Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 april 2021, nr. WJZ/27740278, houdende instelling van de Adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog en de vaststelling van het door deze commissie te hanteren beoordelingskader (Instellingsbesluit Restitutiecommissie)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-11-29
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2. Instelling en taak Restitutiecommissie
1.

Er is een Adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog, die tot taak heeft:

2.

De minister gaat uitsluitend over tot het doen van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, indien de verzoeker en de bezitter de minister daar in onderlinge overeenstemming om verzoeken.

Artikel 3. Samenstelling Restitutiecommissie
1.

De Restitutiecommissie bestaat uit ten hoogste zeven leden, waaronder een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.

2.

De leden zijn niet werkzaam bij het ministerie en zijn ook overigens niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de minister.

3.

De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter bezitten de hoedanigheid van meester in de rechten.

4.

Ten minste een lid van de Restitutiecommissie bezit een zodanige historische deskundigheid over de Tweede Wereldoorlog dat hij een wezenlijke bijdrage aan de werkzaamheden van de Restitutiecommissie kan leveren.

5.

Ten minste een lid van de Restitutiecommissie bezit een zodanige kunsthistorische of museale deskundigheid dat hij een wezenlijke bijdrage aan de werkzaamheden van de Restitutiecommissie kan leveren.

6.

De minister benoemt de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de andere leden voor ten hoogste vier jaar. Zij kunnen eenmaal voor een periode van ten hoogste vier jaar worden herbenoemd.

Artikel 4. Behandeling verzoeken door Restitutiecommissie
1.

De Restitutiecommissie behandelt verzoeken als bedoeld in artikel 2, eerste lid:

2.

De Restitutiecommissie kan partijen ook mondeling horen.

3.

De Restitutiecommissie kan in elk stadium een schikking tussen partijen bevorderen.

4.

De Restitutiecommissie kan het Expertisecentrum verzoeken een feitenonderzoek in te stellen.

5.

De Restitutiecommissie kan zich rechtstreeks tot derden wenden voor het verkrijgen van inlichtingen en hen in een vergadering horen.

6.

De Restitutiecommissie kan een reglement over haar werkwijze vaststellen.

Artikel 5. Ondersteuning Restitutiecommissie
1.

De minister voegt aan de Restitutiecommissie een secretariaat toe.

2.

Het secretariaat is voor zijn werkzaamheden voor de Restitutiecommissie uitsluitend aan de Restitutiecommissie verantwoording verschuldigd.

3.

De minister zorgt dat de Restitutiecommissie tijdig en volledig over alle stukken beschikt die zij nodig heeft en die zich op het ministerie bevinden.

4.

Iedere ambtenaar van het ministerie geeft aan een verzoek of oproep van de Restitutiecommissie gehoor.

Artikel 6. Buiten toepassing laten openbaarheidsbeperkingen

Indien de Restitutiecommissie of de medewerkers van het Expertisecentrum ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2, inzage behoeven in archiefbescheiden die in een rijksarchiefbewaarplaats of in de algemene rijksarchiefbewaarplaats berusten, blijven de eventueel op die archiefbescheiden rustende openbaarheidsbeperkingen, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995, jegens hen buiten toepassing.

Artikel 7. Jaarlijkse verslaglegging

De Restitutiecommissie brengt jaarlijks verslag uit aan de minister over de uitvoering van haar taken.

Artikel 8. Archiefbescheiden Restitutiecommissie

De archiefbescheiden van de Restitutiecommissie worden na haar opheffing of zoveel eerder als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, naar het archief van de Directie Erfgoed en Kunsten van het ministerie overgebracht.

Artikel 9. Overgangsrecht toepasselijk besluit
1.

De adviezen of bindende adviezen, uitgebracht door de commissie, bedoeld in artikel 2 van het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken en cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, worden geacht te zijn uitgebracht door de Restitutiecommissie.

2.

Verzoeken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, die voor de inwerkingtreding van dit besluit aanhangig zijn gemaakt bij de commissie, bedoeld in artikel 2 van het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, maar waarover de commissie nog geen advies of bindend advies heeft gegeven, worden geacht aanhangig te zijn bij de Restitutiecommissie.

3.

In afwijking van dit besluit en het op grond van artikel 4, zesde lid, vastgestelde reglement, zijn op verzoeken als bedoeld in het tweede lid het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog en het op grond van artikel 4, tweede lid, van dat besluit vastgestelde reglement van toepassing, zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.

4.

In afwijking van het derde lid zijn dit besluit en het op grond van artikel 4, zesde lid, vastgestelde reglement, onverkort van toepassing:

Artikel 10. Overgangsrecht benoemingen
1.

De personen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit waren benoemd als leden van de commissie, bedoeld in artikel 2 van het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, gelden als leden van de Restitutiecommissie voor de resterende duur van hun benoeming.

2.

Artikel 3, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een persoon die eerder is herbenoemd als lid van de commissie, bedoeld in artikel 2 van het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, niet opnieuw als lid van de Restitutiecommissie kan worden benoemd.

Artikel 11. Intrekking Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog

Het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog wordt ingetrokken.

Artikel 12. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Artikel 13. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Restitutiecommissie.

Beoordelingskader Restitutiecommissie

Deze bijlage behoort bij artikel 4, eerste lid, van het Instellingsbesluit Restitutiecommissie.

Deze bijlage behoort bij artikel 4, eerste lid, van het Instellingsbesluit Restitutiecommissie.

§ 1. Vereisten voor het inhoudelijk in behandeling nemen van een verzoek om restitutie

§ 1. Vereisten voor het inhoudelijk in behandeling nemen van een verzoek om restitutie

De Restitutiecommissie beoordeelt eerst of het restitutieverzoek:

Beslissing

Indien zich een of meer van de onder a tot en met e bedoelde gevallen voordoen, neemt de Restitutiecommissie het verzoek niet inhoudelijk in behandeling, tenzij er feiten of omstandigheden zijn die dat niettemin rechtvaardigen.

Indien het verzoek een zaak betreft waarover de Restitutiecommissie voor de inwerkingtreding van het Instellingsbesluit Restitutiecommissie advies of een bindend advies heeft gegeven, beoordeelt zij of herbeoordeling mogelijk is. Herbeoordeling is mogelijk indien het advies of bindend advies:

Beoordelingscriterium

Advies of bindend advies

Als dit niet in hoge mate aannemelijk is, adviseert de Restitutiecommissie tot afwijzing van het restitutieverzoek.

§ 3. Vereiste van onvrijwillig bezitsverlies

Als dit niet in hoge mate aannemelijk is, adviseert de Restitutiecommissie tot afwijzing van het restitutieverzoek.

Beoordelingscriteria

Beoordelingscriteria

De Restitutiecommissie beoordeelt dit aan de hand van de criteria 3.1, 3.2 en 3.3.

Als de oorspronkelijke eigenaar een particulier is die tot een vervolgde bevolkingsgroep behoorde, wordt onvrijwillig bezitsverlies aangenomen indien het bezitsverlies in Nederland na 10 mei 1940, in Duitsland na 30 januari 1933 of in Oostenrijk na 13 maart 1938 heeft plaatsgevonden, tenzij nadrukkelijk anders blijkt.

Criterium 3.2. Kunsthandelaar die tot vervolgde bevolkingsgroep behoorde

Als de oorspronkelijke eigenaar een particulier is die tot een vervolgde bevolkingsgroep behoorde, wordt onvrijwillig bezitsverlies aangenomen indien het bezitsverlies in Nederland na 10 mei 1940, in Duitsland na 30 januari 1933 of in Oostenrijk na 13 maart 1938 heeft plaatsgevonden, tenzij nadrukkelijk anders blijkt.

Criterium 3.3. Overige gevallen van onvrijwillig bezitsverlies

Advies of bindend advies

Ongeacht de hoedanigheid van de oorspronkelijke eigenaar en ongeacht in welk land en op welk tijdstip – mits na 30 januari 1933 – het bezitsverlies heeft plaatsgevonden, wordt onvrijwillig bezitsverlies eveneens aangenomen als de onvrijwilligheid voldoende aannemelijk is, bijvoorbeeld omdat de oorspronkelijke eigenaar de opbrengst nodig had voor de financiering om het naziregime te ontvluchten.

§ 4. Aanwezigheid van goede trouw

Beoordelingscriterium

Bindend advies

Goede trouw wordt aangenomen als:

§ 5. Afwijking bij zwaarwegende aanleiding

§ 5. Afwijking bij zwaarwegende aanleiding

Als de bijzonderheden van een zaak daartoe een zwaarwegende aanleiding geven, kan de Restitutiecommissie bij wijze van uitzondering van een of meer onderdelen van dit beoordelingskader afwijken om een rechtvaardige en eerlijke oplossing als bedoeld in principe 8 van de Washington Principles te bereiken.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Beslissing

§ 2. Eigendomsvereiste

Indien de Restitutiecommissie het verzoek inhoudelijk in behandeling neemt, beoordeelt zij vervolgens of in hoge mate aannemelijk is dat de verzoeker de oorspronkelijke eigenaar of diens rechtsopvolger krachtens erfrecht is.

§ 3. Vereiste van onvrijwillig bezitsverlies

Als de Restitutiecommissie heeft vastgesteld dat in hoge mate aannemelijk is dat de verzoeker de oorspronkelijke eigenaar of diens rechtsopvolger krachtens erfrecht is, beoordeelt zij of ook in voldoende mate aannemelijk is dat de oorspronkelijke eigenaar het bezit van het cultuurgoed door onvrijwillig bezitsverlies heeft verloren.

Als de Restitutiecommissie heeft vastgesteld dat in hoge mate aannemelijk is dat de verzoeker de oorspronkelijke eigenaar of diens rechtsopvolger krachtens erfrecht is, beoordeelt zij of ook in voldoende mate aannemelijk is dat de oorspronkelijke eigenaar het bezit van het cultuurgoed door onvrijwillig bezitsverlies heeft verloren.

Criterium 3.1. Particulier die tot vervolgde bevolkingsgroep behoorde

Criterium 3.2. Kunsthandelaar die tot vervolgde bevolkingsgroep behoorde

Ongeacht de hoedanigheid van de oorspronkelijke eigenaar en ongeacht in welk land en op welk tijdstip – mits na 30 januari 1933 – het bezitsverlies heeft plaatsgevonden, wordt onvrijwillig bezitsverlies eveneens aangenomen als de onvrijwilligheid voldoende aannemelijk is, bijvoorbeeld omdat de oorspronkelijke eigenaar de opbrengst nodig had voor de financiering om het naziregime te ontvluchten.

Advies of bindend advies

Goede trouw wordt aangenomen als:

Bindend advies

Als de bijzonderheden van een zaak daartoe een zwaarwegende aanleiding geven, kan de Restitutiecommissie bij wijze van uitzondering van een of meer onderdelen van dit beoordelingskader afwijken om een rechtvaardige en eerlijke oplossing als bedoeld in principe 8 van de Washington Principles te bereiken.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 10a. Overgangsrecht verlenging benoemingstermijn
1.

De Minister kan de benoeming van een persoon die op 1 januari 2023 lid was van de Restitutiecommissie, verlengen tot een totaalduur van ten hoogste vier jaar.

2.

Een verlenging als bedoeld in het eerste lid laat een eventuele herbenoeming op grond van artikel 3, zesde lid, onverlet.

3.

De Minister kan een persoon die eerder reeds als lid benoemd was voor een termijn korter dan vier jaar, herbenoemen voor een aanvullende periode van meer dan vier jaren, maar slechts tot een termijn van bij elkaar genomen ten hoogste acht jaren.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.