Omzetbelasting. Toelichting snelle oplossingen btw
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit vervangt het besluit van 8 december 2020, nr. 2020-25514 Omzetbelasting. Toelichting snelle oplossingen btw, ( Stcrt. 2020, nr. 62979 ). De wijziging heeft betrekking op onderdeel 4 (Regeling inzake voorraad op afroep). Aan onderdeel 4 wordt onderdeel 4.4. toegevoegd. In onderdeel 4.4 wordt nader ingegaan op de toepassing van de regeling voorraad op afroep na de Brexit.
Dit besluit is gewijzigd bij besluit van 21 augustus 2024, nr. 2024-9776, (Stcrt. 2024, 29783).
De wijziging betreft een verduidelijking van het in onderdeel 5.1 opgenomen standpunt van de Staatssecretaris inzake de ‘bredere toepassing’ van de vereenvoudigde A-B-C-regeling als voorgestaan in onderdeel 3.6.17.2 van de ‘Toelichting over de btw-wijzigingen in de EU met betrekking tot de regeling inzake voorraad op afroep, ketentransacties en de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen van goederen’. De wijziging vloeit voort uit standpunt nr. KG:210:2024:3 (vereenvoudigde ABC; levering in keten) van de Kennisgroep Overheid, Vrijstellingen en Internationaal.
1. Inleiding
Op 1 januari 2020 zijn de zogenoemde ‘snelle oplossingen’ of ‘quick fixes’ voor de btw in werking getreden. Dit zijn regels die het handelsverkeer tussen lidstaten harmoniseren en vereenvoudigen. De Europese Commissie heeft in december 2019 een toelichting1Toelichting over de btw-wijzigingen in de EU met betrekking tot de regeling inzake voorraad op afroep, ketentransacties en de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen van goederen (“snelle oplossingen van 2020”), december 2019. gegeven op de snelle oplossingen (zogenoemde explanatory notes quick fixes). In dit besluit wordt aangegeven in hoeverre deze toelichting wordt gevolgd en in welk opzicht daarvan wordt afgeweken. Verder wordt in onderdeel 4.4 aangegeven hoe de regeling inzake voorraad op afroep na de Brexit wordt toegepast door in Nederland gevestigde ondernemers. In onderdeel 4.4 zijn verschillende situaties beschreven die zich in dit verband kunnen voordoen. Per situatie worden de gevolgen van de Brexit beschreven en hoe met deze gevolgen moet worden omgegaan.
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
1.2. Verwerkt kennisgroepantwoord
In het besluit is het kennisgroepantwoord nr. KG:210:2024:3 (vereenvoudigde ABC; levering in keten) verwerkt.1KG:210:2024:3 (Vereenvoudigde ABC; levering in keten) | Kennisgroepen (belastingdienst.nl)
2. Juridisch kader
De snelle oplossingen zijn op 1 januari 2020 grotendeels2Artikel 5c, lid 4, van Richtlijn 2018/1910 treedt in werking bij de implementatie van de btw-richtlijnen elektronische handel (richtlijn (EU) 2017/2455, richtlijn 2009/132/EG en richtlijn (EU) 2019/1955. in werking getreden. Ze zijn opgenomen in de artikelen 17 bis, 36 bis, 138, 243 en 262 van de richtlijn en in de artikelen 45 bis en 54 bis van de uitvoeringsverordening. De uitvoeringsverordening heeft rechtstreekse werking en behoeft daarom niet te worden omgezet in nationale wetgeving. De bepalingen uit de richtlijn zijn geïmplementeerd in de artikelen 3b, 5c, 34 en 37a van de wet en artikel 12 van het uitvoeringsbesluit.
3. Toelichting
De Toelichting vormt een door de Europese Commissie opgestelde praktische en informele leidraad voor de toepassing van de snelle oplossingen voor de btw. De Toelichting is op 1 januari 2020 in werking getreden en geldt ook vanaf die datum als beleid met inachtneming van het hierna volgende. Ik onderschrijf de Toelichting op enkele onderdelen na. De niet door mij onderschreven onderdelen worden hierna toegelicht. Verder wordt ten aanzien van één onderdeel (vermelden retourzendingen in de opgaaf ICP) aangegeven dat de ondernemer ervoor kan kiezen de Toelichting te volgen. Daarnaast geef ik met betrekking tot één onderdeel van de Toelichting (de vervangende afnemer) een verduidelijking.
4. Regeling inzake voorraad op afroep
De overbrenging door een ondernemer van eigen goederen van zijn bedrijf naar een andere lidstaat wordt op grond van artikel 3a, eerste lid, van de wet gelijkgesteld met de levering van goederen onder bezwarende titel als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de wet. Deze ondernemer wordt geacht een intracommunautaire levering te verrichten op het moment van de overbrenging van de goederen en verricht gelijktijdig een intracommunautaire verwerving in die andere lidstaat (lidstaat van bestemming) overeenkomstig de aldaar geldende btw-regelgeving. In dat geval moet deze ondernemer zich registreren in de lidstaat van bestemming. In artikel 3b van de wet wordt bepaald dat de overbrenging van eigen goederen naar een andere lidstaat niet wordt behandeld als een levering van goederen onder bezwarende titel als de overbrenging plaatsvindt in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep. Onder deze regeling is pas sprake van een intracommunautaire levering door de leverancier in de lidstaat van vertrek en een intracommunautaire verwerving door de afnemer in de lidstaat van bestemming op het moment waarop het recht om als eigenaar over de goederen te beschikken wordt overgedragen aan de afnemer. Doordat de leverancier geen intracommunautaire verwerving hoeft aan te geven in de lidstaat van bestemming, kan registratie van de leverancier in die lidstaat achterwege blijven. De intracommunautaire levering is op grond van artikel 9, tweede lid, onderdeel b, jo. tabel II, onderdeel a. post 6, van de wet onderworpen aan het nultarief.
4.1. Vermelden retourzendingen in de opgaaf ICP is facultatief
In de Toelichting is een voorbeeld opgenomen van de situatie waarin goederen niet worden geleverd aan de beoogde afnemer en binnen 12 maanden retour worden gezonden naar de lidstaat van vertrek (onderdeel 2.3.4., pag. 19–20). Op grond van artikel 3b, vijfde lid, van de wet wordt in die situatie de overbrenging niet gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel als deze retourzending wordt opgenomen in het register, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel c, van de wet. De Toelichting (onderdeel 2.3.4, pag. 19–20) schrijft voor dat de retourzendingen ook worden opgenomen in de opgaaf ICP. De wet eist dit niet van de ondernemer, maar de ondernemer kan uit praktische overwegingen ervoor kiezen om de retourzendingen naast vorenbedoeld register toch (ook) op te nemen in de opgaaf ICP (rubriek 5a). Hierdoor is het voor de ondernemer mogelijk om één handelwijze toe te passen voor alle lidstaten waar hij de regeling voorraad op afroep toepast of om te volstaan met de toepassing van software die hem dwingt tot het aanhouden van één handelwijze. De ondernemer is wel verplicht om in de opgaaf ICP de identiteit en het btw-identificatienummer van de afnemer3Zoals toegekend door de lidstaat van bestemming. en van diens eventuele vervanger op te nemen (op grond van artikel 3b, zesde lid, onderdeel a, gelezen in samenhang met de artikelen 3b, tweede lid, onderdeel d en 37a, eerste lid, onderdeel d, van de wet).
In de Toelichting (onderdeel 2.5.1., pag. 28, punt 4) wordt gesteld dat een entrepot onder voorwaarden kwalificeert als vaste inrichting.4In de Nederlandse situatie is de term ‘entrepot’ voorbehouden aan de opslag van goederen die onder een douaneregime vallen. Gemeend wordt dat de term ‘entrepot’ in de Toelichting daarom met name ziet op een magazijn (Engels: warehouse). Een entrepot wordt volgens de Toelichting beschouwd als vaste inrichting van de leverancier, als de leverancier de eigenaar of huurder van het entrepot is en de leverancier het entrepot rechtstreeks beheert met eigen middelen waarover hij beschikt in de lidstaat waar het entrepot zich bevindt.
De regeling inzake voorraad op afroep kent een aantal voorwaarden. Zo mag de leverancier niet gevestigd zijn en ook geen vaste inrichting hebben in de lidstaat van bestemming (artikel 3b, tweede lid, onderdeel b, van de wet).
4.3. Vervangende afnemer
Ik deel die opvatting niet zonder meer. Ook voor de toepassing van de regeling inzake voorraad op afroep kwalificeert een entrepot in Nederland alleen als een vaste inrichting als het entrepot een voldoende mate van duurzaamheid heeft en een – wat personeel en technische middelen betreft – geschikte structuur heeft om prestaties aan derden te verrichten (zie artikelen 11, lid 2 en 53 van de uitvoeringsverordening5Het in genoemde artikelen van de uitvoeringsverordening omschreven begrip ‘vaste inrichting’ is relevant voor de gehele btw-regelgeving.). Dit uitgangspunt geldt ook voor een voorraad op afroep die in Nederland wordt aangehouden door een buitenlandse ondernemer. Als het entrepot of de voorraad op afroep als zodanig niet als zo’n vaste inrichting is aan te merken, kan de regeling voorraad op afroep worden toegepast vanwege de afwezigheid van een vaste inrichting in Nederland. Dit geldt ook als de overbrenging eigen goederen door de leverancier in de lidstaat van vertrek als intracommunautaire levering wordt gelist, als in die lidstaat de regeling voorraad op afroep wordt geacht niet van toepassing te zijn.
Voor het bepalen of sprake is van ‘vervanging’ van de afnemer wordt de Toelichting gevolgd.7Het gaat dan om het gestelde op pagina 15–17 en 34–35 van de Toelichting (onderdelen 2.3.2., 2.5.12. en 2.5.14.). De vervangende afnemer hoeft niet al bekend te zijn op het tijdstip waarop de verzending of het vervoer van de goederen begint. Dit heeft tot gevolg dat op dat tijdstip ook nog geen overeenkomst hoeft te zijn afgesloten met de vervangende afnemer. Vereist is wel dat de leverancier de overeenkomst met de (door hem geïdentificeerde) vervangende afnemer sluit vóór of op het moment van beëindiging van de overeenkomst met de oorspronkelijke afnemer. Verder moet de vervangende afnemer uiterlijk op het moment van de vervanging voor btw-doeleinden geïdentificeerd zijn in de lidstaat van bestemming. Als de overeenkomst met de vervangende afnemer op een later moment wordt gesloten, vervalt de regeling inzake de voorraad op afroep op het moment waarop de oorspronkelijke overeenkomst wordt beëindigd. Het gevolg daarvan is dat op dat moment alsnog sprake is van een door de leverancier verrichte intracommunautaire levering in Nederland als lidstaat van vertrek en een door hem verrichte intracommunautaire verwerving in de lidstaat van bestemming overeenkomstig artikel 3a, eerste lid, van de wet en de geldende btw-regelgeving in de lidstaat van bestemming.
4.4. Regeling inzake voorraad op afroep en de Brexit
5. Regeling inzake ketentransacties
De toepassing van de regeling inzake voorraad op afroep is gebonden aan de in artikel 3b, vierde lid, van de wet bedoelde termijn van twaalf maanden.9D.w.z. dat de goederen binnen twaalf maanden na aankomst in de lidstaat waarnaar zij zijn verzonden of vervoerd moeten worden geleverd aan de ondernemer bedoeld in artikel 3b, tweede lid, onderdeel c, of het zesde lid, van de wet of worden teruggezonden naar de in artikel 3b, vijfde lid, van de wet bedoelde ondernemer. Hierbij geldt dat geen van de situaties genoemd in artikel 3b, zevende lid, zich hebben voorgedaan. Goederen die onder de regeling iwetnzake voorraad op afroep uiterlijk op 31 december 2020 vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk (hierna: het VK) of vice versa zijn verzonden of vervoerd, kunnen uiterlijk tot en met 31 december 2021 onder deze regeling worden geleverd in het VK of in Nederland of worden teruggezonden naar Nederland of het VK. Hoewel de goederen fysiek vóór de Brexit zijn overgebracht, vindt de intracommunautaire levering of verwerving van deze goederen in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep pas plaats op het moment dat de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken overgaat naar de beoogde afnemer op het moment van levering. Ook kan het voorkomen dat die macht niet overgaat binnen de in de regeling inzake voorraad op afroep gestelde termijn van twaalf maanden en de desbetreffende goederen vóór die termijn worden teruggezonden. De richtlijn en de regeling voorraad op afroep blijven van toepassing op deze goederen die vóór de Brexit zijn overgebracht onder toepassing van de regeling inzake voorraad op afroep en nadien binnen twaalf maanden worden geleverd of teruggezonden. Vanwege de Brexit ontstaan wel andere administratieve en douane-technische gevolgen.
5.1. Vereenvoudigde A-B-C-levering
De toepassing van de regeling inzake voorraad op afroep is gebonden aan de in artikel 3b, vierde lid, van de wet bedoelde termijn van twaalf maanden.9D.w.z. dat de goederen binnen twaalf maanden na aankomst in de lidstaat waarnaar zij zijn verzonden of vervoerd moeten worden geleverd aan de ondernemer bedoeld in artikel 3b, tweede lid, onderdeel c, of het zesde lid, van de wet of worden teruggezonden naar de in artikel 3b, vijfde lid, van de wet bedoelde ondernemer. Hierbij geldt dat geen van de situaties genoemd in artikel 3b, zevende lid, zich hebben voorgedaan. Goederen die onder de regeling iwetnzake voorraad op afroep uiterlijk op 31 december 2020 vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk (hierna: het VK) of vice versa zijn verzonden of vervoerd, kunnen uiterlijk tot en met 31 december 2021 onder deze regeling worden geleverd in het VK of in Nederland of worden teruggezonden naar Nederland of het VK. Hoewel de goederen fysiek vóór de Brexit zijn overgebracht, vindt de intracommunautaire levering of verwerving van deze goederen in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep pas plaats op het moment dat de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken overgaat naar de beoogde afnemer op het moment van levering. Ook kan het voorkomen dat die macht niet overgaat binnen de in de regeling inzake voorraad op afroep gestelde termijn van twaalf maanden en de desbetreffende goederen vóór die termijn worden teruggezonden. De richtlijn en de regeling voorraad op afroep blijven van toepassing op deze goederen die vóór de Brexit zijn overgebracht onder toepassing van de regeling inzake voorraad op afroep en nadien binnen twaalf maanden worden geleverd of teruggezonden. Vanwege de Brexit ontstaan wel andere administratieve en douane-technische gevolgen.
Hierna wordt aangegeven welke gevolgen de Brexit voor de Nederlandse btw-verplichtingen heeft voor situaties die zich kunnen voordoen bij de hiervoor bedoelde voorraad op afroep-goederen en hoe daarmee moet worden omgegaan.
6. Bewijs intracommunautair(e) verzending of vervoer op basis van weerlegbaar vermoeden
Eén van de voorwaarden voor de toepassing van het nultarief in verband met intracommunautaire leveringen van goederen op grond van post a.6 van tabel II van de wet, is dat de goederen vanuit Nederland naar een andere lidstaat zijn verzonden of vervoerd, waar de goederen zijn onderworpen aan de btw-heffing ter zake van de intracommunautaire verwerving van die goederen. In artikel 45 bis van de uitvoeringsverordening is voor intracommunautair(e) verzending of vervoer een weerlegbaar bewijsvermoeden opgenomen. Deze bepaling biedt een praktische regeling aan naast de bestaande Nederlandse praktijk voor het bewijs van intracommunautair(e) verzending of vervoer. Volgens artikel 45 bis van de uitvoeringsverordening is er sprake van een weerlegbaar bewijsvermoeden van dit intracommunautair vervoer of deze intracommunautaire verzending als twee niet-tegenstrijdige bewijsstukken17De bewijsstukken zijn opgenomen in artikel 45 bis, derde lid van de uitvoeringsverordening. kunnen worden overgelegd. Deze bewijsstukken moeten afkomstig zijn van partijen die zowel onafhankelijk zijn van elkaar als van de verkoper en de afnemer (artikel 45 bis van de uitvoeringsverordening). De inspecteur kan het bewijsvermoeden weerleggen.
De regeling inzake ketentransacties bepaalt aan welke van de opvolgende leveringen in de keten het intracommunautair vervoer of de intracommunautaire verzending moet worden toegerekend (artikel 5c van de wet). Alleen deze levering wordt aangemerkt als de intracommunautaire levering. De overige leveringen binnen de keten (de leveringen vóór en na de intracommunautaire levering) zijn binnenlandse leveringen.13De leveringen in de keten voor de intracommunautaire levering vinden plaats in de lidstaat van aanvang van het intracommunautaire vervoer. De leveringen in de keten na de intracommunautaire levering vinden plaats in de lidstaat waar het intracommunautair vervoer eindigt.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.