Besluit van 9 december 2021, houdende voorschriften inzake de bekostiging van basisscholen in Caribisch Nederland (Besluit bekostiging WPO BES 2022)
Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 30 september 2021, nr. WJZ/29122231 (12547), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 46, eerste lid, 66, derde lid, 68, derde lid, 77, 99, zesde lid, 100, derde lid, 102, vierde lid, 114, 119, tweede lid, en 121, derde lid, van de Wet primair onderwijs BES;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 november 2021, nr. W05.21.0294/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 7 december 2021, nr. WJZ/30169969 (12547), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen:
In dit besluit wordt verstaan onder:
- bevoegd gezag: wat betreft:
- a. een openbare school:
- 1°. het bestuurscollege van het betreffende openbaar lichaam, voor zover de eilandsraad niet anders bepaalt, en, indien de eilandsraad dit besluit, met inachtneming van door hem te stellen regelen;
- 2°. de openbare rechtspersoon, bedoeld in artikel 53 van de wet; dan wel
- 3°. de stichting, bedoeld in artikel 54 van de wet;
- b. een bijzondere school: de rechtspersoon, bedoeld in artikel 60 van de wet;
- bijzondere school: bijzondere school als bedoeld in artikel 1 van de wet;
- deskundige: deskundige als bedoeld in artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES;
- leerling: een leerling die op grond van artikel 43 van de wet tot een school is toegelaten;
- Onze Minister: Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media;
- openbaar lichaam: het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
- openbare school: openbare school als bedoeld in artikel 1 van de wet;
- ouders: ouders, voogden of verzorgers;
- school: een school waar basisonderwijs wordt gegeven;
- schooljaar: tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend;
- teldatum: datum, bedoeld in artikel 102, eerste of tweede lid, en artikel 116, van de wet.
Hoofdstuk 2. Gegevensverstrekking, aanvang en voorschotten nieuwe scholen
Artikel 2. Gegevens nieuwe scholen
Het bevoegd gezag van een school die door Onze Minister voor bekostiging in aanmerking is gebracht, zendt Onze Minister uiterlijk 12 weken voor de datum van ingang van de bekostiging de benodigde gegevens voor de vaststelling van de bekostiging.
Bij ministeriële regeling worden de gegevens, bedoeld in het eerste lid vastgesteld en kunnen hierover voorschriften worden gesteld.
Artikel 3. Aanvang eenmalige startbekostiging nieuwe school
Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag van een nieuwe school eenmalig een deel van de bekostiging, bedoeld in artikel 100 van de wet, toekennen vanaf 1 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin de bekostiging een aanvang neemt.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld over de wijze waarop de bekostiging wordt vastgesteld en verstrekt.
Artikel 4. Vaststelling voorschotten en verrekening van voorschotten
Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag van een nieuwe school een voorschot verstrekken in afwachting van de vaststelling van de bekostiging voor de periode, bedoeld in artikel 102, tweede lid, onderdeel a, van de wet.
Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, meldt het bevoegd gezag uiterlijk op 1 juli voorafgaande aan het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuwe school begint, het vermoedelijk aantal leerlingen op 1 oktober volgend op de datum van ingang van de bekostiging.
Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag van een nieuwe school een voorschot verstrekken in afwachting van de vaststelling van de bekostiging voor de periode, bedoeld in artikel 102, tweede lid, onderdeel b, van de wet, op grond van het aantal leerlingen op 1 oktober volgende op de opening van de nieuwe school.
Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit de bekostiging, bedoeld in artikel 100, tweede lid, van de wet, berekend overeenkomstig dit besluit, met dien verstande dat wordt gerekend met het aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid.
Het voorschot, bedoeld in het derde lid, bestaat uit de bekostiging, bedoeld in artikel 100, tweede lid, van de wet, berekend overeenkomstig dit besluit, met dien verstande dat wordt gerekend met het aantal leerlingen, bedoeld in het derde lid.
Op de betaling van het voorschot is artikel 100, vijfde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.
Onze Minister is bevoegd tot verrekening van verstrekte voorschotten met de betalingen die voortvloeien uit de vaststelling van de onderscheiden onderdelen van de bekostiging.
Indien Onze Minister een voorschot verleent in gevallen waarin de bekostiging niet tijdig kan worden vastgesteld door omstandigheden die niet aan het bevoegd gezag van een school zijn toe te rekenen, zijn het zesde en het zevende lid van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3. Leerlingentelling en leerlingenadministratie
Artikel 5. Leerlingentelling
Voor de toepassing van de wet en dit besluit worden, onverminderd artikel 8 en artikel 11, derde lid, de leerlingen meegeteld die op de teldatum op de school als werkelijk schoolgaand staan ingeschreven.
Indien de teldatum valt op een dag waarop geen onderwijs wordt gegeven, worden op de eerstvolgende schooldag de leerlingen geteld, die op de teldatum als werkelijk schoolgaand stonden ingeschreven.
Een leerling kan op de teldatum slechts op één school voor de bekostiging meetellen.
Artikel 6. Overzicht aantal leerlingen
Onze Minister stelt jaarlijks een overzicht vast van de hem ter beschikking staande gegevens over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in artikel 13, eerste lid, in aanmerking wordt genomen.
Het overzicht wordt uiterlijk acht weken na de teldatum toegezonden aan het bevoegd gezag. Indien toepassing is gegeven aan artikel 11, derde lid, wordt het overzicht uiterlijk vier weken na afloop van de daar bedoelde verlengde termijn toegezonden aan het bevoegd gezag.
Artikel 7. Inschrijving
De directeur van een school schrijft een leerling slechts in na overlegging van:
- a. een bewijs van uitschrijving van de leerling van een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs, welk bewijs op het moment van inschrijving niet ouder is dan 6 maanden, of
- b. een schriftelijke verklaring van de ouders dat de leerling binnen een periode van 6 maanden voorafgaand aan de inschrijving niet eerder op een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs was ingeschreven.
Het bewijs van uitschrijving dan wel de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt bewaard in de administratie van de school.
De directeur doet in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dan wel in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, indien hem bekend is op welke andere school of school of instelling voor ander onderwijs de leerling was ingeschreven buiten de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde periode, onder vermelding van de datum van inschrijving op zijn school, binnen 1 week schriftelijk mededeling van de inschrijving aan de directeur van de school of de school of instelling voor ander onderwijs waarop de leerling voordien was ingeschreven.
De directeur schrijft de leerling in met ingang van de dag waarop de leerling de school voor het eerst bezoekt.
In afwijking van het vierde lid, schrijft de directeur de leerling die de school voor het eerst bezoekt op de eerste schooldag van het schooljaar, in met ingang van 1 augustus van dat schooljaar, tenzij de leerling op 1 augustus de leeftijd van 4 jaar nog niet heeft bereikt.
Artikel 8. Uitschrijving
De directeur van de school waar een leerling staat ingeschreven, schrijft de leerling, indien deze de school verlaat, uit met ingang van de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht. De directeur schrijft de leerling die wordt uitgeschreven na op de laatste schooldag van het schooljaar te hebben bezocht, uit met ingang van 31 juli van dat schooljaar.
De directeur, bedoeld in het eerste lid, verstrekt de leerling een bewijs van uitschrijving.
Indien de directeur van een school op wiens school de leerling stond ingeschreven binnen vier weken na de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht een mededeling ontvangt van de directeur, rector of centrale directie van een school of een school of instelling voor ander onderwijs, van de inschrijving van de leerling op diens school, wijzigt de directeur de datum van uitschrijving, bedoeld in het eerste lid, alsnog in de datum van de dag voorafgaande aan de inschrijving op de andere school of de school of instelling voor ander onderwijs.
Artikel 9. Inhoud leerlingenadministratie
De directeur van een school draagt er zorg voor dat een overzichtelijke leerlingenadministratie beschikbaar is van:
- a. de inschrijving, de uitschrijving en het verzuim van de leerlingen op de school, en
- b. de gegevens van de leerlingen en hun ouders die noodzakelijk zijn voor de berekening van de bekostiging.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de leerlingenadministratie wordt ingericht.
Artikel 10. Bewaren van gegevens
De gegevens, bedoeld in artikel 9 worden in ieder geval gedurende vijf jaar nadat de desbetreffende leerling van de school is uitgeschreven in de leerlingenadministratie bewaard.
De gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, worden binnen acht weken na het verstrijken van de termijn, genoemd in het eerste lid, vernietigd.
Artikel 11. Verstrekken gegevens aan Minister
Het bevoegd gezag zendt voor 15 februari indien de teldatum 1 februari is, dan wel binnen twee weken na een andere teldatum, aan Onze Minister, de Inspectie van het onderwijs en, indien het een bijzondere school betreft, aan het bestuurscollege, een opgave van het aantal leerlingen overeenkomstig artikel 5.
Indien als gevolg van de wijzigingen op grond van artikel 8, een wijziging optreedt in de in het eerste lid bedoelde opgave, doet het bevoegd gezag van de school waarvan de leerling is respectievelijk leerlingen zijn uitgeschreven, binnen 6 weken na de teldatum daarvan mededeling aan Onze Minister, de Inspectie van het onderwijs en, indien het een bijzondere school betreft, aan het bestuurscollege.
Bij ministeriële regeling kan de termijn, bedoeld in het eerste en tweede lid worden verlengd en wordt vastgesteld op welke wijze de opgave, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan.
Artikel 12. Verklaring bevoegd gezag
Het bevoegd gezag verstrekt gelijktijdig met de verklaring, bedoeld in artikel 125, vierde lid, van de wet, een verklaring over de juistheid en tijdige aanmelding van de gegevens waarop de bekostigingsbedragen zijn of worden gebaseerd.
Hoofdstuk 4. Vaststelling bekostiging en extra bekostiging
Artikel 13. Vaststelling bekostiging en gewijzigde vaststelling
Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 1 januari, de bekostiging, bedoeld in artikel 100, tweede en derde lid, van de wet, vast voor zover deze mede gebaseerd is op het aantal leerlingen op de teldatum. De bedragen hebben betrekking op een kalenderjaar.
Indien de verklaring van de deskundige aanleiding geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor het huidige jaar nader vast.
Onze Minister kan de bekostiging, bedoeld in het eerste lid wijzigen vanwege loonontwikkelingen of andere al dan niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.