Besluit van 22 december 2021, houdende regels ter uitvoering van de Wet ter Bescherming Koopvaardij (Besluit bescherming koopvaardij) alsmede vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet ter Bescherming Koopvaardij

Type AMvB
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 24 november 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3098778;

Gelet op de artikelen 2, 4, tweede en vierde lid, 6, derde en vierde lid, 8, 9, achtste lid, 11, vijfde lid, en 13, eerste en vijfde lid, van de Wet ter Bescherming Koopvaardij en 9, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 januari 2021, no. W16.20.0437/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 17 december 2021, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3685395;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. (definities)

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 1.2. (aanwijzing risicogebied)
1.

Het zeegebied, bedoeld in artikel 2 van de wet, is het gebied dat door de volgende coördinaten volgens het World Geodetic System (WGS1986) wordt begrensd:

2.

Het in het eerste lid bedoelde zeegebied is bij wijze van illustratie ingetekend op de als bijlage bij dit besluit gevoegde kaart.

Hoofdstuk 2. De toestemming voor de inzet van particulier maritiem beveiligingspersoneel

Artikel 2.1. (uitgangspunt Nederlandse wet)

De gewapende bescherming van op grond van voor Nederland geldende rechtsregels onder vlag van het Koninkrijk varende koopvaardijschepen is een overheidstaak, behoudens indien de wet en de daarop gebaseerde regels maritieme beveiligingswerkzaamheden toestaan.

Artikel 2.2. (aanvraag bij Kustwachtcentrum)
1.

De scheepsbeheerder dient de aanvraag om toestemming in bij het Kustwachtcentrum.

2.

Bij de aanvraag wordt aangetoond dat alle redelijkerwijs mogelijke beschermingsmaatregelen worden getroffen en dat, indien van toepassing en voor zover mogelijk, aan artikel 2.3, eerste of tweede lid, wordt voldaan.

3.

Bij de aanvraag worden in ieder geval gegevens verstrekt over:

4.

Onze Minister neemt binnen achtenveertig uur een besluit op de aanvraag. De uren tussen vrijdag acht uur ’s avonds en maandag acht uur ’s morgens worden hierbij niet meegerekend.

5.

De toestemming kan worden geweigerd indien:

6.

Bij regeling van Onze Minister wordt een formulier vastgesteld met betrekking tot het tweede en derde lid.

Artikel 2.3. (criteria)
1.

Het aantal zeemijlen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de wet bedraagt honderd of meer.

2.

Het percentage extra kosten, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van de wet bedraagt ten minste veertig procent.

Artikel 2.4. (informatieplicht; verantwoordelijkheid kapitein)
1.

De kapitein en de teamleider ontvangen voorafgaand aan het aan boord gaan van het beveiligingsteam de juiste en volledige informatie van de scheepsbeheerder onderscheidenlijk de vergunninghouder omtrent:

2.

Voorts ontvangen zij:

3.

Indien de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet volledig en juist zijn, dan weigert de kapitein om de beveiligers en vuurwapens en munitie aan boord te nemen.

4.

De kapitein stelt het vertrek van het schip of het invaren van het risicogebied uit indien niet aan de bij of krachtens de wet gestelde regels is voldaan.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste en tweede lid, en het tijdstip waarop deze uiterlijk moeten worden verstrekt, alsmede de vastlegging ervan door de kapitein en de teamleider binnen de gegeven termijn.

Hoofdstuk 3. De geweldsmiddelen, uitrusting en de nadere geweldsinstructie

Artikel 3.1. (vuurwapens, munitie, handboeien)
1.

Het geweldsmiddel van de particuliere maritieme beveiligers bestaat uit een niet-automatisch vuurwapen of een semi-automatisch schoudervuurwapen met een maximumkaliber van .50 (12,7 mm) met bijbehorende munitie van het type full metal jacket.

2.

Een teamlid beschikt over ten hoogste twee vuurwapens en ten hoogste 200 eenheden van de in het eerste lid bedoelde munitie.

3.

Een teamlid beschikt over ten minste een set handboeien.

Artikel 3.2. (wapen- of munitiekluis)
1.

De vuurwapens en de bijbehorende munitie worden tijdens een transport op een veilige wijze op het schip opgeslagen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten wapen- of munitiekluizen.

2.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over de wapen- of munitiekluis.

Artikel 3.3. (verantwoordelijkheid kapitein)
1.

De kapitein is verantwoordelijk voor het beheer en de veilige opslag van de vuurwapens en de bijbehorende munitie aan boord van het schip en is in het bezit van de sleutels van de wapen- en munitiekluizen.

2.

Uiterlijk twee uren voorafgaand aan het binnenvaren van het risicogebied gaat het beheer van de vuurwapens en de bijbehorende munitie over naar de teamleider, waarbij de kapitein de sleutels van de wapen- en munitiekluizen overdraagt.

3.

Schietoefeningen door particuliere maritieme beveiligers mogen in verband met de veiligheid op en rond het schip slechts plaatsvinden na door de teamleider verkregen instemming van de kapitein.

Artikel 3.4. (nadere geweldsinstructie)
1.

In aanvulling op en met inachtneming van artikel 9 van de wet geldt dat een particuliere maritieme beveiliger, ter afwending van dreigend gevaar van piraterij, alvorens gericht te schieten, een of meer waarschuwingsschoten in de lucht afvuurt.

2.

Als het gevaar daarmee niet is afgewend, vuurt de particuliere maritieme beveiliger voor de boeg van het schip waarvan de piraterijdreiging uitgaat en daarna, als het gevaar niet is afgewend, op de motor van het schip met het doel het schip het varen te beletten.

3.

Als in het uiterste geval het gevaar niet is afgewend, en er onmiddellijk gevaar dreigt voor het leven of de veiligheid van de opvarenden van het te beschermen schip, is de particuliere maritieme beveiliger bevoegd om te vuren op de niet vitale delen van het lichaam van personen op het schip waarvan de piraterijdreiging uitgaat.

4.

Het derde lid is eveneens van toepassing indien personen op het schip waarvan dreigend gevaar van piraterij uitgaat, zich toegang tot het te beschermen schip trachten te verschaffen of hebben verschaft.

5.

De kapitein wordt voortdurend door de teamleider van zijn opdrachten aan de teamleden en van het verloop van het aanwenden van geweld op de hoogte gehouden, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is.

Hoofdstuk 4. De vergunning

Artikel 4.1. (reikwijdte vergunning)

De vergunning wordt verleend voor het aanbieden of verrichten van gewapende maritieme beveiligingswerkzaamheden door een maritiem beveiligingsbedrijf aan boord van een schip dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren, binnen het risicogebied.

Artikel 4.2. (aanvraag bij Inspectie Leefomgeving en Transport)

De aanvraag voor de vergunning wordt ingediend bij de Inspectie Leefomgeving en Transport.

Artikel 4.3. (duur en voorschriften per vergunning)
1.

De vergunning wordt verleend met een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaar.

2.

De vergunning kan worden verlengd, telkens voor ten hoogste drie jaar.

3.

Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden, onder meer met betrekking tot:

Artikel 4.4. (beslistermijn)
1.

De beschikking op de aanvraag omtrent een vergunning wordt gegeven binnen acht weken nadat de aanvraag is ontvangen.

2.

Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste twaalf weken verlengen, indien naar zijn oordeel advies van of onderzoek door een derde nodig is.

3.

Indien de termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en geeft hij aan binnen welke termijn de beschikking op de aanvraag kan worden gegeven.

Artikel 4.5. (overgang vergunning op een derde)

De vergunning kan slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister overgaan op een derde. Het bepaalde bij en krachtens artikel 14 van de wet is van overeenkomstige toepassing bij de overgang van een vergunning.

Artikel 4.6. (schorsing vergunning)
1.

De schorsing van de vergunning op grond van artikel 14 van de wet eindigt op de dag na de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking van de vergunning is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de schorsing acht weken zijn verstreken.

2.

Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste acht weken verlengen, indien naar zijn oordeel advies van of onderzoek door een derde nodig is.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.