BESLUIT van 25 November 1953, houdende regelen ter uitvoering van artikel 13, vierde lid, van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag

Type AMvB
Publication 1953-12-20
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie van 28 Juli 1953, No. U 3496, Afdeling Openbare Orde en Veiligheid (Bureau Algemene en Juridische Zaken);

Gelet op artikel 13, vierde lid, van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Stb. 1952, 361);

De Raad van State gehoord (advies van 1 September 1953, No. 15a);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie van 13 October 1953, No. 3802, Afdeling Openbare Orde en Veiligheid (Bureau Algemene en Juridische Zaken);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Besluit is door de Tijdelijke regeling landelijke avondklok covid-19 (Stcrt. 2021/4191 jo. Stcrt. 2021/7378) buiten werking gesteld geweest van 22 januari 2021 tot 3 maart 2021.

Artikel 1

Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan, met inachtneming van de voorschriften van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag, bepalen, dat het vertoeven in de open lucht hetzij in het gehele Rijk, hetzij in een aaneengesloten gebied hetwelk grondgebied van meer dan één provincie omvat, gedurende door hem aan te geven gedeelten van een etmaal verboden is.

Artikel 2
1.

Onze Commissaris in de provincie kan, met inachtneming van de voorschriften van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag, bepalen, dat het vertoeven in de open lucht hetzij in de gehele provincie, hetzij in een aaneengesloten gebied, hetwelk grondgebied van meer dan één gemeente omvat, gedurende door hem aan te geven gedeelten van een etmaal verboden is.

2.

Alvorens van deze bevoegdheid gebruik te maken pleegt Onze Commissaris in de provincie zo mogelijk overleg met de betrokken burgemeesters.

3.

Indien hij van deze bevoegdheid gebruik maakt, deelt hij dit onverwijld mede aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken.

Artikel 3
1.

De burgemeester kan, met inachtneming van de voorschriften van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag, bepalen, dat het vertoeven in de open lucht in zijn gemeente of in gedeelten daarvan, gedurende door hem aan te geven gedeelten van een etmaal verboden is.

2.

Indien hij van deze bevoegdheid gebruik maakt, deelt hij dit terstond mede aan Onze Commissaris in de provincie.

Deze geeft van de genomen maatregel kennis aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken onder mededeling van zijn oordeel omtrent de gegrondheid daarvan.

Artikel 4

Een verbod als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 kan worden gegeven voor een bepaalde of een onbepaalde periode.

Artikel 5

Een verbod als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 geldt niet ten aanzien van:

Artikel 6
1.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan aan bepaalde personen gehele of gedeeltelijke ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3. Eveneens kunnen, voorzoveel betreft het grondgebied van een provincie, Onze Commissaris in de provincie en, voorzover betreft het grondgebied van een gemeente, de burgemeester aan bepaalde personen ontheffing van verboden als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 verlenen.

2.

Ten bewijze van een verleende ontheffing wordt aan de betrokkene een pas uitgereikt, aangevende het gebied en de uren waarvoor de ontheffing geldt. Deze pas kan te allen tijde weder worden ingenomen.

Artikel 7
1.

Een verbod als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 wordt terstond op de daarbij voorgeschreven wijze ter algemene kennis gebracht in het gebied waarvoor het geldt.

2.

Bij deze bekendmaking wordt tevens vermeld voor welke periode het geldt.

3.

Intrekking van een verbod als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 wordt op dezelfde wijze bekend gemaakt als waarop het uitvaardigen daarvan bekend is gemaakt.

4.

Intrekking van een verbod als bedoeld in artikel 2 wordt door de Commissaris in de provincie onverwijld medegedeeld aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken; intrekking van een verbod als bedoeld in artikel 3 wordt door de burgemeester onverwijld medegedeeld aan de Commissaris in de provincie, die van de intrekking kennis geeft aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken onder mededeling van zijn oordeel over de gegrondheid daarvan.

Artikel 8

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.