← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 26 augustus 2021 nr. DGBI/212 14 203, inzake de verlengbaarheid van vergunningen voor landelijke commerciële radio-omroepen in de FM-band

Geldende tekst a fecha 2021-08-31

Gelet op artikel 18, tweede lid, aanhef en onder a, van het Frequentiebesluit 2013;

Besluit:

Artikel 1

De vergunningen voor landelijke commerciële radio in de FM-band, genoemd in kolom 1 van tabel 1, zijn verlengbaar om redenen van algemeen economisch belang, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel a, van het Frequentiebesluit 2013.

Kavel Dossiernummer
Kavel A01 5055301
Kavel A02 5055305
Kavel A03 5055302
Kavel A04 5055306
Kavel A05 5055307
Kavel A06 5055303
Kavel A07 6815880
Kavel A08 6634716
Kavel A09 5797976
Artikel 2

Een vergunning als bedoeld in artikel 1 is verlengbaar voor een vaste periode die aanvangt op 1 september 2022 en loopt tot en met 31 augustus 2025.

Artikel 3

Indien een vergunning als bedoeld in artikel 1 wordt verlengd, wordt zij met ingang van 1 september 2022 gewijzigd overeenkomstig bijlage 1.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Artikel 5

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verlengbaarheid vergunningen landelijke commerciële radio FM-band 2021.

Bijlage 1. Wijzigingen te verlengen vergunningen landelijke commerciële radio-omroepen voor de FM-band

De artikelen behorende bij de vergunningen, bedoeld in artikel 1 van het besluit, worden bij een bij een als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 komt de definitie ‘andere instelling’ te vervallen.

B

In artikel 5, eerste lid, wordt ‘instellingen’ telkens vervangen door ‘rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’.

C

In artikel 5, eerste lid, wordt ‘instelling’ telkens vervangen door ‘rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’.

D

In artikel 5, eerste lid, wordt ‘vergunninghouder’ telkens vervangen door ‘vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen’

E

In artikel 5, tweede lid, wordt ‘instellingen’ telkens vervangen door ‘rechtspersonen’.

F

In artikel 5, tweede lid, wordt ‘instelling’ vervangen door ‘rechtspersoon’.

H

In artikel 5, tweede lid, wordt ‘artikel 6.24 van de Mediawet 2008’ telkens vervangen door ‘artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep’.

I

In het laatste artikel wordt telkens ‘31 augustus 2022’ vervangen door: ‘31 augustus 2025’.

Bijlage 2

Concept-vergunning voor digitale radio-omroep (11C)

Artikel 1. Definities

Artikel 2. Gebruiksrecht

Artikel 3. Samenwerking vergunninghouders

Artikel 4. Technische beschrijving

Artikel 5. Registratie van frequentieruimte

Artikel 6. Ingebruiknameverplichting

Artikel 7. Wegnemen belemmeringen

Artikel 8. Beperkingen ter uitvoering van de Beleidsregel storing door het gewenste signaal van radiozendapparaten

Artikel 9. Kennisgeving ingebruikname

Artikel 10. Correspondentie

Artikel 11. Duur van de vergunning

Deze vergunning is geldig van tot en met 31 augustus 2025.

Bijlage 3

Bijlage Allotment 11C

Allotment HOL2201H, HOL2202H en HOL2203H met frequentieblok 11C wordt samengevat weergegeven als “allotment 11C”.

Het spectrummasker, bedoeld in artikel 4, tweede lid, is als volgt:

Bron: GE06 pagina 169

De tabel voor protectieverhoudingen zoals bedoeld in artikel 4, derde lid is als volgt:

De technische beschrijving, bedoeld in artikel 4, eerste lid, luidt als volgt:

De landelijke DAB-laag 2 heeft de omtrek beschreven in figuur 2. Deze laag is opgebouwd uit de GE06 T-DAB allotments HOL2201H, HOL2202H, HOL2203H. Indien niet anders genoemd, worden de drie genoemde allotments in het verdere verloop van deze bijlage gezien als één samengesteld allotment.

HOL2201H Noord-Nederland

HOL2202H Brabant en Zeeland

HOL2203H Limburg

Gedurende GE06 is een aantal nadere afspraken gemaakt met de Nederland omringende landen. Deze afspraken bevatten in essentie hetgeen is weergeven in de onderstaande tabellen.

De vergunninghouder respecteert de afspraken die Nederland heeft gemaakt. De volledige afspraken zijn opgenomen in bijlage II. Bij tegenstrijdigheid van de samenvatting in de tabellen en de afspraken, opgenomen in bijlage II, prevaleren de laatstgenoemde.

De bilaterale afspraken zijn een verbijzondering van de algemene planningscriteria van GE06 met als doel incompatibiliteiten tussen de assignments of allotments in het GE06-plan op te heffen. De implementatie moet zowel voldoen aan GE06 als aan de aanvullende voorwaarden in de onderstaande tabellen.

Indien in de tabellen geen aanvullende beschermingseisen zijn gesteld, dan mag een actueel netwerk evenveel interferentie produceren als een referentienetwerk.

Tabel 1 geeft de afwijkingen weer van de acceptatie van veldsterkten door, en bescherming van, buitenlandse allotments in overeenstemming met de procedure, bedoeld in artikel 5 jo. Section II of Annex 4 ‘Examination of conformity with the digital Plan entry’ GE06.

Bijlage 4

Bijlage Kennisgeving ingebruikname en technische beschrijving

A. Kennisgeving ingebruikname

Het format zoals bedoeld in artikel 5 en artikel 9 van de vergunning is opgenomen op de USB-stick.

B. Technische beschrijving

De technische beschrijving zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, is ook opgenomen op de USB-stick. Deze bestaat uit de volgende onderdelen:

Bijlage 5

Bijlage Toelichting

I. Algemeen

1. Inleiding

Met de onderhavige vergunning worden de frequentiegebruiksrechten geregeld voor digitale radio-omroep. De in de vergunning opgenomen frequentie-indeling volgt uit internationale afspraken gemaakt tijdens de internationale conferentie in Genève in 2006 (GE06) en bilaterale afspraken tussen lidstaten, die als doel hebben om de inzetbaarheid en beschikbaarheid van de frequentieruimte voor digitale omroep in Nederland zo goed mogelijk passend te maken. Van alle geldende afspraken zijn overzichten met voorwaarden en beperkingen samengesteld, die u in de bijlagen aantreft. De frequentieruimte bestaat uit een enkel frequentieblok dat in drie vast omlijnde geografische gebieden in Nederland inzetbaar is (allotments HOL2201H, HOL2202H, HOL2203H).

2. Beschikbaarheid van frequentieruimte

De frequentieruimte bedoeld in de vergunning bevindt zich in Band III binnen het frequentiebereik 219,584-221,120 MHz (frequentieblok 11C). Allotment 11C is een samenstel van de hierboven genoemde allotments met frequentieblok 11C.

3. Voorschriften en beperkingen

Aan het gebruik van frequentieruimte is een aantal voorschriften en beperkingen verbonden. Het frequentiegebruik is gebonden aan een spectrummasker. Een spectrummasker is ingesteld om doelmatig ethergebruik te bevorderen en te faciliteren dat aan de technologie verder geen bijzondere eisen worden gesteld. Door toepassing van een spectrummasker wordt eventuele storing op naastliggende frequentieblokken van andere vergunninghouders (zogenoemde nabuurkanaalinterferentie) beperkt.

Onderzoeksresultaten tonen aan dat nabuurkanaalinterferentie hinderlijke storing veroorzaakt indien op de ontvangstlocatie het vermogensverschil tussen de ontvangstsignalen van de twee (T-DAB) netwerken tussen de eerste nabuurkanalen met meer dan 23 dB wordt overschreden.

De vergunninghouder behoort zijn netwerken uit te rollen volgens het principe van good engineering practice. Daarmee kan reeds veel storing worden voorkomen. De houder van een vergunning voor digitale radio-omroep mag, binnen de grenzen van de vergunning, zelf bepalen waar hij welke zender in gebruik neemt. Ook mag hij een zender verplaatsen binnen de grenzen van de vergunning. Daarnaast kunnen vergunninghouders problemen van nabuurkanaalinterferentie zelf voorkomen en oplossen.

Er zijn meerdere oplossingsrichtingen geschikt voor het voorkomen van nabuurkanaalinterferentie, onder andere:

Uiteraard zal in veel gevallen overleg met de andere vergunninghouder(s) van belang zijn bij het kunnen oplossen of voorkomen van nabuurkanaalinterferentie.

4. Samenwerking tussen de verschillende vergunninghouders

Het frequentieblok wordt vergund aan (maximaal) 9 vergunninghouders, waarbij iedere vergunninghouder 1/9e deel van de capaciteit krijgt toebedeeld in een gelijk deel van het frequentiespectrum. Technisch gezien dienen de vergunninghouders daarom één gezamenlijk netwerk uit te (doen) rollen. Met het oog hierop is in artikel 3.21 van de Telecommunicatiewet bepaald dat vergunninghouders een samenwerkingsovereenkomst moeten sluiten, zie ook de toelichting bij artikel 3.

De vergunninghouder dient zijn radioprogramma uit te zenden in ten minste met FM-vergelijkbare stereo geluidskwaliteit althans een geluidskwaliteit die ten minste vergelijkbaar is met de geluidskwaliteit die kan worden behaald met een AAC+ 48 kb/s stereo-uitzending. De laatste toevoeging is gekozen om digitaal ‘handen en voeten’ te geven aan het analoge begrip FM-stereokwaliteit. Uiteraard mag, binnen de grenzen van zijn vergunning, de houder kiezen voor een hoger kwaliteitsniveau. Daarnaast mag de vergunninghouder de eventueel overgebleven ruimte binnen de aan hem toegewezen capaciteit ook gebruiken voor andere omroepdiensten dan radio. Dit volgt ook uit de bestemming in het Nationaal Frequentieplan 2014 (hierna: NFP).

Mocht – om wat voor reden dan ook – een of meer van de vergunningen worden ingetrokken krachtens artikel 3.19 van de Telecommunicatiewet, dan gaat de resterende capaciteit van rechtswege en pro rato tijdelijk over naar de overgebleven vergunninghouders. Dit is geregeld in artikel 2, vijfde lid, van de vergunning. Na de intrekking zal die vergunning in beginsel opnieuw verdeeld worden. Alsdan zal de capaciteit van 1/9e deel vergund worden aan de nieuwe vergunninghouder.

Verder is relevant dat de gewenste bitrate per type programma kan verschillen. De nuances van klassieke muziek vergen doorgaans een hogere bitrate dan de bitrate die is benodigd voor het overbrengen van spraak. In de onderlinge verschillen in bitrate is voorzien door te regelen dat de vergunninghouders afspraken kunnen maken over het ‘verdelen’ van capaciteit aan elkaar. Randvoorwaarde is wel dat de vergunninghouder zijn analoge radioprogramma ook digitaal uitzendt in de minimaal voorgeschreven stereo geluidskwaliteit en het NFP in acht neemt.

Een samenwerkingsverband treedt niet in de plaats van de verplichtingen van de vergunninghouder. Deze blijft daarvoor zelf rechtens aanspreekbaar. Iedere vergunninghouder is verplicht om zijn vergunningvoorschriften na te komen ongeacht een samenwerkingsverband.

5. Overig

Ten aanzien van de te gebruiken technologie zijn geen bijzondere eisen gesteld. Wel is een spectrummasker voorgeschreven (zie bijlage I).

6. Consultatie

Een ontwerp van deze vergunning is van 31 mei 2021 tot en met 13 juli 2021 geconsulteerd. Er zijn geen zienswijzen ontvangen die zien op de ontwerp-vergunning.

II. Artikelsgewijs

Artikel 1

In artikel 1 zijn de definities opgenomen.

Artikel 2

In artikel 2 is het gebruiksrecht opgenomen. Verder is de bestemming van de vergunning gekoppeld aan de bestemming in het geldende NFP, zodat wijzigingen in het NFP direct doorwerken in de vergunning. Ook is de minimale geluidskwaliteit kwalitatief voorgeschreven en is geregeld hoe eventueel bitrates kunnen worden uitgeruild.

Artikel 3

In artikel 3, eerste en tweede lid, is geregeld dat de overeenkomst, bedoeld in artikel 3.21 van de Telecommunicatiewet, (schriftelijk) dient te worden aangegaan en dat een afschrift hiervan en de wijzigingen daarop onmiddellijk aan de Minister dienen te worden verstrekt. Het is mogelijk dat een vergunning voor digitale omroep al dan niet op aanvraag wordt ingetrokken. In dat geval komt er een vergunning voor uitgifte beschikbaar. De nieuwe vergunninghouder zal dan tot de samenwerkingsovereenkomst moeten toetreden. Het vijfde lid zorgt ervoor dat die toetreding op basis van non-discriminatoire voorwaarden geschiedt.

De vergunninghouders worden geconfronteerd met de situatie dat zij gezamenlijk een netwerk dienen uit te rollen. De leden drie tot en met vijf zijn bedoeld om de samenwerking te stimuleren. Het derde lid bevat voorschriften om de samenwerking te bespoedigen en de kans op conflicten te minimaliseren. De gezamenlijke vergunninghouders dienen daarom met een rechtspersoon een overeenkomst te sluiten in de zin van artikel 10.15, tweede lid, onder b, van de Telecommunicatiewet. Deze rechtspersoon legt namens de vergunninghouders het elektronische communicatienetwerk aan en houdt deze voor hen in stand. Er gelden geen beperkingen aan de keuze van een bepaalde rechtspersoon.

Het toezicht door de Minister is alleen gericht op de naleving van de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften inclusief de vergunning. De gezamenlijke vergunninghouders kunnen uiteraard wel civielrechtelijk eventueel geleden schade of sancties verhalen op de partij die in gebreke blijft.

Verder is bepaald dat het contract met de rechtspersoon verplicht dat het niet voldoen aan de contractuele verplichtingen van één of meerdere samenwerkende vergunninghouders geen gevolgen heeft voor de overige vergunninghouders die wel hun afspraken nakomen. Met dit voorschrift wordt beoogd te bereiken dat in de wisselwerking tussen de vergunninghouders en de rechtspersoon die namens hen het netwerk uitrolt, gekozen wordt voor die vorm van samenwerking waarbij de kans op succes zo groot mogelijk is.

Artikel 4

Artikel 4 verwijst naar het voorgeschreven spectrummasker 1 van figuur 1 in bijlage I en naar de overige technische voorwaarden verbonden aan het gebruik van de frequentieruimte. In figuur 1 van bijlage I worden drie spectrummaskers weergegeven. Het voorgeschreven spectrummasker 1 betreft het masker voor niet-kritische omstandigheden. Het spectrummasker regelt de maximale bandbreedte van het radiosignaal en is van belang om doelmatig ethergebruik te bevorderen. De voorwaarden zijn opgesomd in bijlage I van deze vergunning. Het spectrummasker toont een grafische weergave van een (denkbeeldige) omhullende dempingswaarde in een frequentieblok waarbinnen het frequentiegebruik kan plaatsvinden. Gezien het toenemend gebruik van frequentieruimte in Band III en daarmee de toenemende kans op nabuurkanaalinterferentieproblemen, wordt echter geadviseerd om spectrummasker 2 voor kritische omstandigheden te hanteren.

Voor het voorkomen van nabuurkanaalinterferentie dient de vergunninghouder het netwerk dusdanig te ontwerpen dat men voldoet aan de protectieverhoudingen zoals opgenomen in tabel 3 van bijlage I. Door de Universiteit Twente (Schiphorst, R., A T-DAB field trial using a low-mast infrastructure, University of Twente, paragraaf 4.5.5, november 2006) is onderzoek gedaan naar nabuurkanaalinterferentie. De tabel en de keuze voor spectrummasker 1 in bijlage I van deze vergunning is mede op dit onderzoek gebaseerd. De gebruikte verhouding van 23 dB in tabel 3 van bijlage I is gebaseerd op een statistisch gecorrigeerde protectieverhouding bij eerste nabuurkanaalinterferentie. Daarnaast is rekening gehouden met ervaringen met digitale omroep in Verenigd Koninkrijk. Om inzicht te verkrijgen omtrent de omvang van de nabuurkanaalinterferentie kunnen de nabuurkanaalinterferentieberekeningen volgens de in de GE06 overeenkomst beschreven procedures en het planningsmodel ITU-R P1546 als uitgangspunt worden genomen. Verder geeft publicatie EBU Tech 3391 Guidelines for DAB network planninginzicht in de aanpak van nabuurkanaalinterferentie in de praktijk in Verenigd Koninkrijk (https://tech.ebu.ch/publications/tech3391). Bovengenoemde onderzoeken kunnen ook worden opgevraagd bij Agentschap Telecom.

In bijlage I wordt omschreven in welk geografisch gebied binnen Nederland de allotments kunnen worden gebruikt en onder welke voorwaarden. Het geografische gebied is geschetst aan de hand van tijdens GE06 afgesproken grenspunten. Het allotment 11C bestaat uit de aaneengeschakelde allotments HOL2201H, HOL2202H en HOL2203H. Op de bijgesloten USB-stick staan de geografische grenzen van elk allotment nader gespecificeerd en is ook informatie te vinden over de ligging van een allotment ten opzichte van andere allotments. De samenwerkende vergunninghouders moeten hun netwerk zo inrichten dat voldaan wordt aan de waarden bedoeld in bijlage I.

Artikel 5

Dit artikel beschrijft de procedure om opgenomen te worden in het Master International Frequency Register(MIFR), het frequentieregister van de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU). Dit register is ingesteld om in het geval van storing tussen zenders te kunnen bepalen wie (internationaal) welke rechten heeft ten aanzien van het gebruik van de betwiste frequentieruimte. Opname in het register gaat per zenderopstelpunt (assignment) en kan niet voor een geheel allotment plaatsvinden.

Omdat deze vergunning frequentiegebruiksrechten in de vorm van allotments bevat, opdat een vergunninghouder zijn eigen netwerk kan plannen, moet – indien de vergunninghouder voor zijn frequentiegebruik internationaal gezien bescherming wenst – elk opstelpunt worden aangemeld bij het MIFR. De procedure is facultatief, echter internationale bescherming van de frequentieruimte is volgens de ITU-regels pas bij inschrijving in het MIFR definitief. Agentschap Telecom adviseert om die reden inschrijving in het MIFR en zal de inschrijving faciliteren.

Artikel 6

Dit artikel regelt de ingebruiknameverplichting voor deze vergunning. Technisch gezien moeten alle vergunninghouders van eenzelfde allotment gebruikmaken van hetzelfde netwerk. Er is reeds een bestaand netwerk in gebruik.

De achtergrond van de ingebruiknameverplichting is de garantie dat er door de vergunninghouder geïnvesteerd wordt in een uitzendnetwerk voor digitale radio. Daarbij is gekozen voor een verplichting van een geografische verzorging op ten minste het verzorgingsniveau ‘mobiele ontvangst’ en een demografische verzorging op tenminste het verzorgingsniveau ‘binnenontvangst’.

Onder geografische verzorging binnen een allotment wordt verstaan de verzorging in het allotment inclusief binnenwater en exclusief buitenwater. Het is aan de vergunninghouder zelf om te beslissen waar hij binnen het allotment zijn geografische en demografische verzorging realiseert, mits er geen afbreuk wordt gedaan aan de in het eerste en tweede lid genoemde verzorging.

Het tweede lid legt de minimaal te realiseren veldsterkte vast die de vergunninghouder moet realiseren bij naleving van de ingebruiknameverplichting. De te behalen veldsterkteniveaus zijn afkomstig van de in GE06 vastgelegde afspraken. Met deze veldsterktewaardes, welke voor 50% tijd en plaats waarschijnlijkheid gelden op 10 meter hoogte, is de kans op goede ontvangst op een gegeven locatie 99% voor mobiele ontvangst en 95% voor binnenontvangst op 1,5 meter hoogte. De verrekening van het effect van het verschil in ontvangstantennehoogte kan bepaald worden middels tabel 3-3 van GE06.

Bij het bepalen van deze norm is rekening gehouden met terrein en morfologische eigenschappen.

De ingebruiknameverplichting is gebaseerd op het uitgangspunt dat digitale etherradio minimaal een volwaardig alternatief zal worden voor analoge FM-ontvangst, zodat dat de consument zowel in de auto als binnenshuis goede ontvangst kan ervaren en daadwerkelijk kan profiteren van de voordelen die digitale etherradio biedt.

Artikel 7

Artikel 7 regelt het oplossen van storingsproblematiek op binnenhuisbekabeling bij consumenten thuis, voor zover het de ontvangst van kabeltelevisie betreft. De reden hiervoor is dat de frequentieruimte die zich bevindt in Band III, en daarmee ook de frequentieruimte genoemd in deze vergunning, ook voor de verspreiding van televisiesignalen via kabelnetwerken gebruikt wordt. In beginsel beïnvloeden beide netwerken elkaar niet tenzij bepaalde stoorspanningsgrenswaarden worden overschreden.

In het artikel zijn de condities benoemd waaronder de vergunninghouder de kosten dient te dragen voor de oplossing van de storing. De in artikel 7 genoemde signaalniveaus zijn afgeleid uit het rapport ‘De interferentie nader in kaart gebracht’, 2000, van de Rijksdienst voor Radiocommunicatie.

Artikel 8

Ingevolge artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013 is de Minister van Economische Zaken en Klimaat bevoegd om aan een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte voorschriften en beperkingen te verbinden ter voorkoming van storingen of belemmeringen door het gewenste signaal van een radioapparaat in andere apparaten. De Minister heeft, onverminderd de bepalingen ten aanzien van interferentie in kabeltelevisienetwerken bedoeld in artikel 7, als vaste beleidslijn in iedere vergunning waarin géén voorschriften over het maximale zendvermogen zijn opgenomen, het voorschrift op te nemen dat de vergunninghouder geen ontoelaatbare belemmeringen door het gewenste signaal mag veroorzaken. Deze beleidslijn is vastgelegd in de Beleidsregel storing door het gewenste signaal van radiozendapparaten.

Artikel 9

Wanneer wijzigingen in het gebruik van de frequentieruimte plaatsvinden, zoals de ingebruikname, informeert de vergunninghouder Agentschap Telecom uiterlijk vier weken voorafgaand aan de beoogde wijziging. Dit is van belang om snel maatregelen te kunnen nemen bij eventuele storingen, zoals storing op kabelnetwerken of op buitenlandse allotments. Storing kan worden voorkomen door goede voorlichting. Sinds 1 januari 2011 verzorgt het Antennebureau de publieksvoorlichting over interferentie op de ontvangst van kabeltelevisie. Voor meer informatie kan contact worden opgenomen met het Antennebureau. De contactgegevens zijn via http://www.antennebureau.nl te raadplegen.

De technische gegevens behorende bij de kennisgeving van ingebruikname zoals bedoeld in artikel 9 dient conform circulair letter CR262 en in elektronische vorm (GE06 ITU Terrasys format) te worden aangeleverd. Een voorbeeld van dit format en CR262 zijn opgenomen op de USB-stick, onderdeel van bijlage II. Indien u tevens het gebruik van uw frequentieruimte wilt (laten) notificeren in het MIFR kunt u dit kenbaar maken.

Artikel 10

In artikel 10 wordt de wijze van correspondentie geregeld van vergunninghouders aan Agentschap Telecom. De mogelijkheid bestaat om bijvoorbeeld (een) samenwerkende vergunninghouder(s) of een operator te machtigen om voor de vergunninghouder(s) meldingen te doen bij Agentschap Telecom. De machtigingsbepaling kan indien gewenst worden opgenomen in de samenwerkingsovereenkomst. Wel dient ook de gemachtigde gebruik te maken van het formulier bedoeld in bijlage II en dienen de gegevens elektronisch te worden aangeleverd bij Agentschap Telecom.

Artikel 11

Dit artikel regelt de inwerkingtreding en looptijd van de vergunning.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.