Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 2 september 2021, nr. 3512514, houdende regeling van de tegemoetkoming in de waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021 (Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021)

Type Ministeriële regeling
Publication 2022-06-29
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Financiën, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op de artikelen 1, onderdeel d, 4, eerste lid, onderdelen e en f, en tweede lid, 6, tweede tot en met vijfde lid, en 7, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en de artikelen 2, tweede lid, en 3, derde lid, van het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Reikwijdte regeling, schadegebied en hardheidsclausule
1.

Deze regeling is van toepassing op de schade en kosten als bedoeld in artikel 4 van de wet en in artikel 5 die in de periode van 13 juli 2021 tot en met 20 juli 2021 in het schadegebied zijn ontstaan als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg van overstromingen door zoet water als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2, juncto artikel 2 van de wet en van afstromend water.

2.

De gebieden, die zijn ingekleurd op de kaart die is opgenomen als bijlage bij deze regeling, worden aangewezen als het schadegebied, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de wet.

3.

De Minister van Justitie en Veiligheid kan afwijken van het eerste lid, voor zover een beperking tot het schadegebied, gelet op het belang om aan gedupeerden een tegemoetkoming in de schade en de kosten toe te kennen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

§ 2. Hoogte van de tegemoetkoming

Artikel 3. Schade aan de woning, woonwagen of woonschip

De hoogte van de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de wet, bedraagt 90% van het schadebedrag.

Artikel 4. Schade aan inboedel

De hoogte van de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet, bedraagt 90% van het schadebedrag doch ten hoogste € 32.400.

Artikel 5. Schade aan personenauto’s
1.

In geval van schade aan een personenauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, van een particulier die vanuit economisch oogpunt redelijkerwijs alleen WA of WA+ verzekerd was en die technisch gezien total loss is, wordt voorzien in een tegemoetkoming in de schade op basis van artikel 4, tweede lid, van de wet.

2.

De hoogte van de tegemoetkoming in de schade als bedoeld in het eerste lid bedraagt € 2.700 voor een personenauto die aantoonbaar WA verzekerd was of die WA+ verzekerd was maar waarbij de verzekeraar de claim heeft afgewezen.

Artikel 6. Schade aan openbare infrastructurele voorzieningen

De hoogte van de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de wet, bedraagt 58,5% van het schadebedrag.

Artikel 7. Schade aan vaste en vlottende activa
1.

De hoogte van de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van de wet, bedraagt 65% van het schadebedrag. Deze schade wordt berekend in overeenstemming met artikel 50, vierde lid, van de AGVV of voor de landbouwsector in overeenstemming met artikel 30, zesde lid, van de LVV.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van de wet, voor een gedupeerd kerkgenootschap, een gedupeerde vereniging of een gedupeerde stichting vastgesteld overeenkomstig de artikelen 3 en 4, tenzij de stichting of vereniging een zorginstelling of onderneming in stand houdt.

3.

In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, bedraagt de hoogte van de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van de wet, voor een gedupeerd openbaar lichaam 58,5% van het schadebedrag.

Artikel 8. Teeltplanschade bij agrarische bedrijven
1.

De hoogte van de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de wet, bedraagt 65% van het schadebedrag. Deze schade wordt berekend in overeenstemming met artikel 30, zevende lid, van de LVV.

2.

De gedupeerde heeft slechts recht op een tegemoetkoming in teeltplanschade, voor zover deze schade bestaat uit een productieverlies van meer dan 20% ten opzichte van de gemiddelde opbrengst in de betrokken productierichting op het betreffende bedrijf in de drie jaren voorafgaande aan het jaar waarin de productieverliezen zich voordoen, met dien verstande dat:

3.

Indien een gedupeerde op grond van het tweede lid geen recht heeft op een tegemoetkoming in teeltplanschade, wordt deze schade niet meegenomen bij de berekening van het drempelbedrag, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en het eigen risico, bedoeld in artikel 14.

Artikel 9. Bedrijfsschade bij agrarische bedrijven

De hoogte van de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel f, van de wet, bedraagt 65% van het schadebedrag. Deze schade wordt berekend in overeenstemming met artikel 30, zevende lid, van de LVV.

Artikel 10. Opstartkosten

De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel g, van de wet, bedraagt 65% van de kosten.

Artikel 11. Evacuatiekosten
1.

De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel h, van de wet als gevolg van een door het bevoegd gezag geboden of geadviseerd verlaten van de woon- of vestigingsplaats, bedraagt 100% van het kostenbedrag tot een maximum van € 597, doch ten minste € 304.

2.

De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel h, van de wet als gevolg van een door het bevoegd gezag geboden of geadviseerd verlaten van de woon- of vestigingsplaats bedraagt voor een onderneming, een openbaar lichaam alsmede voor een stichting of vereniging die een zorginstelling of onderneming in stand houdt bedraagt 100% van het kostenbedrag doch ten minste € 901.

Artikel 12. Bereddings- en opruimingskosten

De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen i en j, van de wet, gemaakt ter voorkoming, beperking of opruiming van schade als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 9, bedraagt 65% van het kostenbedrag.

Artikel 13. Drempelbedragen
1.

Indien de som van de schade- en kostenbedragen, bedoeld in de artikelen 3, 4, en 12, voor particulieren meer bedraagt dan € 667, heeft de gedupeerde recht op een tegemoetkoming in de schade en kosten.

2.

Indien de som van de schade- en kostenbedragen, bedoeld in de artikelen 6, 7, 8, 9, 10 en 12 meer bedraagt dan € 1.322, heeft de gedupeerde, niet zijnde een particulier, recht op een tegemoetkoming in de schade en kosten.

3.

In afwijking van het tweede lid heeft een gedupeerd kerkgenootschap, een gedupeerde vereniging of een gedupeerde stichting recht op een tegemoetkoming in de schade en kosten, indien de som van de schade- en kostenbedragen, bedoeld in de artikelen 7, tweede lid, en 12, meer bedraagt dan € 667.

Artikel 14. Maximering eigen risico

Het eigen risico als gevolg van het resultaat van de berekeningen, genoemd in de artikelen 7, 8, 9, 10 en 12, bedraagt voor bedrijven en stichtingen en verenigingen die een zorginstelling of onderneming in stand houden niet meer dan € 6.014.

§ 3. Berekeningsgrondslag

Artikel 15

De schadetermijn voor de teeltplanschade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de wet, en de bedrijfsschade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel f, van de wet, wordt gerekend vanaf 13 juli 2021 tot het moment waarop het bedrijf redelijkerwijs in staat moet worden geacht op zijn normale productieniveau te werken, rekening houdend met de geteelde gewassen of de gehouden diersoorten, met een maximum van 52 weken.

Artikel 16

Het uurloon, bedoeld in de artikelen 2, tweede lid, en 3, derde lid, van het besluit, wordt vastgesteld op € 22,11 bruto per mensuur.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.