Besluit van 22 december 2021, houdende regels ter uitvoering van de Wet ter Bescherming Koopvaardij (Besluit bescherming koopvaardij) alsmede vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet ter Bescherming Koopvaardij
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 24 november 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3098778;
Gelet op de artikelen 2, 4, tweede en vierde lid, 6, derde en vierde lid, 8, 9, achtste lid, 11, vijfde lid, en 13, eerste en vijfde lid, van de Wet ter Bescherming Koopvaardij en 9, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 januari 2021, no. W16.20.0437/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 17 december 2021, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3685395;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. (definities)
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens: het op 4 november 1950 te Rome tot stand gekomen Europees Verdrag tot bescherming van de rechte van de mens en de fundamentele vrijheden;
- geweldsinstructie: regels in artikel 9, eerste tot en met zevende lid, van de wet en artikel 3.4;
- opslagplaats: locatie op het land of een schip waarvan de vergunninghouder gebruik maakt voor opslag van vuurwapens en munitie, met uitzondering van een door hem gebruikte wapenkluis aan boord van het schip;
- particulier beveiligingsteam: het op een schip in te zetten of ingezette particulier maritiem beveiligingspersoneel, met inbegrip van de teamleider;
- particuliere maritieme beveiliger: gewapend lid van het beveiligingsteam dat door de vergunninghouder op een schip wordt of is ingezet;
- risicogebied: het in artikel 1.2, eerste lid, bedoelde zeegebied;
- toestemming: toestemming, bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, en 4 van de wet;
- vergunning: vergunning, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet;
Artikel 1.2. (aanwijzing risicogebied)
Het zeegebied, bedoeld in artikel 2 van de wet, is het gebied dat door de volgende coördinaten volgens het World Geodetic System (WGS1986) wordt begrensd:
- a. In de zuidelijke Rode Zee, een noordelijke grens op 15°00’ N;
- b. In de Indische Oceaan een lijn die de volgende punten verbindt:
- 1°. Vanaf de kust van Oost-Afrika op 01° 30’ S
- 2°. achtereenvolgens naar de punten:
- (a). 01° 30’ S - 046° 00’ E,
- (b). 01° 00’ N - 049° 30’ E,
- (c). 09° 00’ N - 055° 00’ E,
- (d). 14° 20’ N - 057° 30’ E, en
- 3°. vervolgens naar de kust van Jemen naar het punt 053° 00’N.
Het in het eerste lid bedoelde zeegebied is bij wijze van illustratie ingetekend op de als bijlage bij dit besluit gevoegde kaart.
Hoofdstuk 2. De toestemming voor de inzet van particulier maritiem beveiligingspersoneel
Artikel 2.1. (uitgangspunt Nederlandse wet)
De gewapende bescherming van op grond van voor Nederland geldende rechtsregels onder vlag van het Koninkrijk varende koopvaardijschepen is een overheidstaak, behoudens indien de wet en de daarop gebaseerde regels maritieme beveiligingswerkzaamheden toestaan.
Artikel 2.2. (aanvraag bij Kustwachtcentrum)
De scheepsbeheerder dient de aanvraag om toestemming in bij het Kustwachtcentrum.
Bij de aanvraag wordt aangetoond dat alle redelijkerwijs mogelijke beschermingsmaatregelen worden getroffen en dat, indien van toepassing en voor zover mogelijk, aan artikel 2.3, eerste of tweede lid, wordt voldaan.
Bij de aanvraag worden in ieder geval gegevens verstrekt over:
- a. het type schip, het marktsegment en het accommodatieplan;
- b. de lading en de verzekering van het schip en de lading;
- c. de risicoanalyse;
- d. de omvang van het beveiligingsteam, en
- e. de prijsopgave van de vergunninghouder waarmee wordt beoogd een overeenkomst tot het verrichten van gewapende beveiligingswerkzaamheden te sluiten.
Onze Minister neemt binnen achtenveertig uur een besluit op de aanvraag. De uren tussen vrijdag acht uur ’s avonds en maandag acht uur ’s morgens worden hierbij niet meegerekend.
De toestemming kan worden geweigerd indien:
- a. militaire bescherming binnen een redelijke termijn kan worden geboden;
- b. niet alle redelijkerwijs mogelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen;
- c. niet aan de criteria van artikel 2.3 is voldaan;
- d. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en deze verstrekking tot een onjuiste beschikking zou hebben geleid;
- e. schorsing of intrekking van de vergunning van de in het derde lid, onderdeel e, bedoelde vergunninghouder op grond van artikel 14 van de wet wordt overwogen en in afwachting daarvan onmiddellijke weigering geboden is;
- f. niet aan artikel 1.2 is voldaan, of
- g. niet aan artikel 3, eerste lid, van de wet is voldaan.
Bij regeling van Onze Minister wordt een formulier vastgesteld met betrekking tot het tweede en derde lid.
Artikel 2.3. (criteria)
Het aantal zeemijlen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de wet bedraagt honderd of meer.
Het percentage extra kosten, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van de wet bedraagt ten minste veertig procent.
Artikel 2.4. (informatieplicht; verantwoordelijkheid kapitein)
De kapitein en de teamleider ontvangen voorafgaand aan het aan boord gaan van het beveiligingsteam de juiste en volledige informatie van de scheepsbeheerder onderscheidenlijk de vergunninghouder omtrent:
- a. de beschermingsmaatregelen;
- b. de omvang van het beveiligingsteam, de identificerende gegevens en de nationaliteit van de particuliere maritieme beveiligers;
- c. het aantal vuurwapens en merk, type en registratienummer van elk wapen en de hoeveelheid bijbehorende munitie;
- d. de wapenkluis of -kluizen, en
- e. het aantal sets handboeien en het aantal camera’s en microfoons.
Voorts ontvangen zij:
- a. een kopie van de verplichte nationale en lokale documenten van de desbetreffende kuststaten om de betreffende vuurwapens op wettige wijze aan boord te mogen nemen;
- b. een kopie van de eindgebruikerscertificaten ten bewijze van de wettige eigendom van de desbetreffende vuurwapens;
- c. een kopie van de toestemming, de vergunning en de in artikel 5.1 bedoelde ISO-certificaten, en
- d. een kopie van de overeenkomst tussen de scheepsbeheerder en de vergunninghouder met betrekking tot het verrichten van de maritieme beveiligingswerkzaamheden.
Indien de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet volledig en juist zijn, dan weigert de kapitein om de beveiligers en vuurwapens en munitie aan boord te nemen.
De kapitein stelt het vertrek van het schip of het invaren van het risicogebied uit indien niet aan de bij of krachtens de wet gestelde regels is voldaan.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste en tweede lid, en het tijdstip waarop deze uiterlijk moeten worden verstrekt, alsmede de vastlegging ervan door de kapitein en de teamleider binnen de gegeven termijn.
Hoofdstuk 3. De geweldsmiddelen, uitrusting en de nadere geweldsinstructie
Artikel 3.1. (vuurwapens, munitie, handboeien)
Het geweldsmiddel van de particuliere maritieme beveiligers bestaat uit een niet-automatisch vuurwapen of een semi-automatisch schoudervuurwapen met een maximumkaliber van .50 (12,7 mm) met bijbehorende munitie van het type full metal jacket.
Een teamlid beschikt over ten hoogste twee vuurwapens en ten hoogste 200 eenheden van de in het eerste lid bedoelde munitie.
Een teamlid beschikt over ten minste een set handboeien.
Artikel 3.2. (wapen- of munitiekluis)
De vuurwapens en de bijbehorende munitie worden tijdens een transport op een veilige wijze op het schip opgeslagen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten wapen- of munitiekluizen.
Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over de wapen- of munitiekluis.
Artikel 3.3. (verantwoordelijkheid kapitein)
De kapitein is verantwoordelijk voor het beheer en de veilige opslag van de vuurwapens en de bijbehorende munitie aan boord van het schip en is in het bezit van de sleutels van de wapen- en munitiekluizen.
Uiterlijk twee uren voorafgaand aan het binnenvaren van het risicogebied gaat het beheer van de vuurwapens en de bijbehorende munitie over naar de teamleider, waarbij de kapitein de sleutels van de wapen- en munitiekluizen overdraagt.
Schietoefeningen door particuliere maritieme beveiligers mogen in verband met de veiligheid op en rond het schip slechts plaatsvinden na door de teamleider verkregen instemming van de kapitein.
Artikel 3.4. (nadere geweldsinstructie)
In aanvulling op en met inachtneming van artikel 9 van de wet geldt dat een particuliere maritieme beveiliger, ter afwending van dreigend gevaar van piraterij, alvorens gericht te schieten, een of meer waarschuwingsschoten in de lucht afvuurt.
Als het gevaar daarmee niet is afgewend, vuurt de particuliere maritieme beveiliger voor de boeg van het schip waarvan de piraterijdreiging uitgaat en daarna, als het gevaar niet is afgewend, op de motor van het schip met het doel het schip het varen te beletten.
Als in het uiterste geval het gevaar niet is afgewend, en er onmiddellijk gevaar dreigt voor het leven of de veiligheid van de opvarenden van het te beschermen schip, is de particuliere maritieme beveiliger bevoegd om te vuren op de niet vitale delen van het lichaam van personen op het schip waarvan de piraterijdreiging uitgaat.
Het derde lid is eveneens van toepassing indien personen op het schip waarvan dreigend gevaar van piraterij uitgaat, zich toegang tot het te beschermen schip trachten te verschaffen of hebben verschaft.
De kapitein wordt voortdurend door de teamleider van zijn opdrachten aan de teamleden en van het verloop van het aanwenden van geweld op de hoogte gehouden, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is.
Hoofdstuk 4. De vergunning
Artikel 4.1. (reikwijdte vergunning)
De vergunning wordt verleend voor het aanbieden of verrichten van gewapende maritieme beveiligingswerkzaamheden door een maritiem beveiligingsbedrijf aan boord van een schip dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren, binnen het risicogebied.
Artikel 4.2. (aanvraag bij Inspectie Leefomgeving en Transport)
De aanvraag voor de vergunning wordt ingediend bij de Inspectie Leefomgeving en Transport.
Artikel 4.3. (duur en voorschriften per vergunning)
De vergunning wordt verleend met een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaar.
De vergunning kan worden verlengd, telkens voor ten hoogste drie jaar.
Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden, onder meer met betrekking tot:
- a. het toezicht van overheidswege op naleving van de bij en krachtens de wet gestelde regels, en
- b. de samenwerking met andere staten in het kader van maritieme beveiligingswetgeving.
Artikel 4.4. (beslistermijn)
De beschikking op de aanvraag omtrent een vergunning wordt gegeven binnen acht weken nadat de aanvraag is ontvangen.
Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste twaalf weken verlengen, indien naar zijn oordeel advies van of onderzoek door een derde nodig is.
Indien de termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en geeft hij aan binnen welke termijn de beschikking op de aanvraag kan worden gegeven.
Artikel 4.5. (overgang vergunning op een derde)
De vergunning kan slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister overgaan op een derde. Het bepaalde bij en krachtens artikel 14 van de wet is van overeenkomstige toepassing bij de overgang van een vergunning.
Artikel 4.6. (schorsing vergunning)
De schorsing van de vergunning op grond van artikel 14 van de wet eindigt op de dag na de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking van de vergunning is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de schorsing acht weken zijn verstreken.
Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste acht weken verlengen, indien naar zijn oordeel advies van of onderzoek door een derde nodig is.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.