaarvracht
Artikel 12. Berekening industriële jaarvracht broeikasgasinstallaties
De industriële jaarvracht voor broeikasgasinstallaties wordt berekend volgens de formule:
industriële jaarvracht = EMinstallatie – EMelektriciteit– EMstadsverwarming
Waarbij:
EMinstallatie staat voor: de totale emissie uitgedrukt in tCO2(e) per jaar als vermeld in het emissieverslag;
EMelektriciteit staat voor de som van (a), (b) en (c):
- (a). de hoeveelheid brandstoffen ingezet voor de opwekking van elektriciteit in de installatie in TJ per jaar als vermeld in het verslag over het activiteitsniveau vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde emissiefactor voor brandstoffen ingezet voor de opwekking van elektriciteit in tCO2/TJals vermeld in het verslag over het activiteitsniveau of het industrieel emissieverslag;
- (b). de emissies van rookgasreiniging bij warmtekrachtkoppeling als vermeld in het verslag over het activiteitsniveau of het industrieel emissieverslag vermenigvuldigd met de relevante toekenningsfactor FCHP,El (vergelijking 12), bedoeld in bijlage VII, onderdeel 8, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten;
- (c). de emissies van rookgasreiniging in verband met elektriciteitsopwekking anders dan met warmtekrachtkoppeling;
EMstadsverwarming staat voor: emissie uitgedrukt in tCO2(e) ten gevolge van de productie van warmte voor stadsverwarming als bedoeld in artikel 2, vierde lid, in samenhang met Bijlage IV, onderdeel 2.2 van de Verordening kosteloze toewijzing emissierechten als vermeld in het verslag over het activiteitsniveau of het industrieel emissieverslag. Indien driekwart of minder dan driekwart van de totaal geproduceerde meetbare warmte in dat kalenderjaar is uitgevoerd ten behoeve van stadsverwarming dan staat EMstadsverwarming gelijk aan nul;
EMstadsverwarming en EMelektriciteit voor broeikasgasinstallaties voor de verbranding van stedelijk afval gelijk aan nul zijn.
Artikel 13. Opwekking van elektriciteit met warmtekrachtkoppelingen
De bepaling van de industriële jaarvracht bij warmtekrachtkoppelingen in broeikasgasinstallaties gebeurt met in achtneming van het volgende:
- a. voor het toekennen van de emissies aan de opwekking van elektriciteit met een warmtekrachtkoppeling is bijlage VII, onderdeel 8, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten van overeenkomstige toepassing;
- b. de hoeveelheid brandstof in TJ die wordt ingezet voor elektriciteitsopwekking in een warmtekrachtkoppeling per jaar, als vermeld in het verslag over het activiteitsniveau en het industrieel emissieverslag, is gelijk aan de totale hoeveelheid brandstoffen die wordt verbruikt in de warmtekrachtkoppeling, vermenigvuldigd met de toekenningsfactor FCHP,Elvergelijking 12, bedoeld in bijlage VII, onderdeel 8, van die verordening.
Artikel 14. Restgassen
Bij de inzet van restgassen voor de opwekking van elektriciteit wordt voor de bepaling van de gewogen gemiddelde emissiefactor voor brandstoffen die zijn ingezet voor de opwekking van elektriciteit de emissiefactor van de restgassen als volgt bepaald: 56,1 wordt vermenigvuldigd met de factor die het rendementsverschil tussen het verbruik van restgassen en het verbruik van de referentiebrandstof aardgas tot uitdrukking brengt. De standaardwaarde van deze factor is gelijk aan 0,667.
Artikel 15. Berekening industriële jaarvracht lachgasinstallaties
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.