Besluit van 26 januari 2021, houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet kansspelen op afstand (Besluit kansspelen op afstand)

Type AMvB
Publication 2022-07-15
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 3 juli 2020, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2962454;

Gelet op de artikelen 4a, vijfde lid, 21, derde en vierde lid, 25, vierde en vijfde lid, 27ja, vijfde lid, 30u, derde lid, 30v, vijfde lid, 31, tweede lid, 31a, vierde lid, 31b, 31c, tweede lid, 31d, derde lid, 31g, zesde lid, 31h, tweede en vijfde lid, 31i, vijfde lid, 31j, derde lid, 31k, vijfde en zesde lid, 31l, eerste en vierde lid, 31m, zesde lid, 33h, achtste lid, 34k, eerste en derde lid, 34l en 35d van de Wet op de kansspelen, 15, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, 9, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, en 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord advies van 9 december 2020, no. W16.20.0229/II;

Gezien het nader rapport van de Minister voor Rechtsbescherming van 21 januari 2021, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3171173;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 1.2

De kansspelen, bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de wet zijn de kansspelen die krachtens een vergunning op grond van de artikelen 3, 8, 14a, 15, vierde lid, en 27a, tweede en derde lid, van de wet worden georganiseerd.

Hoofdstuk 2. De vergunning

Artikel 2.1
1.

De vergunning kan worden verleend voor het op afstand organiseren van:

voor zover deze naar het oordeel van de raad van bestuur op verantwoorde, betrouwbare en controleerbare wijze worden georganiseerd.

2.

De vergunning wordt niet verleend voor het op afstand organiseren van loterijen.

3.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot de kansspelen, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze worden georganiseerd. Daarbij worden in ieder geval:

4.

Bij de regeling, bedoeld in het derde lid, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de kansspelen, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 2.2

De vergunning wordt verleend met een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar.

Artikel 2.3

De vergunning kan slechts met schriftelijke toestemming van de raad van bestuur op een andere wijze dan door overdracht overgaan op een derde. Het bepaalde bij of krachtens artikel 31c van de wet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.4
1.

De beschikking op de aanvraag omtrent een vergunning wordt gegeven binnen zes maanden nadat de aanvraag is ontvangen.

2.

De raad van bestuur kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste zes maanden verlengen, indien naar zijn oordeel advies van of onderzoek door een derde nodig is.

3.

Indien de termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd, stelt de raad van bestuur de aanvrager daarvan in kennis en geeft hij aan binnen welke termijn de beschikking op de aanvraag kan worden gegeven.

Artikel 2.5
1.

De schorsing van de vergunning eindigt op de dag na de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking van de vergunning is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de schorsing zes maanden zijn verstreken.

2.

De raad van bestuur kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste zes maanden verlengen, indien naar zijn oordeel advies van of onderzoek door een derde nodig is.

3.

Indien de termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd, stelt de raad van bestuur de vergunninghouder daarvan in kennis.

Hoofdstuk 3. De vergunninghouder

Artikel 3.1
1.

Ontheffing als bedoeld in artikel 31g, vijfde lid, van de wet kan slechts worden verleend, indien dat naar het oordeel van de raad van bestuur noodzakelijk is in het belang van de verantwoorde, betrouwbare en controleerbare organisatie van kansspelen op afstand door een vergunninghouder.

2.

Onverminderd het eerste lid kan ontheffing slechts worden verleend, indien de vergunninghouder zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging heeft in een staat, waarin op hem wettelijke voorschriften van toepassing zijn die naar het oordeel van de raad van bestuur gelijkwaardig zijn aan de in Nederland of een andere lidstaat geldende voorschriften met betrekking tot:

3.

Onverminderd het eerste en tweede lid kan ontheffing slechts worden verleend, indien:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.