Wet van 2 december 2020, houdende regels over inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering 2021)
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 3. De inburgeringsplicht
Hoofdstuk 4. De inburgeringstermijn
Hoofdstuk 2. Inburgeringsplichtig
Hoofdstuk 6. Sociale lening
Hoofdstuk 7. Handhaving
Hoofdstuk 8. Overheidscertificering en keurmerk
Hoofdstuk 3. De inburgeringsplicht
Hoofdstuk 10. Financiering, toezicht en informatie
Hoofdstuk 11. Wijziging van andere wetten
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 53. Evaluatie
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk. Daarbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de mate waarin en de wijze waarop afspraken over het deelnemen aan voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, of de vroegschoolse educatie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, bijdragen aan het deelnemen aan voor- en vroegschoolse educatie bij deze groep.
Artikel 54. Intrekking van de Wet inburgering
De Wet inburgering wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de personen op wie deze wet van toepassing was op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet.
De artikelen 18b, tweede lid, onderdeel b, 64, eerste lid, onderdeel p, en 67, eerste lid, onderdeel h, van de Participatiewet, artikel 7.3.1, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de artikelen 16, eerste lid, onderdeel h, en 18, eerste lid, onderdeel i, van de Vreemdelingenwet 2000, de artikelen 45, eerste lid, onderdeel o, en 48, eerste lid, onderdeel h, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de artikelen 45, eerste lid, onderdeel n, en 48, eerste lid, onderdeel h, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers, artikel 1, begripsbepaling «onderwijsdeelnemer», onderdeel c, onder 2°, van de Wet register onderwijsdeelnemers, artikel 54, derde lid, onderdeel m, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en artikel 2 van bijlage 3 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op de personen, bedoeld in het eerste lid.
Een vrijstelling op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inburgering, wordt beschouwd als een vrijstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van deze wet.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, in afwijking van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 6, derde lid, 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en 16, vijfde lid, van de Wet inburgering gestelde regels, ter begunstiging regels worden gesteld:
- a. omtrent de voorwaarden waaronder en de termijn waarbinnen een ontheffing kan worden afgegeven;
- b. omtrent de voorwaarden waaronder de termijnen op grond van de artikelen 7a, derde lid, en 7b, derde lid, van de Wet inburgering kunnen worden verlengd;
- c. waarmee de verplichting om de lening terug te betalen wanneer sprake is van overschrijding van de termijnen, genoemd in de artikelen 7a en 7b, van de Wet inburgering, wordt beperkt of tenietgedaan, en omtrent het vaststellen van de draagkracht ten behoeve van de terugbetaling van de lening.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het aanbieden van begeleiding aan de inburgeringsplichtige op wie de Wet inburgering van toepassing is ter bespoediging van de afronding van de inburgeringsplicht, bedoeld in die wet.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot een goede uitvoering van het eerste lid.
Artikel 32, tweede lid, onderdeel d, en de daarop berustende bepalingen, zijn van overeenkomstige toepassing op het keurmerk, bedoeld in artikel 12a van de Wet inburgering.
Artikel 55. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 56. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet inburgering met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het huidige stelsel van inburgering in de Nederlandse samenleving te herzien opdat inburgeringsplichtigen, de gemeenten en de rijksoverheid optimaal in positie worden gebracht met als doel dat inburgeringsplichtigen zo snel mogelijk de Nederlandse taal leren op het voor hen hoogst haalbare niveau en volwaardig aan de Nederlandse samenleving gaan deelnemen, bij voorkeur door middel van betaald werk;
Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- brede intake: brede intake, bedoeld in artikel 14;
- college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de inburgeringsplichtige woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat als de inburgeringsplichtige rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, het gaat om de gemeente waar hij op grond van artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 gehuisvest is;
- cursusinstelling: de aanbieder van onderwijs, gericht op het voldoen aan de inburgeringsplicht;
- geestelijke bedienaar: persoon die een geestelijk, godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt bekleedt, werkzaamheden verricht als geestelijk voorganger, godsdienstleraar of zendeling, of voor een kerkgenootschap of ander genootschap op geestelijke of levensbeschouwelijke grondslag werkzaamheden van overwegend godsdienstige, geestelijke of levensbeschouwelijke aard verricht;
- inburgeringsexamen: examen, bedoeld in artikel 7, eerste lid;
- inburgeringsplicht: inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 6, eerste lid;
- inburgeringsplichtige: persoon die op grond van artikel 3 inburgeringsplichtig is;
- module Arbeidsmarkt en Participatie: module, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b;
- onderwijsroute: route, bedoeld in artikel 8;
- Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- participatieverklaringstraject: participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a;
- taalschakeltraject: taalschakeltraject, bedoeld in artikel 8, tweede lid;
- verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd: verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28, van de Vreemdelingenwet 2000;
- verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd: verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14, van de Vreemdelingenwet 2000;
- Wet inburgering: de Wet inburgering, zoals die wet luidde de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet;
- zelfredzaamheidsroute: traject, bedoeld in artikel 9, eerste lid.
Bij ministeriële regeling kan de geestelijke bedienaar, bedoeld in het eerste lid, nader worden omschreven.
Artikel 2. Rechtshandelingen door minderjarigen
Een minderjarige is bekwaam de rechtshandelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor de uitoefening en de nakoming van de voor hem uit deze wet en de daarop berustende bepalingen voortvloeiende rechten en verplichtingen.
Artikel 3. Inburgeringsplichtig
Inburgeringsplichtig is de vreemdeling, die rechtmatig verblijf verkrijgt in de zin van artikel 8, onderdelen a en c, van de Vreemdelingenwet 2000, die 16 jaar of ouder is en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, en:
- a. anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft; of
- b. geestelijke bedienaar is.
In afwijking van het eerste lid is niet inburgeringsplichtig:
- a. de persoon die onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;
- b. het familielid van de persoon, bedoeld in onderdeel a, dat onderdaan is van een derde staat en dat uit hoofde van richtlijn 2004/38/EG, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, gerechtigd is Nederland binnen te komen en er te verblijven;
- c. de vreemdeling die ingevolge de wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie of een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte heeft voldaan aan een inburgeringsvereiste om de status van langdurig ingezetene in de zin van richtlijn 2003/109/EG van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 16), gewijzigd door richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten (PbEU 2011, L 132) te verkrijgen;
- d. de persoon die anderszins op grond van bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen inburgeringsplicht kan worden opgelegd.
De inburgeringsplicht ontstaat niet met terugwerkende kracht.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het voortduren van de inburgeringsplicht in geval van tijdelijke beëindiging van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het tijdelijke doel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, waarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij het verblijfsrecht van tijdelijke aard, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 4. Vrijstelling van de inburgeringsplicht
Onze Minister verleent vrijstelling van de inburgeringsplicht aan degene die:
- a. ten minste acht jaar leerplichtig of kwalificatieplichtig is geweest op grond van de Leerplichtwet 1969;
- b. beschikt over een bij ministeriële regeling aangewezen diploma, certificaat of ander document waaruit blijkt dat diegene beschikt over de vaardigheden en kennis, bedoeld in artikel 7, eerste lid;
- c. leerplichtig of kwalificatieplichtig is op grond van de Leerplichtwet 1969;
- d. een opleiding volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een bij ministeriële regeling aangewezen diploma, certificaat of ander document waaruit blijkt dat diegene beschikt over de vaardigheden en kennis, bedoeld in artikel 7, eerste lid; of
- e. heeft aangetoond al voldoende te zijn ingeburgerd.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.