Protocol inzake de Versterking grenstoezicht in de Caribische landen van het Koninkrijk van 05-02-2021

Type Ministeriële regeling
Publication 2021-02-05
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Overwegende:

dat de Partijen binnen het Koninkrijk al geruime tijd samenwerken in het kader van grenstoezicht waarvoor diverse afspraken zijn gemaakt:

10 januari 2005 Protocol Gemeenschappelijk Grenscontrole Teams tussen Nederland en de Nederlandse Antillen voor de periode van 2 jaar;

25 februari 2008 Rijkswet van 25 februari 2008, houdende regeling van de taken en bevoegdheden, alsmede het beheer en beleid van de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba (Rijkswet Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba);

19 januari 2012 Protocol inzake de inzet van personeel uit de flexibel inzetbare pool Koninklijke Marechaussee tussen Nederland, Curaçao en Sint Maarten voor de periode van 1 januari 2011 tot 30 juni 2015;

14 juni 2014 Protocol inzake de inzet van personeel uit de flexibel inzetbare pool Koninklijke Marechaussee tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten voor een periode van 31 juli 2015 tot 31 december 2019;

23 november 2017 Onderlinge regeling van Sint Maarten en Nederland als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut van Koninkrijk der Nederlanden tot versterking van het grenstoezicht van Sint Maarten afgesloten tussen Nederland en Sint Maarten voor een periode van 1 januari 2018 tot 1 januari 2020;

23 januari 2019 Protocol inzake de inzet van personeel uit de flexibel inzetbare pool Koninklijke Marechaussee tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten voor onbepaalde tijd;

2 november 2020 Onderlinge regeling Landspakket Curaçao tussen Curaçao en Nederland als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het statuut van Koninkrijk der Nederlanden waarmee uitvoering dient worden gegeven aan de maatregelen die in het landspakket beschreven staan waaronder voorwaarde H.11 Versterking grenstoezicht;

13 november 2020 Onderlinge regeling Landspakket Aruba tussen Aruba en Nederland als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het statuut van Koninkrijk der Nederlanden waarmee uitvoering dient worden gegeven aan de maatregelen die in het landspakket beschreven staan waaronder voorwaarde H.11 Versterking grenstoezicht;

11 december 2020 Verlenging onderlinge regeling van Sint Maarten en Nederland als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut van Koninkrijk der Nederlanden tot versterking van het grenstoezicht van Sint Maarten afgesloten tussen Nederland en Sint Maarten voor de periode van 1 januari 2021 tot 1 juli 2021;

22 december 2020 Onderlinge regeling Landspakket Sint Maarten tussen Sint Maarten en Nederland als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het statuut van Koninkrijk der Nederlanden waarmee uitvoering dient worden gegeven aan de maatregelen die in het landspakket beschreven staan waaronder voorwaarde H.11 Versterking grenstoezicht.

dat de Partijen aangesloten zijn bij de Justitieel vierpartijen overleg (JVO) werkgroep baselines (grip op grenzen) met als doel het grenstoezicht gezamenlijk te versterken;

dat de maatschappelijke situatie in Venezuela - het grootste buurland van Aruba en Curaçao - steeds precairder wordt waardoor er een grotere druk op het grenstoezicht komt te staan;

dat de Caribische landen van het Koninkrijk een gunstige ligging hebben voor transnationaal georganiseerde misdaad, hetgeen ontwrichtende gevolgen met zich mee kan brengen;

dat er verdere, structurele samenwerking tussen de Partijen benodigd is om de transnationaal georganiseerde misdaad tegen te gaan;

dat de Partijen deze verdere, structurele samenwerking tot uiting wensen te brengen in de vaststelling van een protocol, waarin het operationeel raamwerk van deze nadere samenwerking, waaronder in ieder geval de inzet en capaciteit vallen, zijn opgenomen en uitgewerkt;

dat de bij deze samenwerking betrokken diensten vanuit Aruba KPA, Dimas, Gaurda nos Costa, IASA en Douane Aruba, vanuit Curaçao, KPC, Immigratiedienst en Douane Curaçao, vanuit Sint Maarten KPSM, Douane Sint Maarten en IBP, vanuit Nederland de Koninklijke Marechaussee en Douane Nederland en vanuit Koninkrijksverband de Kustwacht Caribisch Gebied betreffen;

gelet op artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden;

komen het volgende overeen:

De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit protocol wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Doel

Artikel 2
1.

Dit protocol heeft tot doel maatregelen te treffen op het gebied van grenstoezicht om bij te dragen aan het tegengaan van grensoverschrijdende/transnationaal georganiseerde (ondermijnende) criminaliteit in het Koninkrijk door te investeren in de Caribische landen van het Koninkrijk en het verbeteren van de onderlinge samenwerking tussen de diensten.

2.

Onder de maatregelen, zoals bedoeld in lid 1, wordt in elk geval verstaan, de operationele ondersteunende personele inzet van de Koninklijke Marechaussee en de Douane Nederland in de Caribische landen van het Koninkrijk, onder het bevoegd gezag van het land waar de werkzaamheden worden verricht en onder leiding van het hoofd van de betreffende operationele dienst van het land. Tevens draagt de Kustwacht Caribisch Gebied vanuit de eigenstandige taken bij aan de maatregelen zoals bedoeld in lid 1.

Hoofdstuk 3. Samenwerking en verantwoordelijkheden

Artikel 3

De Caribische landen van het Koninkrijk blijven zelf verantwoordelijk voor het beleid en de uitvoering van het grenstoezicht.

Artikel 4

De operationele personele inzet van de Koninklijke Marechaussee en de Douane Nederland, alsmede de wijze waarop de medewerkers omgaan met informatie, geschiedt conform de geldende wettelijke bepalingen, voorschriften en regelingen van het betreffende Caribische land.

Artikel 5

De aansturing van de operationele personele inzet van de KMar en de Douane Nederland geschiedt in onderling overleg tussen de betreffende operationele dienst van het land en de KMar en de Douane Nederland. In het plan van aanpak artikel 13 lid 1 wordt de doelstelling en de wijze van aansturing van de operationele inzet van de KMar en de Douane Nederland in onderling overleg met de landen nader vastgesteld. Het beheer, beleid en gezag van de Kustwacht Caribisch Gebied geschiedt conform de Rijkswet Kustwacht.

Artikel 6
1.

De rechtspositionele verantwoordelijkheid voor de Koninklijke Marechaussee berust bij de Commandant van de Koninklijke Marechaussee.

2.

De rechtspositionele verantwoordelijkheid voor de Douane Nederland berust bij de Directeur-Generaal Douane Nederland.

3.

De rechtspositionele verantwoordelijkheid voor de Kustwacht voor het Koninkrijk der Nederlanden in het Caribisch gebied berust -conform de Rijkswet Kustwacht- bij de ministers van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten die bij de taakuitoefening van de Kustwacht betrokken zijn. De directeur van de Kustwacht is belast met de algehele leiding van de Kustwacht. Deze functie wordt vervuld door de Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied.

Artikel 7
1.

De landen spreken de wens uit intensief te willen samenwerken op het gebied van de bestrijding van transnationaal georganiseerde en ondermijnende grensoverschrijdende criminaliteit en de verbetering van het grenstoezicht op de luchthavens en aan de maritieme grenzen.

2.

Deze samenwerking omvat specifiek:

3.

De samenwerking omvat in de basis het gebruik van multidisciplinaire teams en kennisoverdracht middels twinning tot en met de managementlaag.

4.

De wijze van samenwerking wordt in een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 gezamenlijk vormgegeven.

Artikel 8
1.

Elk van de Caribische landen in het Koninkrijk komt met Nederland overeen wat de bijdrage van de Koninklijke Marechaussee, Douane Nederland en de Kustwacht is wat betreft:

2.

De gewenste capaciteit genoemd in lid 1 sub a en b zal in gezamenlijkheid tot stand komen met de ministers die het aangaat van elk van de Caribische landen van het Koninkrijk, de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Commandant van de Koninklijke Marechaussee, de Directeur-Generaal Douane Nederland en de Directeur Kustwacht.

3.

De gewenste capaciteit zoals genoemd in lid 1, sub a en b wordt steeds vastgelegd voor een periode van drie jaar in het plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 13 lid 1.

Artikel 9

De Caribische landen van het Koninkrijk dragen in het kader en ten behoeve van de ondersteunende personele inzet als bedoeld in artikel 2, tweede lid zorg voor de mandatering, accreditatie en autorisatie van alle vereiste bevoegdheden t.b.v. de personele inzet van de Koninklijke Marechaussee en de Douane Nederland benodigd voor een effectieve en rechtmatige uitvoering en uitoefening van de overeengekomen taken en bevoegdheden.

Artikel 10

De ambtenaren van de KMar en Douane Nederland mogen tijdens de uitvoering van de opgedragen taken indien van toepassing het eigen dienstuniform en de eigen bewapening dragen.

Artikel 11

De Caribische landen van het Koninkrijk nemen met inachtneming van artikel 2, tweede lid, eerste volzin, alsmede van artikel 3, de nodige maatregelen zodat de opvolging en inzet van de extra capaciteit van de Koninklijke Marechaussee en van Douane Nederland, in de rechtshandhavingsketen goed wordt ingericht en daar waar nodig in deze keten wordt geïntensiveerd.

Artikel 12
1.

Indien ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee of de Douane Nederland worden ingezet in de Caribische landen van het Koninkrijk zijn deze landen aansprakelijk voor toerekenbare schade die zij bij de uitoefening van de in en op grond van dit protocol gemaakte afspraken veroorzaken. Daarbij geldt het recht van het desbetreffende Caribische land.

2.

Nederland is verantwoordelijk voor de schade dat het gevolg is van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag door de ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee of Douane Nederland.

3.

Onverminderd de uitoefening van zijn rechten tegenover derden, ziet Nederland af van vorderingen tegen Aruba, Curaçao en Sint Maarten wegens geleden schade, behalve wanneer sprake is van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag.

Hoofdstuk 4. Uitvoering

Artikel 13
1.

De verantwoordelijke autoriteiten van de landen werken in een plan van aanpak de doelstellingen voor en wijze van de uitvoering van het grenstoezicht uit. Tevens bevat het plan van aanpak een inventarisatie van de afspraken die in het kader van de uitvoering moeten worden vastgelegd. Dit plan van aanpak wordt in beginsel gezamenlijk telkens vastgesteld voor een periode van drie jaar door de ministers die het aangaat van dat betreffende Caribische land van het Koninkrijk en Nederland.

2.

Nederland stelt ten behoeve van de plannen van aanpak financiële middelen beschikbaar.

Artikel 14

De uitvoering van de plannen van aanpak wordt in ieder geval één keer per jaar besproken door de ministers die het aangaat van het Caribische land en Nederland.

Artikel 15
1.

In ieder der Caribische landen van het Koninkrijk is er een voortgangscommissie die tot taak heeft om de voortgang van de implementatie van de plannen van aanpak te monitoren.

2.

Elke voortgangscommissie bestaat uit vertegenwoordigers van elk van de deelnemende, met het grenstoezicht belaste uitvoeringsorganisaties en de betrokken ministeries van zowel het betreffende Caribische land als van Nederland.

3.

De voortgangscommissie adviseert de ministers die het aangaat van het betreffende land en Nederland over de voortgang en uitvoering van de gemaakte afspraken in de plannen van aanpak.

4.

De voortgangscommissie komt tenminste twee maal per jaar bijeen en biedt jaarlijks in januari een tussen- of eindrapportage aan de ministers die het aangaat.

5.

De leden van de voortgangscommissie worden door de minister die het aangaat benoemd, geschorst en ontslagen. De voorzitter wordt op voordracht door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, na overleg tussen de Partijen, benoemd, geschorst en ontslagen.

Artikel 16
1.

Om de voortgangscommissie zoals bedoeld in artikel 15 voor te bereiden wordt een werkgroep ingesteld.

2.

Ieder lid van de voortgangscommissie stelt een lid voor de werkgroep aan.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.