Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 februari 2021, nr. WJZ/18085049, houdende uitvoeringsbepalingen met betrekking tot plantgezondheid (Regeling plantgezondheid)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-11-22
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 9, 16 en 20, eerste lid, van de Plantgezondheidswet en de artikelen 6 en 8, tweede en derde lid, van het Besluit plantgezondheid;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemeen

§ 1.1. Begripsbepalingen

Artikel 1

§ 1.2. Maatregelen

Artikel 2

Verkrijgen de in artikel 22, eerste lid, van de wet bedoelde ambtenaren of personen de wetenschap of het vermoeden van de aanwezigheid van schadelijke organismen dan kan de minister, in afwachting van bij of krachtens de wet voor te schrijven maatregelen, in individuele gevallen maximaal twee werkdagen of zoveel langer als naar het oordeel van de minister nodig is het vervoeren of verplaatsen van de schadelijke organismen, van planten, plantaardige producten of ander materiaal, verbieden of daaromtrent voorschriften geven of deze planten, plantaardige producten of ander materiaal kenmerken of onder verzegeling brengen waarbij het anderen dan de in artikel 22, eerste lid, van de wet bedoelde ambtenaren of personen verboden is de kenmerken en zegels te verwijderen, behoudens met toestemming van de minister.

Artikel 3
1.

De minister kan fytosanitaire maatregelen treffen in een situatie als bedoeld in artikel 10, derde alinea, van verordening 2016/2031 met inachtneming van bijlage II van verordening 2016/2031 ten aanzien van:

2.

De minister kan fytosanitaire maatregelen treffen indien een partij planten, plantaardige producten of andere materialen verdacht wordt door een schadelijk organisme te zijn aangetast maar dat niet officieel bevestigd is, met inachtneming van bijlage II, van verordening 2016/2031.

3.

De minister kan fytosanitaire maatregelen treffen als bedoeld in bijlage II van verordening 2016/2031 in een situatie als bedoeld in artikel 17 van verordening 2016/2031 ten aanzien van:

4.

De fytosanitaire maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen, indien zij een besluit zijn, voor één of meer afzonderlijke gevallen worden genomen.

5.

Aan deze besluiten kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

Hoofdstuk 2. Uitvoeringsbepalingen verordening 2016/2031 en verordening 2017/625

Artikel 4

De kennisgeving, bedoeld in artikel 14, eerste lid, en artikel 15, eerste lid, van verordening 2016/2031 is niet vereist voor de volgende schadelijke organismen:

Artikel 5

Er is sprake van de situatie, bedoeld in artikel 82, eerste alinea, van verordening 2016/2031 indien de bedrijfsruimten van een geregistreerde marktdeelnemer en de locatie van de door hem gebruikte percelen zich in Nederland bevinden.

Artikel 6

Bij de minister kan, met een door de minister ter beschikking gesteld middel, worden ingediend een aanvraag tot erkenning als:

Artikel 7
1.

Een professionele marktdeelnemer kan een aanvraag tot erkenning voor de export naar derde landen waar bilaterale afspraken mee zijn gemaakt op grond waarvan fytosanitaire voorwaarden van toepassing zijn, bij de minister indienen met een door de minister ter beschikking gesteld middel.

2.

De minister kan professionele marktdeelnemers erkennen voor deelname aan exportinspectie-vervangend systeemtoezicht ten behoeve van de afgifte van fytosanitaire certificaten.

3.

Een bedrijfslaboratorium kan bij de minister een aanvraag tot erkenning indienen voor het nemen van monsters en het uitvoeren van tests als bedoeld in artikel 100, tweede lid, onderdeel a, van verordening 2016/2031 met gebruikmaking van een door de minister ter beschikking gesteld middel.

4.

Aan een door de minister te verlenen erkenning als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Hoofdstuk 3. Preventie

§ 3.1. Bruinrot en ringrot

Artikel 8
1.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

2.

De minister wijst op kaarten met topografische achtergrond de gebieden aan waar besmet of vermoedelijk besmet oppervlaktewater voorkomt.

3.

De gebieden, bedoeld in het tweede lid, zijn opgenomen in bijlage 1.

Artikel 9
1.

Het is verboden om oppervlaktewater op zodanige wijze te gebruiken dat dit oppervlaktewater in contact kan komen met pootaardappelen.

2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is in de in bijlage 1 bedoelde gebieden eveneens van toepassing ten aanzien van andere bruinrotwaardplanten dan pootaardappelen.

3.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing voor gebruik van water dat is opgeslagen in een bruinrot veilige infiltratiesloot die is gelegen buiten de in bijlage 1 bedoelde gebieden.

4.

Het verbod, bedoeld in het eerste en tweede lid, is niet van toepassing voor gebruik van water dat is opgeslagen in een bruinrot veilige afwateringssloot.

Artikel 10
1.

Het is verboden in Nederland geteelde aardappelen als pootaardappelen in het verkeer te brengen of als pootaardappelen te gebruiken.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.