Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 24 september 2021, nr. 3563540, houdende instelling van een tijdelijke commissie voor toetsing en advisering bij verzoeken om vergoeding van restschade inzake beroepsziekten binnen de sector politie op grond van overgangsbeleid (Instellingsbesluit Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie)
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
- ambtenaar:
- a. de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie;
- b. de gewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie;
- bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van het Besluit algemene rechtspositie politie;
- commissie: Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie, bedoeld in artikel 2;
- Minister: de Minister van Justitie en Veiligheid;
- ministerie: het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Artikel 2. Instelling
Er is een Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie.
Artikel 3. Taken
De commissie heeft tot taak:
- a. het toetsen van en adviseren over de afdoening door het bevoegd gezag van verzoeken van ambtenaren om schade vergoed te krijgen op grond van de Richtlijn aanpak dossiers restschade;
- b. het toetsen van en adviseren over de afdoening door het bevoegd gezag van verzoeken van ambtenaren om schade op grond van de Tijdelijke beleidsregel afhandeling restschade politie na de inwerkingtreding daarvan;
- c. het rapporteren van haar bevindingen aan de Minister en het bevoegd gezag.
Het bevoegd gezag stelt per verzoek het dossier en de relevante informatie beschikbaar aan de commissie ten behoeve van de uitoefening van haar taken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b.
Artikel 4. Instellingsduur
De commissie wordt ingesteld met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit en wordt opgeheven bij het intrekken of vervallen van dit besluit.
Artikel 5. Samenstelling, benoeming en ontslag
De commissie is paritair samengesteld en bestaat uit drie leden. De leden zijn een onafhankelijk voorzitter op voordracht van de Minister en twee vertegenwoordigers op voordracht van het bevoegd gezag en de centrales toegelaten tot de CGOP. Binnen de commissie is voldoende kennis en expertise om schade vast te stellen en te beoordelen, zoals kennis van het schadevergoedingsrecht.
De leden oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
De leden worden door de Minister benoemd.
De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie.
De leden kunnen op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden worden geschorst en ontslagen door de Minister.
Bij tussentijds vertrek, schorsing of ontslag van de voorzitter of een ander lid kan de Minister een andere voorzitter, onderscheidenlijk een ander lid, benoemen.
Artikel 6. Leden
Voor de duur van de commissie worden tot lid van de commissie benoemd:
- a. dhr. mr. J. Sap, tevens voorzitter;
- b. dhr. mr. A.D. Heil;
- c. dhr. prof. dr. R.A.A.G.M. van Raak.
Artikel 7. Secretariaat
Ter ondersteuning bij haar in artikel 3 bedoelde taken wordt de commissie bijgestaan door een secretariaat.
Het personeel van dit secretariaat wordt door het CAOP beschikbaar gesteld. Dit personeel is in dienst van het CAOP.
Het secretariaat is voor de uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie.
Artikel 8. Werkwijze, geheimhouding en onpartijdigheid
De commissie stelt haar eigen werkwijze vast, met inachtneming van de bepalingen van dit besluit. De commissie stelt in een eigen reglement haar werkwijze vast na overeenstemming hierover in het CGOP.
De leden van de commissie zijn verplicht tot geheimhouding op basis van artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht.
Indien de onpartijdigheid in het geding kan zijn in een voorkomend geval informeert het desbetreffende lid van de commissie onmiddellijk de andere leden en trekt zich uit eigen beweging terug uit de beoordeling van het desbetreffende dossier.
Artikel 9. Vooronderzoek
De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen ten behoeve van de uitoefening van de taken als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a en b.
De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de commissie bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zonodig uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. De daaraan verbonden kosten worden door het ministerie vergoed, waarbij vooraf machtiging van het ministerie is vereist. Slechts om gewichtige redenen, die niet zijn terug te voeren op het bij de commissie voorliggende geschil, kan het ministerie haar machtiging tot vergoeding van de in dit lid genoemde kosten onthouden.
Indien het voornemen bestaat tot het inwinnen van advies of inlichtingen bij deskundigen vindt vooraf overleg plaats met de betrokken ambtenaar en het bevoegd gezag.
Artikel 10. Hoorzitting
De commissie bepaalt of er gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om een hoorzitting te houden teneinde de betrokken ambtenaar en het bevoegd gezag te horen.
De voorzitter bepaalt plaats en tijdstip van de zitting waarin de betrokken ambtenaar en het bevoegd gezag in de gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten horen.
De voorzitter nodigt de betrokken ambtenaar en het bevoegd gezag ten minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit.
Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de betrokken ambtenaar en het bevoegd gezag onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het tijdstip van de zitting te wijzigen.
De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk een week voor het tijdstip van de zitting aan de betrokken ambtenaar en het bevoegd gezag meegedeeld.
De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken of afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in het eerste tot en met het derde lid.
Artikel 11. Schriftelijke vastlegging
Van de hoorzitting wordt een verslag gemaakt op basis van artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht.
Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is gezegd en wat verder ter hoorzitting is voorgevallen.
Indien de betrokken ambtenaar of het bevoegd gezag, respectievelijk hun gemachtigden, niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt het verslag hiervan melding.
Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die aan het verslag worden gehecht.
Het verslag wordt in ieder geval ondertekend door de voorzitter van de commissie.
Artikel 12. Beraadslaging en advies
De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het door haar uit te brengen advies.
De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen advies.
Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen beslissing door het bevoegd gezag.
Het advies wordt in ieder geval door de voorzitter van de commissie ondertekend.
Artikel 13. Uitbrengen advies en afwijking van het advies
Het advies van de commissie wordt, onder medezending van het verslag als bedoeld in artikel 11 en eventueel door de commissie ontvangen nadere informatie en nader verslag, uitgebracht aan het bevoegd gezag.
Indien het bevoegd gezag besluit in afwijking van het advies van de commissie, stelt het de commissie daarvan op de hoogte.
Artikel 14. Vergoeding
De leden van de commissie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, ontvangen voor hun werkzaamheden een vergoeding per vergadering ter hoogte van 3% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren, met dien verstande dat de voorzitter per vergadering een vergoeding ontvangt ter hoogte van 130% van de vergoeding per vergadering die de overige leden ontvangen.
Van de toekenning van vergoeding zijn uitgesloten functionarissen in dienst van de sector politie, indien hun benoeming haar oorzaak vindt in de functie die zij vervullen.
De in het eerste lid genoemde personen ontvangen een vergoeding van reis- en verblijfkosten op de voet van de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
Artikel 15. Archiefbescheiden
Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt door het secretariaat met inachtneming van de terzake geldende bepalingen van het beheersreglement van het ministerie.
De commissie draagt na haar opheffing bescheiden betreffende haar werkzaamheden over aan het centraal archief van het ministerie.
De commissie kan de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, eerder aan het archief van het ministerie overdragen, als omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Artikel 16. Evaluatieverslag
De commissie stelt uiterlijk 31 december van ieder kalenderjaar een evaluatieverslag op waarin de commissie aandacht besteedt aan haar taakvervulling.
Artikel 17. Inwerkingtreding en horizonbepaling
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Dit besluit vervalt met ingang van 1 juli 2027.
De Minister kan de datum, bedoeld in het tweede lid, eenmalig wijzigen in een ten hoogste twee jaar na die datum gelegen datum, dan wel dit besluit op een eerdere datum intrekken indien werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, tweede lid, niet meer te verwachten zijn. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst.
Artikel 18. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie.
Bijlage 1. Richtlijn aanpak dossiers restschade
Inleiding
Recente ontwikkelingen, zoals de evaluatie van het stelsel en de daarop volgende kamerbrief met daarin de contouren voor een verbeterd stelsel voor beroepsziekten en dienstongevallen en jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep rondom de toets op de zorgplicht en de verbinding met de toets buitensporigheid vormen aanleiding om met een nieuwe blik naar bestaande restschadeprocedures te kijken. Daarnaast is er veel negatieve media-aandacht voor het gevoerde beleid van de politie als werkgever dat als zakelijk wordt afgezet in de media ten opzichte van de eerdere 'coulance' bij 40 oude zaken restschade.
Vanuit deze ontwikkelingen is in overleg met de Minister besloten een plan van aanpak uit te werken om tot een oplossing te komen in de bestaande restschadeprocedures. De opdracht luidt om over alle lopende zaken restschade (opnieuw) met de betrokken medewerkers in gesprek te gaan en samen te komen tot een oplossing buiten een juridische procedure. In dit gesprek staat de behoefte van de medewerker centraal en komen zowel zorg, re-integratie als vergoeding van schade aan bod.
Deze richtlijn is opgesteld als een richtinggevend kader voor deze gesprekken. Het is een intern kader gericht aan de uitvoerende dienst binnen de politie. Aan dit kader kunnen geen formele aanspraken worden ontleend. De richtlijn sluit aan bij de kamerbrief over de contouren voor een nieuw stelsel. De ontwikkeling van het nieuwe stelsel voor beroepsziekten en dienstongevallen staat echter op zichzelf.
Persoonlijk gesprek
De doelgroep voor deze richtlijn zijn medewerkers en oud-medewerkers bij wie sprake is van een lopende restschadeprocedure op het moment dat deze richtlijn in werking treedt. Aan iedere collega uit de doelgroep wordt een persoonlijk gesprek aangeboden, waarbij ook de individuele belangenbehartiger wordt uitgenodigd. Het is een keuze van de collega om op de uitnodiging in te gaan of niet. Gaat de collega niet in op de uitnodiging dan is het uitgangspunt dat de lopende procedures worden voortgezet.
De dienst HRM zal dan nog wel beoordelen of er, bijvoorbeeld vanwege nieuwe jurisprudentie, aanleiding is om eenzijdig een nieuw of aanvullend voorstel te doen. Er zal ook gevraagd worden om aan te geven wat de reden is om niet op de uitnodiging in te gaan.
Als de collega ingaat op de uitnodiging zal er een gesprek plaatsvinden zonder dat dit enig gevolg heeft voor de bestaande situatie. Er zal wel gevraagd worden procedures op te schorten, maar dat is geen voorwaarde. Voor de hygiëne in het proces zullen alle andere lijnen van communicatie over individuele restschade wel naar het team dat de gesprekken voert (het kernteam) worden doorgestuurd.
De gesprekken hebben een niet-juridisch karakter en zijn primair gericht op zorg voor de medewerker, aandacht voor diens behoeften (psychologische erkenning), maatwerk en om vanuit redelijkheid en billijkheid te komen tot herstel van vertrouwen en met elkaar een oplossing te vinden; ook als het gaat om passende compensatie voor geleden schade. Als partijen er met elkaar uitkomen, zal er wel een overeenkomst worden gesloten.
De gesprekken vinden plaats in het licht van de contouren van een nieuw stelsel. Dat betekent dat de werkgever de contouren zoals gesteld in de kamerbrief als leidraad zal hanteren. Er wordt een voorbereidend gesprek met een arbeidsdeskundige aangeboden met het oog op zorg en begeleiding alsmede een eerste deskundig beeld van de restcapaciteit met betrekking tot functies of werkzaamheden bij de politie.
Als sprake is van een formele aansprakelijkheidstelling wordt deze in het huidige stelsel nog steeds beoordeeld op basis van algemeen geldende criteria, maar de recente jurisprudentie zoals over de zorgplicht als werkgever wordt hier wel bij betrokken. Als op die basis sprake is van aansprakelijkheid als werkgever dan wordt dit ook als zodanig erkend.
Het gesprek zal in principe uit twee onderdelen bestaan:
Voorstel zorg
In overleg met de (oud-)collega wordt gekeken welke zorg nog kan worden aangeboden en worden maatwerkoplossingen gezocht en besproken gericht op herstel en mogelijk re-integratie naar werk. Er wordt gekeken of het actuele zorgaanbod nog iets aanvullends kan betekenen voor herstel. Voor (oud-)collega’s kan het gesprek met zich mee brengen dat zij weer blijvend in contact worden gebracht met de politie.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.