Besluit van 27 augustus 2021 tot uitvoering van de Wet inburgering 2021 (Besluit inburgering 2021)

Type AMvB
Publication 2026-04-02
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 3. De inburgeringsplicht

Hoofdstuk 2. Inburgeringsplichtig

Hoofdstuk 5. De taak van het college

Hoofdstuk 6. Sociale lening

Hoofdstuk 7. Handhaving

Hoofdstuk 8. Overheidscertificering en keurmerk

Hoofdstuk 9. Informatiebepalingen

Hoofdstuk 10. Financiële bepalingen

Hoofdstuk 11. Wijziging van andere algemene maatregelen van bestuur

Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 12.1. Intrekken Besluit inburgering

Het Besluit inburgering wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op degene op wie de Wet inburgering van toepassing was op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet.

Artikel 12.1a. Overgangsrecht Besluit inburgering
1.

In afwijking van artikel 4.13, vierde lid, van het Besluit inburgering, wordt de schuld, bedoeld in dat artikel, door Onze Minister ambtshalve, geheel of gedeeltelijk kwijtgescholden volgens de bij regeling, krachtens artikel 4.13, eerste lid, van dat besluit, aangewezen gevallen.

2.

In artikel 4.5, eerste lid, van het Besluit inburgering, wordt «over de maand oktober» gelezen als «over de maand september».

3.

Bij de vaststelling van het termijnbedrag op grond van artikel 4.8 van het Besluit inburgering stelt Onze Minister de draagkracht van de debiteur ambtshalve vast overeenkomstig artikel 4.10 van het Besluit inburgering. Het termijnbedrag wordt in afwijking van artikel 4.7, tweede lid, van het Besluit inburgering lager vastgesteld indien het bedrag van de draagkracht lager is dan de hoogte van het maandelijkse termijnbedrag, bedoeld in dat artikel. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop de draagkracht van de debiteur wordt vastgesteld.

4.

Het college kan desgevraagd, of uit eigen beweging, begeleiding aanbieden aan degene die:

5.

Voor de toepassing van artikel 2.4a, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering op verzoeken ingediend op of na 1 januari 2024 luidt de formule: M * 48 * 6, waarbij M staat voor het minimumuurloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.

6.

Onze Minister verleent de inburgeringsplichtige vrijstelling van het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit inburgering, indien hij de module Arbeidsmarkt en Participatie, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de wet, succesvol heeft afgerond.

Artikel 12.2. Inwerkingtredingsbepaling
1.

Indien het bij koninklijke boodschap van 3 juni 2020 ingediende voorstel van wet houdende regels over inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering 2021) (Kamerstukken 35 483) tot wet is of wordt verheven en die wet in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.

2.

In afwijking van het eerste lid, treedt artikel 8.1, derde lid, van dit besluit, in werking met ingang van 1 januari van het eerste kalenderjaar na inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 12.3. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit inburgering met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin het zal worden geplaatst.

Bijlage. Participatieverklaring als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 maart 2021, nr. 2021000492

Gelet op de artikelen 3, vierde en vijfde lid, 4, tweede lid, 5, vierde en vijfde lid, 6, zevende en achtste lid, 7, vierde en vijfde lid, 9, tweede lid, 10, 12, tweede lid, onderdeel a en b, 13, vierde lid, 14, vierde lid, 15, vijfde en zesde lid, 17, tweede en vierde lid, 20, eerste lid, derde tot en met vijfde lid, 21, eerste en vijfde lid, 23, tweede lid, 26, tweede lid, 32, tweede lid, 36, 38, 39, eerste lid, 40, vierde en zevende lid, 41, derde lid, 42, vierde lid, van de Wet inburgering 2021, artikel 38, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, en artikel 107, negende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 juni 2021, nr. W12.21.0078/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 augustus 2021, nr. 2021-0000133440,

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Afdeling 1. Inburgeringsplichtig

Artikel 2.1. Voortduren inburgeringsplicht bij tijdelijke beëindiging
1.

De inburgeringsplicht eindigt niet, indien de vreemdeling direct aansluitend op de periode waarin hij op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet inburgeringsplichtig was of op de termijn, bedoeld in artikel 3.82, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft verkregen.

2.

De inburgeringsplicht wordt geacht niet te zijn geëindigd, indien de vreemdeling tussen twee tijdvakken waarin hij op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet inburgeringsplichtig was, gedurende een tijdvak van maximaal een jaar:

Artikel 2.2. Tijdelijke verblijfsdoelen
1.

Het doel van het verblijf in Nederland van de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, indien die verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met:

2.

Het doel van het verblijf van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, verleend onder een andere beperking dan bedoeld in het eerste lid, is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, indien zulks met toepassing van artikel 3.5, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is bepaald.

3.

Het doel van het verblijf van de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de Vreemdelingenwet 2000 is niet tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet.

Afdeling 2. Vrijstellingen

Artikel 2.3. Vrijstelling aantoonbaar voldoende ingeburgerd

Onze Minister verleent de vrijstelling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de wet, indien:

Artikel 2.4. Aanwijzing adviserende instelling over vrijstellende opleidingen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.