Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 24 juni 2021, nr. 28318215 tot intrekking van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2017 onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2021

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-08-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 13, eerste en derde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht;

Gezien de voordracht van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 16 juni 2021;

Besluiten:

Artikel 1

De volgende beleidsregels worden vastgesteld:

Artikel 2

De volgende beleidsregels worden ingetrokken:

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2021.

Bijlage 1. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op de voorschoolse educatie en het primair onderwijs

Versie per 1 augustus 2025

Samenvatting

Toezicht vereist actualisatie en continue verbetering om effectief te zijn en te blijven. Op basis van evaluaties, ervaringen en actuele ontwikkelingen heeft de Inspectie van het Onderwijs daarom het Onderzoekskader 2017 aangepast.1Over de evaluatie van ons toezicht is een rapport geschreven: Evaluatie vernieuwd toezicht. Voortgangsrapportage 2018/2019. U kunt dit rapport vinden op onze website (www.onderwijsinspectie.nl). Het vernieuwde toezicht dat toen in werking trad, nam de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun scholen en opleidingen als uitgangspunt. Die ontwikkeling zetten we (hiermee wordt in dit document de inspectie bedoeld) door en wordt met dit aangepaste kader verder verstevigd.

In het onderzoekskader is beschreven hoe het toezicht op het onderwijs is ingericht. Het omvat het waarderingskader op grond waarvan we oordelen en waarderen en omschrijft de werkwijze daarvoor.

Centraal in het toezicht op het onderwijs staan de belangen van de leerlingen en studenten. Het doel is het stelsel zo te laten functioneren dat het voorziet in de bagage die voor leerlingen en studenten nu en in hun verdere onderwijsloopbaan en leven essentieel is. Iedereen heeft recht op onderwijs van voldoende kwaliteit en moet erop kunnen vertrouwen dat het onderwijs op een school op orde is. Onze missie, ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’, sluit daarop aan. In ons toezicht waarborgen we de kwaliteit van het onderwijs en stimuleren we de verbetering ervan.

Onze missie wordt gedragen door vijf uitgangspunten. De uitgangspunten hangen met elkaar samen en borduren op elkaar voort. Met elk uitgangspunt afzonderlijk, maar vooral in die samenhang beoogt het toezicht bij te dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijsstelsel. Daarnaast sluit het toezicht aan bij de verantwoordelijkheid die besturen hebben voor het onderwijs, bewaakt het in aanvulling daarop de basiskwaliteit (waarborgen) en wil het beter onderwijs bevorderen (stimuleren). We bepalen de intensiteit van het toezicht per bestuur (proportionaliteit) en houden bij de uitvoering rekening met de organisatiekenmerken en omstandigheden van het bestuur (maatwerk).

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich op drie niveaus, die voortvloeien uit onze wettelijke opdracht(en): op het stelsel, op besturen en op hun scholen. Hierna wordt per niveau toegelicht hoe het toezicht is ingericht.

Het doel van ons toezicht wordt nog steeds aangegeven door onze missie: ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’. Centraal in onze visie staan de maatschappelijke opgaven van het onderwijs: we willen opgavegericht werken. Vanuit die opgaven richten we ons toezicht in en bepalen we waar we als toezichthouder nodig zijn. Om dat goed te doen, kijken we integraal naar het onderwijs en is ons toezicht adaptief. We willen daar zijn waar we het hardst nodig zijn, op een passende en effectieve manier. Daarbij gaan we uit van onze wettelijke taken en houden we uiteraard rekening met wat er politiek en maatschappelijk van ons gevraagd wordt.

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich op de context waarbinnen besturen en hun scholen hun werk doen: we spreken dan over het onderwijsstelsel als geheel. Voor de werking en de kwaliteit van het stelsel beschouwen we onderdelen ervan en de verbanden daartussen. We geven daarmee invulling aan de reflectieve functie van het toezicht: vanwege onze wettelijke taak op stelselniveau reflecteren we op de kwaliteit van het stelsel.

Het stelseltoezicht gaat uit van het belang dat de samenleving als geheel heeft bij het onderwijs: het publieke belang. Als onderdeel daarvan geven we in het toezicht aandacht aan specifieke kansen en bedreigingen, specifieke onderdelen van het stelsel of groepen leerlingen. Als toezichthouder moeten we daarom weten hoe het onderwijs zich ontwikkelt en, als er iets niet goed loopt, de samenleving informeren. De kernfuncties van het onderwijs, kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen – nemen we in ons toezicht als uitgangspunt voor de omschrijving van de kwaliteit van het onderwijsstelsel.

Stelseltoezicht was al onderdeel van het toezicht van de inspectie, maar nieuw is dat we de kwaliteit hebben gedefinieerd in een raamwerk. Dat is geen kader waarmee we een individueel bestuur of een individuele school beoordelen of waarderen, het is een raamwerk om het onderwijs als geheel te beschouwen. Het biedt sturing en focus voor het krijgen van zicht op trends en knelpunten in het stelsel. Op basis daarvan agenderen we de risico’s en interveniëren we, op het niveau van het stelsel, wanneer dat vanuit de stimulerende functie van het toezicht passend of nodig is.

We duiden en waarderen jaarlijks in ‘De Staat van het Onderwijs’ hoe het met de kernfuncties en voorwaarden van het onderwijsstelsel is gesteld. Daarnaast maken we vaak aparte themarapporten.

Besturen zijn ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs op hun scholen van voldoende kwaliteit is en dat het financieel beheer op orde is. Door het aangepaste onderzoekskader worden besturen daarnaast nog nadrukkelijker gestimuleerd om na te denken over hun eigen ambities. Elke vier jaar onderzoekt de inspectie in het ‘Vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen’ de mate waarin het bestuur deze verantwoordelijkheid neemt en of de (be)sturing op de kwaliteit van de scholen op orde is.

Gezien het belang van meer zicht op schoolniveau heeft de inspectie ruimte gecreëerd voor intensiever toezicht op scholen. Daarom was het in 2024 en is het ook in 2025 niet mogelijk de bestuursgerichte vierjaarscyclus volledig uit te voeren. De inzet van de inspectie is vooralsnog om de vierjaarscyclus vanaf 2026 weer volledig uit te voeren, met risico-onderzoek bij risicobesturen en substantieel lichtere, proportionele bezoeken bij jaarlijks ongeveer een kwart van de besturen. We houden daarbij wel rekening met de vraag die er tegelijkertijd ligt om met de beschikbare capaciteit meer scholen te bezoeken en met de (mogelijke) beperkingen die daaruit voortvloeien voor onderzoeken bij besturen. Om deze redenen gebruiken we bij de uitvoering van het toezicht in de praktijk voorlopig de term ‘bestuursonderzoek’, en niet het in dit onderzoekskader gebruikte ‘vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen’.

We beoordelen de kwaliteit van de besturing in het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. De kern van het kwaliteitsgebied is dat het bestuur zorgt voor besturing van de onderwijskwaliteit op de scholen en voor een goede organisatie en kwaliteitscultuur. Uit het oordeel op dit kwaliteitsgebied blijkt of het bestuur in staat is om met zijn (be)sturing de kwaliteit en het financieel beheer van het onderwijs op de scholen te waarborgen en verder te ontwikkelen. Wat nieuw is, is dat het financieel beheer integraal onderdeel van de standaarden in dit kwaliteitsgebied is.

Om te onderzoeken in hoeverre de besturing door het bestuur op orde is, ondernemen we onderzoeksactiviteiten op bestuurs- en schoolniveau die we vooraf vastleggen in een onderzoeksplan. Met verificatie-activiteiten toetsen we bij besturen en scholen in hoeverre het bestuur zicht heeft op de kwaliteit van zijn onderwijs, het financieel beheer en hoe het bestuur daarop stuurt. Zo spreken we onder andere met de medezeggenschapsraad of studentenraad en het interne toezicht. Daarnaast voeren we activiteiten op scholen uit, zoals het voeren van gesprekken met leerlingen, ouders en schoolleiders of het afleggen van lesbezoeken. Ook kunnen we een risico-kwaliteitsonderzoek of een steekproef-kwaliteitsonderzoek uitvoeren. Het onderzoek leidt tot een oordeel of waardering per standaard. Op basis van de beslisregels beoordelen we de besturing ook op het niveau van het gehele kwaliteitsgebied. Dit laatste is voor sommige sectoren nieuw ten opzichte van 2017. De waardering Goed kunnen we op het niveau van de standaard toekennen als het bestuur niet alleen voldoet aan de deugdelijkheidseisen, maar ook ambities realiseert die daarboven uitstijgen. Het rapport van het onderzoek, inclusief de oordelen en waarderingen, maken we openbaar via onze website.

Afhankelijk van de kwaliteit van de besturing en eventuele tekortkomingen bepalen we het vervolgtoezicht. Er kan gekozen worden om het toezicht te intensiveren of juist minder intensief te laten zijn. Dit vervolgtoezicht kan uitgevoerd worden door het bestuur of door de inspectie. Daarnaast is het mogelijk dat er een tussentijds onderzoek plaatsvindt, als dit op basis van bepaalde informatie, zoals signalen of financiële kengetallen, nodig blijkt. Bij een bestuur dat er niet in slaagt zijn besturing op (delen van) de kwaliteit van scholen te waarborgen, voeren wij zelf (delen van) het tussentijds onderzoek uit.

Het bestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs op zijn scholen, waarbinnen schoolleiders hun verantwoordelijkheid voor de sturing van de kwaliteit op school vormgeven. De waarborgfunctie van de inspectie sluit daarop aan. Deze waarborgfunctie wordt versterkt door meer en beter gebruik te maken van signalen en andere gegevens en informatie, waaronder schooleigen informatie zoals het schoolplan. Het toezicht op individuele scholen is daarmee ook aanvullend op wat het bestuur zelf uitvoert en waarover het bestuur zich verantwoordt. Naast verificatie-activiteiten op scholen waar we onderdelen van de kwaliteit onderzoeken, is het mogelijk dat we op het niveau van een school op (een selectie van) standaarden oordelen geven of een waardering uitspreken. Dit doen we bij een risico-kwaliteitsonderzoek en bij een steekproef-kwaliteitsonderzoek. Wanneer wij risico’s signaleren, voeren wij (afhankelijk van de aard van de risico’s) het onderzoek op de school geheel of gedeeltelijk uit. Dit kan zowel binnen als buiten het vierjaarlijks onderzoek plaatsvinden.

Wanneer we een risico-kwaliteitsonderzoek of een steekproef-kwaliteitsonderzoek uitvoeren of overwegen op standaardniveau de waardering Goed toe te kennen gebruiken we standaarden uit het waarderingskader voor scholen. We beoordelen standaarden binnen de kwaliteitsgebieden Onderwijsproces, Veiligheid en schoolklimaat, Onderwijsresultaten en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie.2In het middelbaar beroepsonderwijs gaat het ook om Borging en afsluiting. De standaarden krijgen een oordeel of waardering. Daarnaast kan een school, op basis van een beslisregel, het eindoordeel Zeer zwak, Onvoldoende ofVoldoende (basiskwaliteit) krijgen. De oordelen en/of waarderingen, die vaak onderdeel zijn van het rapport van het vierjaarlijks onderzoek, maken we openbaar via onze website.

Net zoals bij besturen is ook op scholen vervolgtoezicht mogelijk bij tekortkomingen en bij het oordeel Onvoldoende of Zeer zwak. Ook bij scholen is het, zoals hierboven aangegeven, mogelijk dat we tussentijds een risico-kwaliteitsonderzoek uitvoeren, bijvoorbeeld bij ernstige signalen. De intensiteit van het vervolgtoezicht hangt net als bij besturen af van de kwaliteit van het bestuur. We gaan er namelijk van uit dat het bestuur er in eerste instantie zelf voor zorgt dat er effectieve maatregelen worden getroffen.

Een laatste type onderzoek waarbij we scholen bezoeken, is het themaonderzoek. De uitkomsten van themaonderzoeken brengen we op verschillende manieren onder de aandacht van besturen, scholen en de samenleving.

Hierboven is het toezicht op het funderend onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs beschreven. Voor elke sector is een specifiek onderzoekskader gemaakt op basis van de relevante wet- en regelgeving en de ontwikkelingen in de sector. Daarnaast zijn er specifieke toepassingen van en uitzonderingen op het reguliere onderzoekskader, zoals bij de samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs en bij onderwijssoorten en voorzieningen waarvoor specifieke wet- en regelgeving geldt.

In het onderzoekskader is beschreven hoe het toezicht is vormgegeven en wat de inspectie verwacht van het onderwijs. Uiteindelijk begint de verantwoordelijkheid voor beter onderwijs voor alle leerlingen op de school zelf. Het bestuur kan scholen daarin activeren en dit borgen. De inspectie zal hierop toezien, zo nodig ingrijpen en verdere kwaliteitsverbetering stimuleren.

Het onderwijs verandert voortdurend door nieuwe ontwikkelingen in de samenleving. Daarom is het nodig het toezicht op (de kwaliteit van) het onderwijs regelmatig aan te passen. In 2017 is het toezicht vernieuwd. Sinds die tijd is de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun scholen het uitgangspunt voor het toezicht. In het toezicht op het onderwijs in Nederland gaat het om de leerlingen en studenten.

De inspectie heeft inmiddels enkele jaren ervaring opgedaan met het onderzoekskader van 2017. Na evaluatie stellen we het toezicht bij. Dit doen we niet alleen op grond van de opgedane ervaringen, maar ook op basis van actuele ontwikkelingen, verbetersuggesties vanuit het onderwijsveld en aanpassingen in beleid en wet- en regelgeving. In het voorliggende onderzoekskader zijn deze bijstellingen verwerkt. Hierin gaan we uit van de wettelijke taken van de inspectie en de voorschriften in wet- en regelgeving zoals deze voor de desbetreffende sectoren gelden. Daarnaast zijn de uitgangspunten voor het toezicht, zoals al geformuleerd in het Onderzoekskader 2017, verder verankerd in dit herziene onderzoekskader.3We baseren ons op de versie die op 22 juni 2020 is vastgesteld. Het onderzoekskader wordt namelijk elk jaar geactualiseerd vanwege wijzigingen in de wet- en regelgeving.

Het onderwijs verandert voortdurend door nieuwe ontwikkelingen in de samenleving. Daarom is het nodig het toezicht op (de kwaliteit van) het onderwijs regelmatig aan te passen. In 2017 is het toezicht vernieuwd. Sinds die tijd is de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun scholen het uitgangspunt voor het toezicht. In het toezicht op het onderwijs in Nederland gaat het om de leerlingen en studenten.

De inspectie heeft inmiddels enkele jaren ervaring opgedaan met het onderzoekskader van 2017. Na evaluatie stellen we het toezicht bij. Dit doen we niet alleen op grond van de opgedane ervaringen, maar ook op basis van actuele ontwikkelingen, verbetersuggesties vanuit het onderwijsveld en aanpassingen in beleid en wet- en regelgeving. In het voorliggende onderzoekskader zijn deze bijstellingen verwerkt. Hierin gaan we uit van de wettelijke taken van de inspectie en de voorschriften in wet- en regelgeving zoals deze voor de desbetreffende sectoren gelden. Daarnaast zijn de uitgangspunten voor het toezicht, zoals al geformuleerd in het Onderzoekskader 2017, verder verankerd in dit herziene onderzoekskader.3We baseren ons op de versie die op 22 juni 2020 is vastgesteld. Het onderzoekskader wordt namelijk elk jaar geactualiseerd vanwege wijzigingen in de wet- en regelgeving.

1.2. Waar houden we toezicht op?

1.1. Inleiding

Het onderzoekskader heeft betrekking op alle besturen en scholen die onderwijs verzorgen op basis van de onderwijswetten, zoals in onderstaand tekstkader weergegeven.4Hieronder vallen: besturen van en scholen voor primair onderwijs, scholen voor speciaal basisonderwijs, voorzieningen voor onderwijs aan nieuwkomers, internationaal georiënteerd basisonderwijs (igbo), orthopedagogisch-didactische centra (opdc), het toezicht op gemeenten in het kader van kinderopvang en voor- en vroegschoolse educatie, locaties voor voorschoolse educatie en besturen en scholen voor het onderwijs in Caribisch Nederland. Voor het toezicht op niet-bekostigde instellingen en Nederlands onderwijs in het buitenland zijn separate onderzoekskaders vastgesteld. Daarnaast houdt de inspectie toezicht op de besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Besturen, scholen, opleidingen en besturen van samenwerkingsverbanden zijn onze objecten van toezicht.

In de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) staat in artikel 3, eerste lid, onder meer dat de inspectie toeziet op de naleving van de onderwijswet- en regelgeving, de taak heeft om de ontwikkeling van het onderwijs en de kwaliteit daarvan te bevorderen, en de taak heeft om de financiële rechtmatigheid, – doelmatigheid en -continuïteit te beoordelen en bevorderen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.