Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 augustus 2021, nr. 2021-0000130089, tot uitvoering van de Wet inburgering 2021 (Regeling inburgering 2021)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-04-18
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 1, tweede lid, 4, eerste lid, onderdeel b en d, en derde lid, 5, derde lid, 7, derde lid, 10, 14, vijfde lid, 21, tweede lid, 24, tweede lid, 32, eerste lid, 34, vierde lid, en 39, tweede lid, van de Wet inburgering 2021, de artikelen 2.4, 2.5, 2.7, zesde en zevende lid, 2.8, vijfde lid, 3.2, vierde lid, 3.4, tweede lid, 3.5, vierde lid, 3.6, eerste lid, 3.7, eerste en tweede lid, 3.9, vijfde lid, 3.11, 3.12, 3.13, 3.14, achtste lid, 3.15, vijfde lid, 3.16, vijfde lid, 4.3, tweede lid, 6.2, zevende lid, 6.3, derde lid, 6.6, tweede lid, 6.8, eerste en derde lid, 6.9, tweede lid, 6.11, derde lid, 6.13, 7.2, derde lid, 8.2, achtste lid en 10.3, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit inburgering 2021, de artikelen 2.8, vijfde lid, en 3.3 van het Besluit inburgering en artikel 3, derde lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;

Besluit:

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 1.2. Geestelijk bedienaar
1.

Als geestelijke bedienaar wordt in ieder geval aangemerkt de vreemdeling die houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, die is verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie.

2.

Onder kerkgenootschap of een ander genootschap op geestelijke of levensbeschouwelijke grondslag als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet wordt tevens verstaan een onderdeel daarvan of een rechtspersoon waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken.

3.

Van werkzaamheden van overwegend godsdienstige, geestelijke of levensbeschouwelijke aard als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet is in ieder geval sprake in geval van werkzaamheden als voorganger, godsdienstleraar, zendeling, leraar levensbeschouwelijk onderwijs, vertrouwenspersoon of pastoraal werker binnen een godsdienstige of levensbeschouwelijke gemeenschap, dan wel op het terrein van het uitdragen en verklaren van een bepaalde geloofsleer of levensbeschouwelijke opvattingen.

4.

Als geestelijke bedienaar wordt niet aangemerkt degene die op louter incidentele basis werkzaamheden als bedoeld in het derde lid, verricht.

Hoofdstuk 2. Inburgeringsplichtig

Afdeling 1. Vrijstellingen

Artikel 2.1. Vrijstelling van de inburgeringsplicht

De Minister verleent vrijstelling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet, aan de inburgeringsplichtige die beschikt over:

Artikel 2.2. Tijdelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht bij volgen opleiding

De Minister verleent vrijstelling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van de wet, aan de inburgeringsplichtige die een opleiding volgt die leidt tot uitreiking van een van de bewijsstukken, genoemd in artikel 2.1, gedurende de periode dat de inburgeringsplichtige is ingeschreven voor de betreffende opleiding.

Artikel 2.3. Aanvraag vrijstelling van de inburgeringsplicht
1.

De inburgeringsplichtige dient een aanvraag tot vrijstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, d en e, van de wet, in bij de Minister.

2.

De Minister geeft binnen 8 weken een beschikking.

3.

Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot vrijstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de wet, is door de inburgeringsplichtige een bedrag verschuldigd van € 90.

Artikel 2.4. Aanwijzing adviserende instelling over vrijstellende buitenlandse opleidingen

Als organisaties, bedoeld in artikel 2.4 van het besluit, worden aangewezen de Stichting Nuffic en de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven.

Afdeling 2. Ontheffingen

Artikel 2.5. Medische deskundigenverklaring
1.

De deskundigenverklaring, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, bevat in ieder geval een advies met betrekking tot het verlenen dan wel het weigeren van de gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht en, indien van toepassing, een voorstel met betrekking tot de in aanmerking komende aangepaste examenomstandigheden als bedoeld in artikel 3.6.

2.

De arts, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, adviseert tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht indien de inburgeringsplichtige niet in staat is zich met lichte aanpassingen binnen vijf jaar voor te bereiden op de inburgeringsplicht dan wel op een of meerdere onderdelen daarvan, en dit ook niet mogelijk is door het treffen van aangepaste examenomstandigheden voor een of meerdere onderdelen van het inburgeringsexamen of een of meerdere van de examenonderdelen van de onderwijsroute als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel b, van het besluit.

3.

De arts, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, stelt de deskundigenverklaring op conform het protocol dat is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 2.6. Ontheffing bijzondere individuele omstandigheden
1.

Bij de aanvraag tot ontheffing, bedoeld in artikel 2.8 van het besluit, verschaft de inburgeringsplichtige informatie over:

2.

Indien de bijzondere individuele omstandigheden bestaan uit medische omstandigheden, verstrekt de inburgeringsplichtige, of, indien van toepassing, diens gezinslid of bloedverwant in de eerste graad, bij de aanvraag een medische machtiging.

3.

De arts, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, stelt een advies op over de medische omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, conform het protocol dat is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 2.7. Tarieven ontheffing
1.

Voor het onderzoek ten behoeve van het opstellen van een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, is door de inburgeringsplichtige een bedrag verschuldigd van € 225.

2.

Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de inburgeringsplichtige terugbetaald indien in de deskundigenverklaring, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, wordt geadviseerd de gevraagde gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht te verlenen dan wel deze niet te verlenen, maar wel wordt geadviseerd de inburgeringsplichtige de examens onder aangepaste examenomstandigheden af te laten leggen.

Hoofdstuk 3. De inburgeringsplicht

Afdeling 1. Module arbeidsmarkt en participatie

Artikel 3.1. Urennorm module Arbeidsmarkt en Participatie

Ten minste 40 uren van de module Arbeidsmarkt en Participatie zijn gericht op de praktische inzet van de inburgeringsplichtige op de arbeidsmarkt.

Afdeling 2. Inburgeringsexamen

§ 1. Inhoud van het inburgeringsexamen

Artikel 3.2. Eindtermen kennis van de Nederlandse maatschappij

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.