Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling
Samenvatting
Deze aanwijzing geeft nadere regels voor de toepassing van de wettelijke regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Die regeling is ingrijpend gewijzigd met de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen. De aanwijzing gaat in op de taken die het openbaar ministerie heeft en de verdeling van deze taken binnen het OM. Deze aanwijzing geeft algemene regels voor de toepassing van de huidige (deel 1) en de vorige v.i.-regeling (deel 2), alsmede voor de situaties waarin sprake is van samenloop (deel 3, overgangsrecht Wet straffen en beschermen).
Algemeen
1. Doel van de regelingen
Aan het eind van hun vrijheidsstraf keren veroordeelden terug in de maatschappij. Het is zowel in het belang van de veroordeelde als van de samenleving, dat die terugkeer geleidelijk en verantwoord verloopt, met zo min mogelijk kans op herhaling van een strafbaar feit. Daarom is het verblijf in de penitentiaire inrichting dusdanig ingericht dat gedetineerden vanaf het begin van de detentie werken aan een delictvrije toekomst buiten de gevangenismuren. De tenuitvoerlegging van bepaalde vrijheidsstraffen kan vervolgens met een periode van voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) worden afgesloten. Het OM vervult een aantal belangrijke taken in de onderscheidenlijke v.i.-regelingen. Met inachtneming van het wettelijk kader komt het steeds zelfstandig en onafhankelijk tot een afweging van alle in aanmerking komende belangen.
2. Wijzigingen Wet straffen en beschermen
Met de op 1 juli 2021 in werking getreden Wet straffen en beschermen (Stb. 2020, 2241Gewijzigd met de spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb. 2020, 225).) is de v.i.-regeling uit 2008 ingrijpend gewijzigd. Het betreft – in het kort – de volgende wijzigingen:
3. Leeswijzer
Deze aanwijzing bestaat uit drie delen.
I. Regeling vanaf 1 juli 2021
1. Toepassingsbereik
De in dit deel beschreven v.i.-regeling geldt voor veroordelingen tot vrijheidsstraffen die zijn uitgesproken vanaf (op of na) 1 juli 2021.2Het gaat om het moment van de uitspraak door de rechtbank of het gerechtshof. De uitspraak hoeft op dat moment nog niet onherroepelijk te zijn. Zij is van toepassing op geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen met een duur van meer dan één jaar.3Meerdere kortere straffen worden bij aaneengesloten tenuitvoerlegging voor de toepassing van de v.i.-regeling als één straf aangemerkt als zij tezamen een periode van een jaar of meer bedragen. Voor vrijheidsstraffen met een duur tussen één jaar en twee jaar kan v.i. plaatsvinden wanneer de vrijheidsbeneming ten minste één jaar heeft geduurd en van het nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf een derde is ondergaan (art. 6:2:10, eerste lid, onder a, Sv). Voor vrijheidsstraffen met een duur van twee jaar of meer kan de v.i. plaatsvinden vanaf het moment dat twee derde van de straf is ondergaan, waarbij de v.i. – anders dan in de vorige regeling – maximaal twee jaar bedraagt (art. 6:2:10, eerste lid, onder b, Sv).4In het geval van de tenuitvoerlegging van een in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf in Nederland bestaat de mogelijkheid dat de v.i. op een eerder of later tijdstip plaatsvindt (art. 6:2:10, vierde lid Sv). De v.i. ziet daarmee ten hoogste op de laatste twee jaar van de betreffende straf.
Indien een veroordeelde meerdere straffen heeft te ondergaan, worden deze zo mogelijk aaneensluitend ten uitvoer gelegd.5De veroordeelde wordt niet tussentijds in vrijheid gesteld. De uitvoering wordt evenmin anderszins onderbroken. Alleen geheel *on*voorwaardelijk ten uitvoer te leggen straffen worden gezamenlijk als één vrijheidsstraf aangemerkt (art. 6:2:6 onder a Sv). De v.i. wordt verleend over het totaal indien de duur hiervan meer dan een jaar bedraagt. In geval van samenloop bij de tenuitvoerlegging van straffen die in laatste feitelijke instantie voor en na inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen zijn uitgesproken, moet rekening worden gehouden met de toepasselijkheid van twee regimes (zie deel III).
De v.i.-regeling is niet van toepassing in het geval van/bij:
2. Taken OM en positie Centrale Voorziening v.i.
Het OM heeft een aantal belangrijke taken in het kader van de gewijzigde v.i.-regeling. Het merendeel van deze taken is centraal belegd bij de Centrale voorziening v.i. (hierna: CVv.i.). De CVv.i. is ondergebracht bij het Ressortsparket Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.
De CVv.i. beoordeelt in iedere v.i.-waardige zaak op basis van de wettelijke criteria of v.i. wordt verleend dan wel of de beslissing daarover wordt uitgesteld. Eventuele invrijheidstelling geschiedt altijd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Voor zover noodzakelijk en proportioneel kan de CVv.i. daarnaast aan de v.i. bijzondere voorwaarden verbinden. Indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd of de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd, kan de CVv.i. de v.i. (deels) herroepen. Verder adviseert de CVv.i. de parketten over ingekomen bezwaarschriften. De CVv.i. beoordeelt tevens of er grond is om de verlenging van de proeftijd te vorderen.
De CVv.i. kan verder adviseren over een gratieverzoek ten aanzien van een straf waarover v.i. is verleend, de beslissing daarover is uitgesteld of de v.i. is herroepen.
3. Dossier en advisering
3.1. Dossier
Uitgangspunt is dat aan het OM door het CJIB namens de minister tijdig een toereikend dossier beschikbaar wordt gesteld, dat alle informatie bevat om in redelijkheid tot een goede afweging van de betrokken belangen te komen. Het reguliere dossier6In geval van spoed of bijzondere omstandigheden kan – in afstemming met de CVv.i. – een afwijkende procedure van toepassing zijn. bestaat onder meer uit:
In hun adviezen betrekken DJI en de reclassering de wettelijke criteria (zie par. 4.1.) en het beleid van het OM (zoals deze aanwijzing). Zij gaan in op de geschiktheid van de veroordeelde om in de samenleving terug te keren. In het geval er sprake is van bijzonderheden ten aanzien van de persoon van de veroordeelde, het delict of de delicten waarvoor hij veroordeeld is of de omgeving van de veroordeelde, besteden zij hieraan aandacht in het advies.
Indien het dossier onvolledig is of anderszins aanvulling behoeft (bijv. in de vorm van verdiepingsdiagnostiek of forensische rapportage) dan wordt hierin op aangeven van het OM zo spoedig mogelijk voorzien. Wanneer dat op korte termijn niet mogelijk is en het OM over onvoldoende informatie beschikt om tot een afweging van de belangen te komen, dan kan het OM de beslissing over de v.i.-verlening voor een bepaalde periode uitstellen (zie par. 4.3).
3.2. Adviescollege Voorwaardelijke Invrijheidstelling
Het College van procureurs-generaal heeft het Adviescollege Voorwaardelijke Invrijheidstelling (hierna: AVI) ingesteld om de CVv.i. te adviseren in zware en complexe zaken. Het AVI levert met zijn advies een onafhankelijke bijdrage aan het interne beraad van de CVv.i. Het adviseert de betrokken advocaten-generaal over zowel de toekenning van de v.i. als de eventueel hieraan te verbinden bijzondere voorwaarden. Het AVI vervult geen rol bij andere beslissingen in het kader van de v.i. (zoals herroeping).
Bij de advisering zijn de wettelijke criteria en het beleid van het OM (zoals deze aanwijzing) leidend. Het advies van het AVI is niet bindend. De advocaten-generaal bij de CVv.i. komen zelfstandig tot een beslissing.
De inzet van het AVI richt zich op:
Indien daartoe de noodzaak aanwezig wordt geacht, kan ook in andere zaken om advies worden gevraagd. Bijvoorbeeld als de achtergrond van het delict, zoals eerwraak, specifieke expertise vergt. Inzet van het AVI ligt niet in de rede wanneer sprake is van spoed.10Dat is bijvoorbeeld het geval indien gelet op de eerst mogelijke v.i.-datum het aanvragen (en verkrijgen) van een AVI-advies tot vertraging van een inhoudelijke v.i.-beslissing zou leiden. Wanneer een advies desalniettemin noodzakelijk wordt geacht is de inzet van het AVI echter niet uitgesloten. Zo mogelijk wordt dan voorzien in een spoedprocedure. De CVv.i. beslist of advies wordt ingewonnen.
4. Verlening v.i.
Het OM beslist over het al dan niet verlenen van de v.i. Bij de beslissing worden de in de wet genoemde aspecten (par. 4.1.) en contra-indicaties (par. 4.2.) betrokken. De beslissing kan inhouden dat de beslissing over de verlening wordt uitgesteld (par. 4.3.).
4.1. Aspecten
Bij de beslissing over het verlenen van de v.i. worden in ieder geval de aspecten genoemd in art. 6:2:10, derde lid Sv, betrokken: gedrag, risico’s en belangen van ‘slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen’.
4.1.1. Gedrag
Bij de beslissing wordt gekeken naar ‘de mate waarin en de wijze waarop de veroordeelde door zijn gedrag heeft doen blijken van een bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving’. Het gaat daarbij niet alleen om de afwezigheid van wangedrag, maar met name om de aanwezigheid van gewenst gedrag: de gedetineerde geeft met zijn opstelling blijk bereid te zijn te werken aan een geslaagde terugkeer in de samenleving.
Het detentieverloop, in het bijzonder de ervaringen die door DJI zijn opgedaan met externe vrijheden die aan de gedetineerde zijn toegekend, speelt hierbij een rol (bijvoorbeeld het zich houden aan een contactverbod). Het gaat hierbij om het gedrag gedurende de gehele detentie. De detentieperiode kan ook andere straffen en maatregelen omvatten dan de straf die centraal staat in de v.i.-beslissing. Indien de veroordeelde zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel, of dit gepoogd heeft, weegt dit mee.11Een (poging tot) onttrekking aan de tenuitvoerlegging van de straf doet zich voor wanneer de veroordeelde feitelijk in het gebouw van de inrichting of het op het tot de inrichting behorende terrein verbleef en (al dan niet met geweld) is gevlucht of heeft geprobeerd te vluchten. Daarnaast spreken we van een onttrekking aan de tenuitvoerlegging van de straf als de veroordeelde zich met toestemming tijdelijk buiten (het terrein van) de inrichting bevindt, en niet (tijdig) terugkeert in de inrichting. Dit kan het geval zijn tijdens verlof of een strafonderbreking. Indien de veroordeelde op het moment dat de beslissing over de v.i. actueel is, niet is gedetineerd (bijvoorbeeld door opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis), dan wordt de tijd die hij in vrijheid heeft doorgebracht en het verloop daarvan betrokken bij de afweging.
4.1.2. Risico’s
Bij de beslissing om v.i. te verlenen kijkt de CVv.i. naar ‘de mogelijkheden om eventuele aan de invrijheidstelling verbonden risico’s te beperken en beheersen’. Voor zover noodzakelijk en proportioneel kan zij daartoe bijzondere voorwaarden stellen (zie par. 5).
Relevant hierbij is dat de resocialisatie van de veroordeelde niet pas bij de v.i. start. Al tijdens de gevangenschap wordt een gedetineerde in de gelegenheid gesteld om gericht te werken aan zijn re-integratie. Daartoe kan hem bij gewenst gedrag re-integratieverlof worden verleend. Dat kan bijvoorbeeld verlof zijn om overdag buiten de inrichting te werken, een zorgtraject te volgen of om praktische zaken voor de re-integratie te regelen.12Ook is re-integratieverlof mogelijk voor deelname aan gedragsinterventies, het gericht bezoeken van familie om te werken aan een stabiel gezinscontact, het weer opnieuw invulling leren geven aan een opvoedingsrol binnen het gezin, voor ambulante zorg of voor het volgen van een opleiding buiten de inrichting. TK 2018–2019, 35 122, nr. 3, p. 20. Omdat aan een veroordeelde derhalve vooruitlopend op de v.i. al bepaalde vrijheden (zoals langdurend re-integratieverlof) toegekend kunnen zijn, wordt bij de inschatting van risico’s het detentieverloop (inclusief gedrag tijdens verloven) nadrukkelijk betrokken.13Bij beslissingen in het kader van detentiefasering hanteren de directeur van de penitentiaire inrichting en selectiefunctionarissen vergelijkbare criteria. Hoewel de criteria overeenkomen, is de context waarbinnen getoetst wordt verschillend. Naarmate de vrijheden verderstrekkend en langduriger zijn, zal onder andere de risicobeoordeling overeenkomstig intensiever zijn. Indien de veroordeelde op het moment dat de beslissing over de v.i. actueel is niet is gedetineerd, dan betrekt de CVv.i. de tijd die hij in vrijheid heeft doorgebracht en het verloop daarvan bij de afweging, evenals eventuele voorwaarden die aan de schorsing van de voorlopige hechtenis waren verbonden.
4.1.3. Belangen slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen
Bij de beslissing over de verlening van de v.i. wordt, waar dit aan de orde is, rekening gehouden met de belangen van slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen.14Belangen worden meegenomen voor zover bekend. Enkel slachtoffers en nabestaanden die expliciet hebben aangegeven dat op prijs te stellen worden geïnformeerd resp. geraadpleegd. Slachtoffers en nabestaanden zijn de personen genoemd in art. 51a Sv. Relevante personen zijn andere personen die aantoonbaar betrokken zijn (geweest) bij een strafzaak rond de veroordeelde of die in een directe relatie staan tot de veroordeelde, en wier persoonlijke belangen rechtstreeks geraakt worden door de eventuele invrijheidstelling. Hierbij gaat het enerzijds om personen die van de veroordeelde afhankelijk zijn en anderzijds om personen die een concrete beschermingsbehoefte in relatie tot de v.i. hebben.
Bij personen die van de veroordeelde afhankelijk zijn, gaat het om kinderen van de veroordeelde en anderen die afhankelijk zijn van diens zorg. De belangen van deze personen kan de veroordeelde kenbaar maken in zijn contact met DJI of de reclassering, dan wel in zijn zienswijze op de v.i. meegeven. Van de veroordeelde kan worden verlangd het belang te onderbouwen (bijv. door aan te tonen dat hij het wettelijk gezag over een kind heeft).
Relevante personen zijn daarnaast personen die formeel geen slachtoffer of nabestaande zijn, maar wel een concrete en legitieme beschermingsbehoefte in relatie tot de v.i. hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om personen die de veroordeelde persoonlijk kennen of betrokken waren bij een strafzaak tegen hem (zoals getuigen) en die een actuele, objectief gerechtvaardigde vrees hebben voor hun (fysieke) veiligheid. Van hen kan worden verlangd het belang te onderbouwen. Deze personen kunnen zich melden. Indien zij al bekend zijn in de keten, worden zij mogelijk ook (desgewenst) benaderd voor het geven van een actuele zienswijze.15Betrokkene kan onder meer bekend zijn omdat de rechter de veroordeelde eerder een contactverbod heeft opgelegd (als bijzondere voorwaarde bij een schorsing van de voorlopige hechtenis).
Belangen kunnen enkel mee worden gewogen voor zover deze tijdig bekend zijn en objectief bepaald kunnen worden. Het meewegen van belangen van slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen gaat niet zover dat ieder gevoel van onbehagen of onbegrip aanleiding is om geen v.i. te verlenen.16Kamerstukken I, 2019/2020, 35 122, C, p. 6. De mogelijkheid om een zienswijze te geven (zie par. 3.1.) is voornamelijk bedoeld om een concrete beschermingsbehoefte onder de aandacht te brengen bij de CVv.i. Deze informatie heeft daarmee primair betrekking op eventueel aan de v.i. te verbinden bijzondere voorwaarden, ter bescherming van betrokkenen.
Bij de afweging over de v.i. spelen daarnaast inspanningen van de veroordeelde om de door het strafbare feit veroorzaakte schade te vergoeden een rol.
4.1.4. Overige aspecten
De bovengenoemde aspecten kunnen met elkaar overlappen. Naast deze specifieke aspecten wordt rekening gehouden met andere in aanmerking komende belangen, waaronder de veiligheid van de samenleving en de resocialisatie van de veroordeelde (vgl. art. 6:1:3 Sv).
4.2. Beoordeling en contra-indicaties
De CVv.i. beoordeelt op basis van het dossier of een veroordeelde voor v.i. in aanmerking komt. De toepassing van de v.i.-regeling vraagt om een persoonsgerichte beoordeling. Ook veroordeelden met beperkingen, zoals een verstandelijke beperking of psychische problematiek, kunnen voor v.i. in aanmerking komen. Bij de afweging betrekt het OM onder andere de volgende contra-indicaties.
4.2.1. Ernstige bezwaren of een veroordeling ter zake van een misdrijf
Indien de veroordeelde opnieuw wordt verdacht van een misdrijf dan wel inmiddels een veroordeling is uitgesproken ter zake van een (soortgelijk of ernstig) misdrijf kan dat ongeacht onherroepelijkheid aanleiding vormen om geen v.i. te verlenen of de beslissing over verlening uit te stellen.
4.2.2. Onttrekking
Als (recent) sprake is geweest van een onttrekking met (dreiging met) geweld is dat reden om (nog) geen v.i. te verlenen. Ook als de onttrekking niet voltooid is, wordt hiertoe in beginsel overgegaan. Dit geldt eveneens wanneer een veroordeelde zich onttrekt uit een situatie waarin hij met toestemming buiten de inrichting verblijft en daarbij wordt begeleid of bewaakt of onder direct toezicht staat. Een onttrekking aan incidenteel verlof onder bewaking is een voorbeeld van een dergelijke situatie. Ook overige (pogingen tot) onttrekkingen kunnen aanleiding zijn om de v.i. niet te verlenen of een beslissing over verlening uit te stellen.
4.2.3. Voorwaarden perken risico’s onvoldoende in of onvoldoende medewerking
Is de veroordeelde bij voorbaat niet bereid de algemene voorwaarde of bijzondere voorwaarden na te leven dan vormt dit een contra-indicatie voor de verlening. Dat geldt ook indien de veroordeelde niet meewerkt aan een diagnose of rapportage en risico’s (met name het recidiverisico) niet op andere wijze kunnen worden vastgesteld.17Dit geldt ook in de situatie dat de veroordeelde niet gedetineerd is. Van de veroordeelde mag worden verwacht dat hij meewerkt aan het proces van v.i.-verlening (bijv. vrijwillig in gesprek gaat met de reclassering ten behoeve van de advisering). Is de veroordeelde niet bereikbaar of hier niet toe bereid, dan vormt dit een contra-indicatie. Indien de risico’s voor de samenleving niet te ondervangen zijn met de algemene en bijzondere voorwaarde(n), kan dat grond zijn om geen v.i. te verlenen. Ook als de veroordeelde wel bereid is de voorwaarden na te leven, kan het nodig zijn de beslissing uit te stellen of te beslissen geen v.i. te verlenen. Dat is bijvoorbeeld mogelijk aan de orde als (nog) geen passende behandeling voorhanden is.
4.2.4. Aanvaardbaar verblijfadres
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.