Besluit Beroep in Belastingzaken
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit actualiseert het Besluit Beroep in Belastingzaken (BBIB) van 7 april 2017, nr. 2017-59142 ( Stcrt. 2017, 22374 ). De voornaamste wijzigingen zijn: (i) vereenvoudiging van de wijze waarop de rechter de procesmachtiging van de inspecteur kan nagaan; (ii) regeling voor het uitzonderlijke geval dat de inspecteur een wrakingsverzoek nodig vindt; en (iii) vergoeding van wettelijke rente als de vergoeding van griffierecht of proceskosten niet binnen vier weken is uitbetaald (cf. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358 ). Voorts zijn diverse actualisaties doorgevoerd en redactionele aanpassingen gedaan, zoals de verwerking van de nieuwe topstructuur van de Belastingdienst.
1. Algemeen
1.0. Inleiding
Wijzigingen kunnen in meerdere paragrafen terugkomen, dit is niet altijd afzonderlijk vermeld. Voorts is de tekst op diverse punten redactioneel aangepast, daarmee is geen beleidswijziging beoogd.
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
1.2. Procesmachtiging en wraking
1.3. Registratie beroepschriften en verweerschriften
1.4. Bewaking van de gevolgen van de procedure
De inspecteur draagt zorg voor de benodigde maatregelen om de gevolgen van een lopende procedure te bewaken in verband met:
2. Beroep bij de rechtbank
2.1. Rechtstreeks beroep
2.1.1. Instemming door de inspecteur
2.1.2. Doorzending van het bezwaarschrift
Als de inspecteur instemt met het verzoek om rechtstreeks beroep te mogen instellen, zendt hij het bezwaarschrift, met daarop aangetekend de dagtekening van ontvangst, onverwijld door aan de bevoegde rechter.
2.1.3. Afwijzen van het verzoek
Als de inspecteur de zaak niet geschikt acht voor rechtstreeks beroep wijst hij het verzoek af. De inspecteur neemt de afwijzing in de beslissing op het bezwaarschrift op. Behoudens in de gevallen waarin van horen wordt afgezien omdat het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is deelt hij bovendien de beslissing uiterlijk tegelijkertijd met de uitnodiging voor de hoorzitting aan de verzoeker schriftelijk mede.
2.2. Het verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken
2.2.1. Indiening
Behoudens in de in de paragrafen 2.2.3, tweede lid, en bedoelde gevallen, zendt de inspecteur binnen vier weken na de dag van toezending van de gronden van het beroepschrift door de rechtbank de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en dient hij, overeenkomstig paragraaf 2.2.5 van dit besluit, in beginsel een verweerschrift in.
2.2.2. Eenheid van beleid en uitvoering
Ter bevordering van de kwaliteit en de eenheid van beleid en uitvoering vindt op de inhoud van het verweerschrift een collegiale toetsing plaats door of namens de betrokken vaktechnisch coördinatoren. Daarbij wordt (nogmaals) beoordeeld of er sprake is van een rechtsvraag als bedoeld in het Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Als het geschil een rechtsvraag betreft die niet aan een kennisgroep is voorgelegd, legt de inspecteur door tussenkomst van de betrokken vaktechnisch coördinator de rechtsvraag alsnog onverwijld voor aan de betreffende kennisgroep.
2.2.3. Tegemoetkomen aan de grieven van belanghebbende
2.2.4. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening
2.2.5. Inhoud van het verweerschrift
2.2.6. Over te leggen stukken en geheimhouding
2.3. De conclusie van dupliek
2.3.1. Indiening van een conclusie van dupliek
Na ontvangst van het afschrift van de conclusie van repliek, dient de inspecteur, binnen de door de rechtbank gestelde termijn, in beginsel een conclusie van dupliek in.
2.3.2. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening
Als de inspecteur door bijzondere omstandigheden niet in staat is de conclusie van dupliek in te dienen binnen de door de rechtbank gestelde termijn, kan hij de rechtbank schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. Paragraaf 2.2.4 is van overeenkomstige toepassing.
2.3.3. Inhoud van de conclusie van dupliek
In de conclusie van dupliek reageert de inspecteur op de in de conclusie van repliek naar voren gebrachte punten. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van dupliek een doublure wordt van het verweerschrift. Waar nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van dupliek naar de relevante punten van het verweerschrift.
2.4. De mondelinge behandeling
2.4.1. Aanwezigheid ter zitting
De inspecteur verschijnt altijd ter zitting wanneer hij een oproep voor de mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft ontvangen. Dit geldt ook als de oproep betrekking heeft op de behandeling van een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening.
2.4.2. Bijstand
2.4.3. Procesdeskundigen
2.4.4. Achterwege blijven van de mondelinge behandeling
De inspecteur kan op voorstel van de rechtbank instemmen met het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. De inspecteur stemt in als de feiten en omstandigheden voldoende vaststaan (er is sprake van een zuivere rechtsvraag) en een mondelinge behandeling geen toegevoegde waarde heeft. De inspecteur stemt zijn besluit af met de betrokken vaktechnisch coördinatoren.
2.4.5. Openbaarheid van de zitting bij massaalbezwaarprocedures
Belastingzaken vinden vanwege de geheimhoudingsplicht plaats achter gesloten deuren. De rechter kan bepalen dat een zitting openbaar is.
De belanghebbende of zijn gemachtigde kan verzoeken om derden de zitting te laten bijwonen. Het is gebruikelijk dat de rechter dan een reactie van de inspecteur vraagt alvorens op het verzoek te beslissen.
Gelet op het karakter van een massaalbezwaarprocedure, die per definitie een grote groep belastingplichtigen raakt, stemt de inspecteur met name voor een dergelijke procedure in beginsel in met een verzoek om openbaarheid van de zitting.
2.5. Overige aspecten van het beroep
2.5.1. Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
Als het beroep is gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift, blijft de inspecteur verplicht uitspraak te doen op het bezwaar. De rechtbank kan in dat geval bepalen dat Hoofdstuk VIII, afdeling 2, AWR gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn van toepassing blijft. Zo nodig verzoekt de inspecteur hierom bij of voorafgaand aan de indiening van zijn verweerschrift.
2.5.2. Voorlopige voorziening
Als belanghebbende op grond van artikel 8:81 Awb de rechtbank heeft verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, verstrekt de inspecteur binnen de door de rechtbank gestelde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken. De inspecteur kan gewichtige redenen hebben om een bepaald op de zaak betrekking hebbend stuk niet (volledig) te overleggen en een beroep te doen op geheimhouding (artikel 8:29 Awb).
2.6. Na de uitspraak
2.6.1. Korte aantekening van de inhoud
Na ontvangst van het afschrift van de uitspraak van de rechtbank wordt de inhoud daarvan in het kort vastgelegd in het in paragraaf 1.3 bedoelde bestand. Op de originele afschriften mag niet worden geschreven.
2.6.2. Het instellen van hoger beroep
Als de inspecteur geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, beoordeelt hij samen met de betrokken vaktechnisch coördinatoren of hij tegen de uitspraak hoger beroep in zal stellen.
2.6.3. Sprongcassatie op voorstel van de inspecteur
2.6.4. Sprongcassatie op verzoek van belanghebbende
Als belanghebbende verzoekt om sprongcassatie, bepaalt de inspecteur of hij vindt dat de rechtbank de feiten juist en volledig heeft vastgelegd. Als hier naar het oordeel van de inspecteur geen sprake van is, laat hij aan belanghebbende weten dat hij geen voorstel tot instemming met sprongcassatie zal doen. Alleen als het niet meer nodig is om de feiten ter discussie te stellen, dient de inspecteur een voorstel tot instemming in bij FJZ/Cassatie. Daartoe zendt hij het van de griffier ontvangen originele afschrift met een korte uiteenzetting van de gronden waarop zijn oordeel rust per omgaande aan FJZ/Cassatie. Hij doet daarbij mededeling van de datum waarop het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd. FJZ/Cassatie laat belanghebbende schriftelijk weten of instemming wordt verleend, met afschrift aan de inspecteur.
Als belanghebbende zich rechtstreeks tot FJZ/cassatie wendt met een verzoek om instemming sprongcassatie, zal FJZ/cassatie de inspecteur benaderen om hierover te worden voorgelicht.
2.6.5. Eenheid van beleid en uitvoering
De inspecteur beoordeelt samen met de betrokken vaktechnisch coördinatoren of hij sprongcassatie zal voorstellen dan wel met een verzoek om sprongcassatie van belanghebbende kan instemmen.
2.6.6. Indiening van een verzetschrift
2.6.7. Behandeling van de vermindering of vernietiging van het bestreden besluit
2.6.8. Publicatie van de (geanonimiseerde) uitspraak
De inspecteur beoordeelt samen met de betrokken vaktechnisch coördinatoren of de uitspraak van de rechtbank voor andere belanghebbenden van belang kan zijn en neemt zo nodig contact op met de griffie van de rechtbank met het verzoek de uitspraak op www.rechtspraak.nl te publiceren.
3. Hoger beroep door de inspecteur
3.1. Het beroepschrift
3.1.1. Indiening van een beroepschrift
Als de inspecteur na afstemming met de betrokken vaktechnisch coördinatoren besluit hoger beroep in te stellen, dient hij binnen zes weken (zie artikel 6:7 Awb) een beroepschrift overeenkomstig paragraaf 3.1.4 van dit besluit in.
3.1.2. Pro forma beroep
In gevallen waarin de inspecteur niet in staat is een gemotiveerd beroepschrift in te dienen binnen de termijn van zes weken, gaat de inspecteur na toestemming van de betrokken vaktechnisch coördinator pro forma in hoger beroep en verzoekt hij het gerechtshof om een termijn te stellen voor het motiveren van het beroepschrift.
3.1.3. Eenheid van beleid en uitvoering
Voor het beroepschrift geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie §paragraaf 2.2.2).
3.1.4. Inhoud van het beroepschrift en over te leggen stukken
Voor de inhoud van het beroepschrift gelden dezelfde eisen als voor de inhoud van een verweerschrift bij de rechtbank (zie paragraaf 2.2.5). Wat betreft de over te leggen stukken gaat het daarbij om de op de zaak betrekking hebbende stukken voor zover deze niet al in de procedure bij de rechtbank zijn overgelegd, en een afschrift van de uitspraak van de rechtbank. Voorts wordt in een bijlage vermeld welke processtukken al tot het dossier behoren.
3.2. De conclusie van repliek
3.2.1. Indiening van een conclusie van repliek
Na daartoe door het gerechtshof in de gelegenheid te zijn gesteld, dient de inspecteur, binnen de door het gerechtshof vastgestelde termijn, in beginsel een conclusie van repliek in.
3.2.2. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening
Als de inspecteur door bijzondere omstandigheden niet in staat is de conclusie van repliek in te dienen binnen de door het gerechtshof gestelde termijn, kan hij het gerechtshof schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. Paragraaf 2.2.4 is van overeenkomstige toepassing.
3.2.3. Inhoud van de conclusie van repliek
In de conclusie van repliek reageert de inspecteur op de in het verweerschrift aangevoerde punten. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van repliek een doublure wordt van het beroepschrift. Waar nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van repliek naar relevante punten van het beroepschrift.
3.3. De mondelinge behandeling
Voor de mondelinge behandeling ter zitting van het gerechtshof is paragraaf 2.4 van overeenkomstige toepassing.
3.4. Na de uitspraak
Paragraaf 4.6 is van overeenkomstige toepassing.
4. Hoger beroep door belanghebbende
4.1. Het verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken
4.1.1. Indiening
Behoudens in de in de paragrafen 4.1.3 en 4.1.4 bedoelde gevallen zendt de inspecteur binnen vier weken na de dag van toezending van de gronden van het hoger beroep door het gerechtshof de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het gerechtshof en dient hij, overeenkomstig paragraaf 4.1.5 van dit besluit, in beginsel een verweerschrift in.
4.1.2. Eenheid van beleid en uitvoering
Voor het verweerschrift in hoger beroep geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie paragraaf 2.2.2).
4.1.3. Tegemoetkomen aan de grieven van belanghebbende
Voor het verweerschrift in hoger beroep geldt wat betreft een eventueel tegemoetkomen aan de grieven van belanghebbende hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie paragraaf 2.2.3).
4.1.4. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening
Als de inspecteur door bijzondere omstandigheden niet in staat is het verweerschrift in te dienen binnen de in paragraaf 4.1.1 bedoelde termijn van vier weken, kan hij het gerechtshof schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. Zo nodig vraagt de inspecteur tevens om verlenging van de termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep. Paragraaf 2.2.4 is van overeenkomstige toepassing.
4.1.5. Inhoud van het verweerschrift en over te leggen stukken
Voor de inhoud van het verweerschrift gelden dezelfde eisen als voor de inhoud van een verweerschrift bij de rechtbank (zie paragraaf 2.2.5). Wat betreft de over te leggen stukken gaat het hierbij om de op de zaak betrekking hebbende stukken voor zover deze niet al in de procedure voor de rechtbank zijn overgelegd, en een afschrift van de uitspraak van de rechtbank. Voorts wordt in een bijlage vermeld welke processtukken al tot het dossier behoren.
4.2. Het instellen van incidenteel hoger beroep door de inspecteur
Als belanghebbende hoger beroep instelt tegen de beslissing van de rechtbank, kan de inspecteur binnen zes weken nadat het gerechtshof de gronden van het hoger beroep aan de inspecteur heeft verzonden incidenteel hoger beroep instellen. De inspecteur stelt incidenteel hoger beroep in als hij meent dat het geschil in hoger beroep meer moet omvatten dan de door belanghebbende omschreven geschilpunten. Hij beoordeelt dit samen met de betrokken vaktechnisch coördinatoren. Bij het instellen van incidenteel hoger beroep vindt vervolgens een collegiale toetsing plaats, overeenkomstig paragraaf 2.2.2.
4.3. De conclusie van dupliek
4.3.1. Indiening van een conclusie van dupliek
Na ontvangst van het afschrift van de conclusie van repliek, dient de inspecteur, binnen de door het gerechtshof gestelde termijn, in beginsel een conclusie van dupliek in.
4.3.2. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening
Als de inspecteur door bijzondere omstandigheden niet in staat is de conclusie van dupliek in te dienen binnen de door het gerechtshof gestelde termijn, kan hij het gerechtshof schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. Paragraaf 2.2.4 is van overeenkomstige toepassing.
4.3.3. Inhoud van de conclusie van dupliek
In de conclusie van dupliek reageert de inspecteur op de in de conclusie van repliek aangevoerde punten. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van dupliek een doublure wordt van het verweerschrift. Waar nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van dupliek naar de relevante punten van het verweerschrift.
4.4. De mondelinge behandeling
Voor de mondelinge behandeling op een zitting van het gerechtshof is paragraaf 2.4 van overeenkomstige toepassing.
4.5. Voorlopige voorziening
Als belanghebbende op grond van artikel 8:81 Awb het gerechtshof heeft verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, verstrekt de inspecteur binnen de door het gerechtshof gestelde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken. De inspecteur kan gewichtige redenen hebben om een bepaald op de zaak betrekking hebbend stuk niet (volledig) te overleggen en een beroep te doen op geheimhouding (artikel 8:29 Awb).
4.6. Na de uitspraak
4.6.1. Korte aantekening van de inhoud
Na ontvangst van het afschrift van de uitspraak van het gerechtshof wordt de inhoud daarvan in het kort vastgelegd in het in paragraaf 1.3 bedoelde bestand. Op de originele afschriften mag niet worden geschreven.
4.6.2. Cassatievoorstel
Wanneer de inspecteur geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, beoordeelt hij samen met de betrokken vaktechnisch coördinatoren of hij een cassatievoorstel zal indienen. Daarbij geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie paragraaf 2.2.2). De inspecteur dient een cassatievoorstel te doen binnen tien dagen na de datum van terpostbezorging van het afschrift van de uitspraak. Zie voor de indiening ook paragraaf 5.1.1.
4.6.3. Indiening van een verzetschrift
4.6.4. Behandeling van de vermindering of vernietiging van het bestreden besluit
4.6.5. Publicatie van de (geanonimiseerde) uitspraak
De inspecteur beoordeelt samen met de betrokken vaktechnisch coördinatoren of de uitspraak van het gerechtshof voor andere belanghebbenden van belang kan zijn en neemt zo nodig contact op met de griffie van het gerechtshof met het verzoek de uitspraak op www.rechtspraak.nl te publiceren.
5. Cassatieberoep bij de Hoge Raad
5.1. Cassatieberoep door de staatssecretaris
5.1.1. Indiening van een cassatievoorstel
5.1.2. De conclusie van repliek
5.2. Cassatieberoep door belanghebbende
5.2.1. Inzending van het advies door inspecteur
5.2.2. Inhoud van het advies
5.2.3. De conclusie van dupliek
5.3. De conclusie van de advocaat-generaal
FJZ/Cassatie zendt een afschrift van een ontvangen conclusie van de advocaat-generaal en een afschrift van de reactie hierop aan de inspecteur.
5.4. Na de uitspraak
5.4.1. Toezending van de uitspraak
5.4.2. Uitvoering van de uitspraak
6. Overige bepalingen
6.1. Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie
6.1.1. In te zenden stukken/overleg
De inspecteur zendt na ontvangst van een (tussen)uitspraak, waarin de rechtbank of het gerechtshof prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie, onverwijld het originele afschrift van deze uitspraak en de relevante bescheiden aan FJZ/Cassatie. Tot de als bijlagen over te leggen bescheiden behoren in ieder geval de stukken genoemd in paragraaf 5.1.1, tweede lid, waarbij de inspecteur – als daartoe de noodzaak aanwezig is – kan volstaan met het zenden van kopieën.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.