Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 1 februari 2021, nr. WJZ/20288990, tot vaststelling van beleidsregels voor de beoordeling van aanvragen om een vergoeding op grond van artikel 8 van de Wet verbod pelsdierhouderij
Gelet op artikel 8 van de Wet verbod pelsdierhouderij en de artikelen 4:81 en 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- fokteven: voedsters of moederdieren;
- minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
- natuurvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming;
- omgevingsvergunning: omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor het houden van pelsdieren;
- pelsdierhouder: degene die een melding heeft gedaan, als bedoeld in artikel 3, eerste tot en met derde lid, van de wet;
- plaats: plaats, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de wet;
- vervroegde beëindiging: verbod, bedoeld in artikel 2 van de wet, zoals deze voor de pelsdierhouder ingevolge de Wet tot wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij in verband met een vervroegde beëindiging van de pelsdierhouderij (Stb 2020, 555) geldt per 8 januari 2021;
- werknemer: natuurlijke persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek in dienst is of is geweest van de pelsdierhouder om activiteiten ten behoeve van het houden van nertsen te verrichten;
Artikel 2. Rechtstreeks gevolg van vervroegde beëindiging
Voor een vergoeding van schade komt in aanmerking de pelsdierhouder die als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de vervroegde beëindiging schade lijdt.
Van schade op een plaats als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de vervroegde beëindiging is in elk geval geen sprake, indien:
- a. de pelsdierhouder op of voorafgaand aan 28 augustus 2020 voor die plaats niet beschikte over de voor het houden van pelsdieren verplichte omgevingsvergunning;
- b. de minister aan de pelsdierhouder op of voorafgaand aan 28 augustus 2020 voor die plaats een beschikking tot vaststelling van de op grond van het besluit verleende subsidie voor ombouw heeft gegeven en de pelsdierhouder zich overeenkomstig artikel 14, derde lid, van dat besluit heeft verplicht de pelsdierhouderij niet meer op te starten;
- c. de minister aan de pelsdierhouder op of voorafgaand aan 28 augustus 2020 voor die plaats een beschikking tot verlening van sloopsubsidie op grond van het besluit heeft gegeven en tevens, al dan niet na genoemde datum, een beschikking tot vaststelling van die verleende subsidie heeft gegeven en de pelsdierhouder overeenkomstig artikel 14, vierde lid, van dat besluit de gebouwen heeft gesloopt.
Voor een plaats waar in 2020 geen nertsen zijn gehouden komt de pelsdierhouder slechts in aanmerking voor een vergoeding van schade, indien hij aannemelijk kan maken dat de bouwwerken, gebouwen en inventaris nog zodanig intact zijn dat de productie op die plaats op 28 augustus 2020 terstond had kunnen worden hervat.
Artikel 3. Normaal maatschappelijk risico
De minister hanteert voor het bepalen van het normale maatschappelijke risico, bedoeld in artikel 8 van de wet, een kortingspercentage van 15%.
Artikel 4. Vergoeding
De vergoeding bestaat uit:
- a. een vergoeding voor inkomensschade, vastgesteld overeenkomstig artikel 5 en voor zover van toepassing gecorrigeerd overeenkomstig artikel 10;
- b. een vergoeding voor de benodigde periode om vervangende arbeid te vinden, vastgesteld overeenkomstig artikel 6;
- c. een vergoeding voor de transitiekosten voor werknemers, vastgesteld overeenkomstig artikel 7, en
- d. een vergoeding ter compensatie van de waardevermindering vanwege de door het opgelegde vervoersverbod ontstane beperking de fokteven te exporteren, vastgesteld overeenkomstig artikel 8.
Op de totale vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt het normaal maatschappelijk risico, bedoeld in artikel 3, in mindering gebracht.
Artikel 5. Inkomensschade
In dit artikel wordt onder ‘het aantal fokteven dat rechtens mag worden gehouden’ verstaan het laagste aantal fokteven dat de pelsdierhouder mag houden, ingevolge:
- a. de aan hem verleende meest actuele omgevingsvergunning;
- b. de, voor zover van toepassing, aan hem verleende meest actuele natuurvergunning, of
- c. de opgave van het aantal huisvestingsplaatsen, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van de wet, of, indien dit aantal niet het aantal huisvestingsplaatsen voor fokteven per plaats betreft, de opgave, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet.
De inkomensschade wordt per plaats vastgesteld volgens de formule: het aantal fokteven dat rechtens mag worden gehouden op de betrokken plaats van de onderneming x € 51,– waardevergoeding per fokteef x 3 jaar.
Voor de plaats ten aanzien waarvan op grond van artikel 21, eerste lid, in samenhang met artikel 22, eerste lid, onderdeel f, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren een maatregel tot het doden van zieke en verdachte dieren is opgelegd ter bestrijding van SARS-CoV-2 wordt de ingevolge het tweede lid berekende inkomensschade verminderd met € 38,– x het aantal fokteven dat rechtens mag worden gehouden op die plaats.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een plaats waar in 2020 geen nertsen zijn gehouden.
Artikel 6. Overbruggingsperiode vervangende arbeid
De vergoeding ter overbrugging van de benodigde periode voor het vinden van vervangende arbeid bedraagt (2 x € 66.500) x het totaal aantal voltijdse arbeidsplaatsen die worden vervuld door de ondernemer of ondernemers van de pelsdierhouderij, afgerond op twee decimalen.
Bij het bepalen van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt aangemerkt:
- a. als ondernemer: de persoon ten aanzien waarvan kan worden aangetoond dat hij kapitaal, arbeid, goederen, of genot van goederen heeft ingebracht in de onderneming;
- b. als voltijdse arbeidsplaats: 38 uren per week die in een pelsdierhouderij aan arbeid wordt verricht.
Een ondernemer van de pelsdierhouderij vervult maximaal 1 voltijdse arbeidsplaats.
Artikel 7. Transitiekosten werknemer
Een pelsdierhouder komt in aanmerking voor een vergoeding van 60% van de transitievergoeding die hij aan zijn werknemer overeenkomstig artikel 7:673 van het Burgerlijk Wetboek dient uit te keren, indien het dienstverband is beëindigd na 28 augustus 2020 en voor het einde van de 26 weken, bedoeld in artikel 11, eerste lid.
Een pelsdierhouder komt niet in aanmerking voor een vergoeding als bedoeld in het eerste lid, indien het dienstverband na 28 augustus 2020 is aangegaan.
Artikel 8. Beperking exporteren fokteven
De vergoeding ter compensatie van de beperking om fokteven te exporteren wordt vastgesteld op € 5,– x het aantal fokteven dat de pelsdierhouder in 2020 ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2020 aan de minister heeft opgegeven.
Een pelsdierhouder komt niet voor een vergoeding als bedoeld in het eerste lid in aanmerking voor fokteven waarvoor hij vergoeding op grond van artikel 21, eerste lid, in samenhang met artikel 22, eerste lid, onderdeel f, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren een maatregel tot het doden van zieke en verdachte dieren is opgelegd ter bestrijding van SARS-CoV-2 heeft ontvangen.
Artikel 9. Overige vergoedingen
Indien de minister een vergoeding als bedoeld in artikel 4 toekent, vergoedt de minister ook:
- a. redelijke kosten ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand of andere deskundige bijstand bij de vaststelling van de schade;
- b. de wettelijke rente vanaf de ontvangst van de aanvraag en de gegevens, bedoeld in artikel 11, derde lid.
Artikel 10. Verhouding Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19
Indien aan een pelsdierhouder op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 een subsidie is verleend om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de periode na 1 januari 2021, wordt het bedrag dat op grond van artikel 11 van die Regeling is vastgesteld in mindering gebracht op de vergoeding van inkomensschade, vastgesteld overeenkomstig artikel 5.
Artikel 11. Aanvraag vergoeding
De pelsdierhouder die in aanmerking wil komen voor een vergoeding dient binnen 26 weken nadat het middel, bedoeld in het tweede lid, ter beschikking is gesteld een aanvraag in voor alle plaatsen ten aanzien waarvan hij in aanmerking wil komen voor een vergoeding.
Een aanvraag wordt bij de minister ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.
De aanvraag bevat in elk geval de volgende gegevens:
- a. de meest actuele omgevingsvergunning voor het houden van nertsen;
- b. voor zover van toepassing, de meest actuele natuurvergunning;
- c. voor zover van toepassing een na 28 augustus 2020 gesloten vaststellingsovereenkomst, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verleende ontslagvergunning, of een door de kantonrechter gegeven vonnis inzake de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, voorzien van de geanonimiseerde gegevens waarop de transitievergoeding is gebaseerd;
- d. een door de pelsdierhouder ondertekende verklaring dat hij het houden van pelsdieren heeft beëindigd;
- e. gegevens inzake het ondernemerschap van de betrokken persoon of personen en het aantal voltijdse arbeidsplaatsen dat door die ondernemer of ondernemers van de pelsdierhouderij in de pelsdierhouderij wordt vervuld, voorzien van een onderbouwing van dat aantal;
- f. voor zover van toepassing, gegevens met betrekking tot een op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 ingediende aanvraag en in dat kader genomen besluiten;
- g. gegevens over de onderneming, waaronder het nummer waarmee de onderneming geregistreerd is in het handelsregister, het vestigingsadres en het rekeningnummer dat op naam van de onderneming of, in geval van een eenmanszaak, de eigenaar staat.
Artikel 12. Beslissing op het verzoek
De minister kan zich bij de beoordeling van de aanvraag en de vaststelling van de hoogte van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt, laten adviseren door een of meer onafhankelijke deskundigen.
De minister stelt de pelsdierhouder in kennis van het inschakelen van de deskundige en van de termijn die aan de deskundige is gesteld om te adviseren.
Artikel 13. Voorschot
De minister kent de pelsdierhouder die een aanvraag als bedoeld in artikel 11, eerste lid, heeft ingediend, een voorschot toe.
Het voorschot bedraagt 20% van de aangevraagde vergoeding, bedoeld in artikel 4, eerste lid, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij daarvoor in aanmerking kan komen. Op het voorschot is artikel 4, tweede lid, niet van toepassing.
Met een besluit tot verlening van een voorschot wordt geen aanspraak op vergoeding van schade erkend.
Het voorschot kan uitsluitend worden verleend indien de pelsdierhouder schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot is uitbetaald, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over het teveel betaalde te rekenen vanaf de datum van betaling van het voorschot.
Artikel 14. Inwerkingtreding
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag van de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 25 december 2020.
Artikel 15. Citeertitel
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel compensatie vervroegde beëindiging pelsdierhouderij.
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.