Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 augustus 2021, nr. 2021-0000130089, tot uitvoering van de Wet inburgering 2021 (Regeling inburgering 2021)
Gelet op de artikelen 1, tweede lid, 4, eerste lid, onderdeel b en d, en derde lid, 5, derde lid, 7, derde lid, 10, 14, vijfde lid, 21, tweede lid, 24, tweede lid, 32, eerste lid, 34, vierde lid, en 39, tweede lid, van de Wet inburgering 2021, de artikelen 2.4, 2.5, 2.7, zesde en zevende lid, 2.8, vijfde lid, 3.2, vierde lid, 3.4, tweede lid, 3.5, vierde lid, 3.6, eerste lid, 3.7, eerste en tweede lid, 3.9, vijfde lid, 3.11, 3.12, 3.13, 3.14, achtste lid, 3.15, vijfde lid, 3.16, vijfde lid, 4.3, tweede lid, 6.2, zevende lid, 6.3, derde lid, 6.6, tweede lid, 6.8, eerste en derde lid, 6.9, tweede lid, 6.11, derde lid, 6.13, 7.2, derde lid, 8.2, achtste lid en 10.3, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit inburgering 2021, de artikelen 2.8, vijfde lid, en 3.3 van het Besluit inburgering en artikel 3, derde lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
Besluit:
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- besluit: het Besluit inburgering 2021;
- de Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- belastbaar loon: het belastbaar loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964;
- Regeling inburgering: de regeling inburgering, zoals die luidde de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze regeling;
- toetsingsinkomen: het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
- staatsexamen Nederlands als tweede taal: staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II als bedoeld in artikel 2 van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal.
Artikel 1.2. Geestelijk bedienaar
Als geestelijke bedienaar wordt in ieder geval aangemerkt de vreemdeling die houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, die is verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie.
Onder kerkgenootschap of een ander genootschap op geestelijke of levensbeschouwelijke grondslag als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet wordt tevens verstaan een onderdeel daarvan of een rechtspersoon waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken.
Van werkzaamheden van overwegend godsdienstige, geestelijke of levensbeschouwelijke aard als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet is in ieder geval sprake in geval van werkzaamheden als voorganger, godsdienstleraar, zendeling, leraar levensbeschouwelijk onderwijs, vertrouwenspersoon of pastoraal werker binnen een godsdienstige of levensbeschouwelijke gemeenschap, dan wel op het terrein van het uitdragen en verklaren van een bepaalde geloofsleer of levensbeschouwelijke opvattingen.
Als geestelijke bedienaar wordt niet aangemerkt degene die op louter incidentele basis werkzaamheden als bedoeld in het derde lid, verricht.
Hoofdstuk 2. Inburgeringsplichtig
Afdeling 1. Vrijstellingen
Artikel 2.1. Vrijstelling van de inburgeringsplicht
De Minister verleent vrijstelling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet, aan de inburgeringsplichtige die beschikt over:
- a. een inburgeringsdiploma als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, van het besluit;
- b. een inburgeringsdiploma als bedoeld in artikel 3.10 van het Besluit inburgering, vergezeld van bewijsstukken waaruit blijkt dat de onderdelen, genoemd in artikel 3.3, aanhef en onderdeel a tot en met d, van het besluit, allen zijn geëxamineerd op ten minste het niveau B1 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde talen;
- c. een op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, uitgereikt diploma of getuigschrift van afronding van een Nederlandstalige opleiding van wetenschappelijk onderwijs, hoger beroepsonderwijs, vwo, havo of vmbo, of beroepsonderwijs vanaf het tweede niveau als bedoeld in artikel 7.2.2., eerste lid, onderdeel b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- d. een diploma of ander document vergelijkbaar met de in onderdeel c genoemde diploma’s of getuigschriften, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Suriname of België mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal;
- e. een diploma of ander document vergelijkbaar met de in onderdeel c genoemde diploma’s of getuigschriften, behaald aan een uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1 van de Wet voortgezet Onderwijs BES of aan een instelling als bedoeld in artikel 1.4.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba; of
- f. een diploma of getuigschrift van een erkende Internationale of Europese school waaruit blijkt dat het vak Nederlands is gevolgd op een niveau dat vergelijkbaar is met ten minste het niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen en voor het vak Nederlandse taal een voldoende is behaald.
Artikel 2.2. Tijdelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht bij volgen opleiding
De Minister verleent vrijstelling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van de wet, aan de inburgeringsplichtige die een opleiding volgt die leidt tot uitreiking van een van de bewijsstukken, genoemd in artikel 2.1, gedurende de periode dat de inburgeringsplichtige is ingeschreven voor de betreffende opleiding.
Artikel 2.3. Aanvraag vrijstelling van de inburgeringsplicht
De inburgeringsplichtige dient een aanvraag tot vrijstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, d en e, van de wet, in bij de Minister.
De Minister geeft binnen 8 weken een beschikking.
Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot vrijstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de wet, is door de inburgeringsplichtige een bedrag verschuldigd van € 90.
Artikel 2.4. Aanwijzing adviserende instelling over vrijstellende buitenlandse opleidingen
Als organisaties, bedoeld in artikel 2.4 van het besluit, worden aangewezen de Stichting Nuffic en de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven.
Afdeling 2. Ontheffingen
Artikel 2.5. Medische deskundigenverklaring
De deskundigenverklaring, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, bevat in ieder geval een advies met betrekking tot het verlenen dan wel het weigeren van de gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht en, indien van toepassing, een voorstel met betrekking tot de in aanmerking komende aangepaste examenomstandigheden als bedoeld in artikel 3.6.
De arts, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, adviseert tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht indien de inburgeringsplichtige niet in staat is zich met lichte aanpassingen binnen vijf jaar voor te bereiden op de inburgeringsplicht dan wel op een of meerdere onderdelen daarvan, en dit ook niet mogelijk is door het treffen van aangepaste examenomstandigheden voor een of meerdere onderdelen van het inburgeringsexamen of een of meerdere van de examenonderdelen van de onderwijsroute als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel b, van het besluit.
De arts, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, stelt de deskundigenverklaring op conform het protocol dat is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
Artikel 2.6. Ontheffing bijzondere individuele omstandigheden
Bij de aanvraag tot ontheffing, bedoeld in artikel 2.8 van het besluit, verschaft de inburgeringsplichtige informatie over:
- a. de bijzondere individuele omstandigheden die het hem onmogelijk of uiterst moeilijk maken aan de inburgeringsplicht te voldoen, en een onderbouwing waarom deze omstandigheden hem niet verweten kunnen worden;
- b. de geleverde inspanningen om te voldoen aan de inburgeringsplicht; en
- c. de zeer schrijnende situatie waarin hij terecht komt indien ontheffing van de inburgeringsplicht niet wordt verleend.
Indien de bijzondere individuele omstandigheden bestaan uit medische omstandigheden, verstrekt de inburgeringsplichtige, of, indien van toepassing, diens gezinslid of bloedverwant in de eerste graad, bij de aanvraag een medische machtiging.
De arts, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, stelt een advies op over de medische omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, conform het protocol dat is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
Artikel 2.7. Tarieven ontheffing
Voor het onderzoek ten behoeve van het opstellen van een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, is door de inburgeringsplichtige een bedrag verschuldigd van € 225.
Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de inburgeringsplichtige terugbetaald indien in de deskundigenverklaring, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, wordt geadviseerd de gevraagde gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht te verlenen dan wel deze niet te verlenen, maar wel wordt geadviseerd de inburgeringsplichtige de examens onder aangepaste examenomstandigheden af te laten leggen.
Hoofdstuk 3. De inburgeringsplicht
Afdeling 1. Module arbeidsmarkt en participatie
Artikel 3.1. Urennorm module Arbeidsmarkt en Participatie
Ten minste 40 uren van de module Arbeidsmarkt en Participatie zijn gericht op de praktische inzet van de inburgeringsplichtige op de arbeidsmarkt.
Afdeling 2. Inburgeringsexamen
§ 1. Inhoud van het inburgeringsexamen
Artikel 3.2. Eindtermen kennis van de Nederlandse maatschappij
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.