← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van 21 juni 2021, nr. 3366642 houdende voorschriften voor de uitvoering van de controle van personen, bagage en vracht op luchtvaartterreinen (Regeling uitvoering beveiliging burgerluchtvaart 2021)

Geldende tekst a fecha 2022-01-01

Gelet op de artikelen 37a, tweede lid, onder h, sub 2, 37abd, 37aca, derde lid, 37acb, vierde en zesde lid, 37ae, derde lid, 37h, eerste lid, onder c en d, 37hb, onder b, 37j, derde lid, 37o, vierde en vijfde lid, 37ra, derde lid, 37rc, vierde lid, 37rd, derde lid, 37re, tweede lid, 37u, tweede lid, en 37v, tweede lid, van de Luchtvaartwet, de artikelen 15, derde lid, 17, derde lid, 21, vierde lid, en 22, zesde lid, van het Besluit beveiliging burgerluchtvaart en de artikelen 33 en 36 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties;

Besluit:

Treedt in werking op het tijdstip waarop het Uitvoeringsbesluit EG-verordening 300/2008 in werking treedt.

§ 1. Algemeen

Artikel 1
1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

Op de luchtvaartterreinen Amsterdam Airport Schiphol, Rotterdam The Hague Airport, Groningen Airport Eelde en Maastricht Aachen Airport en op het militaire luchtvaartterrein Eindhoven Airport, voor zover het de burgerluchtvaart betreft, worden als beveiligingspersoneel als bedoeld in artikel 37a, tweede lid, onder h, sub 2, van de wet aangewezen de militairen van de Koninklijke marechaussee.

Artikel 3
1.

De exploitant van een luchtvaartterrein legt het beveiligingsprogramma, bedoeld in artikel 37aba van de wet, door tussenkomst van de commandant van de Koninklijke marechaussee over aan de Minister van Justitie en Veiligheid.

2.

Met het oog op de instemming door de Minister van Justitie en Veiligheid in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat adviseert de commandant van de Koninklijke marechaussee de Minister van Justitie en Veiligheid over het beveiligingsprogramma.

Artikel 4
1.

De luchtvaartmaatschappij legt het beveiligingsprogramma, bedoeld in artikel 37abb van de wet, door tussenkomst van de commandant van de Koninklijke marechaussee over aan de Minister van Justitie en Veiligheid.

2.

De luchtvaartmaatschappij waarvan de exploitatievergunning niet in Nederland is verleend, legt op verzoek van de Minister van Justitie en Veiligheid door tussenkomst van de commandant van de Koninklijke marechaussee een verklaring als bedoeld in artikel 37abb, derde lid, van de wet over.

3.

Met het oog op de instemming door de Minister van Justitie en Veiligheid in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat adviseert de commandant van de Koninklijke marechaussee de Minister van Justitie en Veiligheid over het beveiligingsprogramma.

Artikel 5
1.

De aanvraag om instemming van de ingebruikname van detectieapparatuur, bedoeld in artikel 37aca van de wet, wordt door de exploitant van een luchtvaartterrein, de luchtvaartmaatschappij of de entiteit door tussenkomst van de commandant van de Koninklijke marechaussee ingediend bij de Minister van Justitie en Veiligheid.

2.

Met het oog op de instemming door de Minister van Justitie en Veiligheid adviseert de commandant van de Koninklijke marechaussee de Minister van Justitie en Veiligheid over de ingebruikname van de detectieapparatuur.

§ 2. Passagiers en bagage

Artikel 6

Een beveiligingsonderzoek als bedoeld in artikel 37h, eerste lid, onder c en d, van de wet wordt verricht indien bij een verhoogde dreiging op grond van een risicoanalyse de Minister van Justitie en Veiligheid daartoe beslist.

Artikel 7

Verboden voorwerpen als bedoeld in artikel 37hb, onder b, van de wet kunnen slechts aan boord van een luchtvaartuig worden gebracht indien:

§ 3. Vracht en post

Artikel 8

Verboden voorwerpen als bedoeld in artikel 37j, derde lid, van de wet kunnen slechts aan boord van een luchtvaartuig worden gebracht indien deze goederen zodanig zijn verpakt dat onmiddellijk gebruik onmogelijk is.

§ 4. Erkenningen

Artikel 9
1.

De aanvraag voor een erkenning als erkend agent en die voor een erkenning als bekende afzender als bedoeld in artikel 37o, eerste lid, onder a en b, van de wet geschieden door middel van een door de Minister van Justitie en Veiligheid ter beschikking gesteld elektronisch aanmeldingsformulier.

2.

Inschrijving met het oog op opname in de EU-gegevensbank betreffende de beveiliging van de toeleveringsketen van erkend agenten en bekende afzenders, bedoeld in paragraaf 6.3. en 6.4. in de bijlage bij EU-verordening 2015/1998, geschiedt langs elektronische weg, met gebruikmaking van een door de Minister van Justitie en Veiligheid goedgekeurd elektronisch aanmeldingsformulier.

§ 5. Werving en opleiding van personeel

§ 5.1. Eisen aan het opleidingsprogramma van een beveiligingsopleiding

Artikel 10
1.

De gehanteerde didactische methoden of opleidingsvormen, bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder f, van het besluit dragen bij aan het redelijkerwijs met goed gevolg behalen van de eindtermen van een lesonderdeel.

2.

Opleidingen kunnen de vorm aannemen van klassikaal onderwijs, online onderwijs en e-learning.

3.

Bij klassikaal onderwijs zijn de instructeur en de cursist fysiek aanwezig.

4.

Bij de aanvraag om instemming van het opleidingsprogramma wordt bij de beschrijving van een beeldherkenningstraining inzicht gegeven in de technische kenmerken van de programmatuur die daarbij wordt gebruikt.

Artikel 11
1.

Het opleidingsprogramma bevat een examenreglement als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder e, van het besluit waarin in ieder geval is opgenomen:

2.

De kandidaat die met goed gevolg examen heeft gedaan in alle modules van een opleiding ontvangt als bewijs daarvan een certificaat.

Artikel 12
1.

De aanvraag om instemming met het opleidingsprogramma, bedoeld in artikel 37rc van de wet, wordt door tussenkomst van de commandant van de Koninklijke marechaussee ingediend bij de Minister van Justitie en Veiligheid.

2.

Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

3.

De commandant van de Koninklijke marechaussee adviseert de Minister van Justitie en Veiligheid over de aanvraag om instemming.

4.

Indien met de aanvraag wordt ingestemd ontvangt de opleidingsinstelling een exemplaar van het Nationaal Opleidingsplan Beveiliging Burgerluchtvaart.

5.

De aanvraag om instemming van een wijziging van het opleidingsprogramma wordt door tussenkomst van de commandant van de Koninklijke marechaussee ingediend bij de Minister van Justitie en Veiligheid. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

§ 5.2. Eisen aan de organisatie van de opleidingsinstelling

Artikel 13

De opleidingsinstelling verzorgt, al dan niet in samenwerking met een andere opleidingsinstelling die beschikt over een door de Minister van Justitie en Veiligheid overeenkomstig artikel 37rc van de wet goedgekeurd opleidingsprogramma, ten minste eens in het half jaar een herhalingsopleiding als bedoeld in artikel 37ra, derde lid, van de wet.

Artikel 14

Het programma ten aanzien van de interne kwaliteitscontrole, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het besluit, omvat in ieder geval:

§ 5.3. Gecertificeerde instructeurs en gecertificeerd personeel

Artikel 15

Bij de aanvraag tot erkenning als instructeur, bedoeld in artikel 37re van de wet en artikel 21 van het besluit, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

Artikel 16
1.

De organisatie waarvoor beveiligingstaken worden uitgeoefend, draagt zorg voor doorlopende bijscholing van zijn overeenkomstig artikel 22 van het besluit erkend beveiligingspersoneel.

2.

De frequentie waarmee de bijscholing moet worden gedaan is afhankelijk van de aard van de vaardigheden die behoren bij de uitoefening van die beveiligingstaken.

3.

Beveiligingstaken mogen niet worden uitgeoefend door een personeelslid dat niet tijdig is bijgeschoold.

Artikel 17
1.

De taken en bevoegdheden van de Minister van Justitie en Veiligheid, bedoeld in de artikelen 5, 6, 8, 11, 12, 13, 17, 19, 31, 31b, 31c, 33, eerste en derde lid, 34, eerste, vijfde en zesde lid, 34c en 35 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties worden uitgevoerd door de commandant van de Koninklijke marechaussee voor zover het de erkenningen, bedoeld in artikel 21, eerste lid, en 22, eerste lid, van het besluit betreft.

2.

De aanvraag om erkenning van de beroepskwalificaties, bedoeld in artikel 23 van het besluit, wordt ingediend bij de commandant van de Koninklijke marechaussee.

3.

De aanvrager om erkenning van zijn beroepskwalificaties als bedoeld in het tweede lid legt bij zijn aanvraag de volgende voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijnde gegevens en bescheiden over:

4.

Van de gegevens en bescheiden genoemd in het derde lid wordt een beëdigde vertaling in de Nederlandse of Engelse taal overgelegd, indien deze zijn gesteld in een andere taal dan het Nederlands onderscheidenlijk Engels.

5.

Indien uit de overgelegde stukken blijkt dat de gevolgde opleiding onvoldoende kennis en vaardigheden biedt die noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de taak in relatie tot de eisen die aan de beveiliging van de burgerluchtvaart in Nederland worden gesteld, bepaalt de commandant van de Koninklijke marechaussee dat een aanpassingsstage met goed gevolg moet worden afgerond alvorens de beroepskwalificatie wordt erkend.

6.

De commandant van de Koninklijke marechaussee informeert de aanvrager over de te volgen aanpassingsstage en de daarbij behorende vakken en de wijze waarop de aanpassingsstage moet worden gedaan.

§ 5.4. Explosievenspeurhonden

Artikel 18
1.

De aanvraag om instemming van de ingebruikname van explosievenspeurhonden, bedoeld in artikel 37acb van de wet, wordt door de exploitant van een luchtvaartterrein, de luchtvaartmaatschappij of de entiteit door tussenkomst van de commandant van de Koninklijke marechaussee ingediend bij de Minister van Justitie en Veiligheid.

2.

Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende bescheiden overgelegd:

3.

Met het oog op de instemming door de Minister van Justitie en Veiligheid adviseert de commandant van de Koninklijke marechaussee de Minister van Justitie en Veiligheid over de ingebruikname van de explosievenspeurhonden.

Artikel 19
1.

Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om instemming met de ingebruikname van explosievenspeurhonden EDD-team REST bedraagt de vergoeding van kosten, bedoeld in artikel 37acb, zesde lid:

2.

Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om instemming met de ingebruikname van explosievenspeurhonden EDD-team Free Running of EDD-team PSD bedraagt de vergoeding van kosten, bedoeld in artikel 37acb, zesde lid:

§ 6. Mandaten

Artikel 20
1.

De Minister van Justitie en Veiligheid verleent mandaat en machtiging voor de uitoefening van de volgende bevoegdheden en het verrichten van daarbij behorende overige handelingen aan de commandant van de Koninklijke marechaussee:

2.

De commandant van de Koninklijke marechaussee kan voor de aangelegenheden bedoeld in het eerste lid ondermandaat en machtiging verlenen aan de onder hem ressorterende functionarissen.

§ 7. Slotbepalingen

Artikel 21

Ingetrokken worden:

Artikel 22

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitvoering beveiliging burgerluchtvaart 2021.

Artikel 23

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop het Uitvoeringsbesluit EG-verordening 300/2008 in werking treedt.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.